Dramatische Werken: De comedie der liefde; Brand; Peer Gynt by Henrik Ibsen

DRAMATISCHE WERKEN
DE COMEDIE DER LIEFDE; BRAND; PEER GYNT
TWEEDE DRUK
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVII

[3]

[Inhoud]

Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.[4]

[Inhoud]

INHOUD:

BLADZ.
DE COMEDIE DER LIEFDE 1
BRAND 107
PEER GYNT 295

[6]

[Inhoud]

DE COMEDIE DER LIEFDE

TOONEELSPEL IN VERZEN IN DRIE BEDRIJVEN

[7]

[Inhoud]

PERSONEN:

  • Mevrouw Halm, een ambtenaarsweduwe.
  • Zwaanhilde, haar dochter.
  • Anna, idem.
  • Valk, een jong schrijver, en
  • Lind, student in de theologie, logé’s van mevrouw Halm.
  • Goudstad, groothandelaar.
  • Stuiver, klerk.
  • Juffrouw Ekster, zijn verloofde.
  • Strooman, dorpsdominee.
  • Mevrouw Strooman, zijn vrouw.
  • Studenten, gasten, familie en verloofde paren.
  • De acht kleine meisjes van den dominee.
  • Vier tantes, een huisjuffrouw, een oppasser, dienstmeisjes.

Het stuk speelt op mevrouw Halm’s villa aan den Drammensweg bij Kristiania.

[8]

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

Een mooie tuin, onregelmatig maar smaakvol aangelegd. Op den achtergrond ziet men den fjord met zijn eilanden. Links van den toeschouwer het hoofdgebouw met een veranda en daarboven een openstaand zolderraam. Rechts op den voorgrond een open priëel met tafel en banken. Het landschap ligt in sterk avondlicht. Het is in den vóórzomer; de vruchtboomen bloeien.

Bij het opgaan van het scherm zitten mevr. Halm, Anna en juffr. Ekster in de veranda, de beide eersten met een handwerk, de laatste met een boek. In het priëel ziet men Valk, Lind, Goudstad en Stuiver; op de tafel staat een punchbowl met glazen. Zwaanhilde zit alleen op den achtergrond bij het water.

Valk (staat met opgeheven glas en zingt).

Tot vreugde en genot werd u gegeven

In stillen bloemhof, zonblijde dag;

Vergeet dat de herfst vaak niet kan geven

Wat lente beloofde met lieven lach.

Bloesemtakken vol zoete geuren

Breiden zich welvend over u uit …

Laat dan van nacht de storm ze verscheuren,

Strooien langs velden en wegen zijn buit.

Waarom te vragen naar rijpe vruchten

Als alle boomen te bloeien staan?

Waarom toch treuren, waarom zuchten,

Zwoegend en slavend door ’t leven gaan?

Waarom in ’t veld toch op hooge stangen

Vogelverschrikkers met jas en hoed?

Broeders, wij willen der vogels zangen

Klinkend in ’t oor ons lieflijk en zoet.[9]

Waarom de vogels te verjagen

Uit uw rijk-bloeienden kersengaard!

Laat hen maar stelen die enkele dagen …

Vogels zijn dubbel hun zangloon waard.

Waarlijk in ’t eind wint gij bij den ruil nog,

Krijgt zoete zangen voor late vrucht …

Snel gaat voorbij de Tijd, en bedenk toch

Hoe weldra de zomer weer ontvlucht.

Leven wil ik, genieten en zingen,

Tot bladerloos is de laatste heg;

Niet als een kind om méér zal ik dwingen,

Ruim dan gerust het overschot weg.

Open het hek; laat ’t vee naar begeeren

Gulzig grazen, tevreden en stil;

Ik plukte de bloemen … wat kan ’t mij deren

Wie ’t doode restje nog nemen wil!

Valk (tegen de dames).

Kijk, dat was nu het lied waarom u vroeg;…

Wil wat toegevend zijn … veel zaaks is ’t niet.

Goudstad.

O wat deert dat, als ’t lied maar goeden klank heeft!

Juffr. Ekster (kijkt rond).

Maar Zwaanhild, die er zoo op aandrong juist?

Toen Valk begon, was zij met-een gevlogen;

Nu is zij weg.

Anna (wijst naar den achtergrond).

Welneen, zij zit daarginds.

Mevr. Halm (zuchtend).

Och god, dat kind! Wie leert haar ooit manieren!

Juffr. Ekster.

Maar zeg, mijnheer, mij leek uw lied op ’t einde

Veel minder rijk aan … ja … aan poëzie,

Dan in de rest toch wel te vinden is.

Stuiver.

Ja, en ’t was toch gemakkelijk genoeg

Om aan het slot ook nog wat aan te brengen.

Valk (klinkt met hem).

Je smeert maar op, als lijm tusschen de barsten,

Totdat het plakt en ’t hout gemarmerd lijkt.

[10]

Stuiver (onverstoorbaar).

Ja, dat gaat best; dat weet ik nog zoo goed;

Zoo deed ik ’t ook …

Goudstad.

Wat? Heeft u ook gedicht?

Juffr. Ekster.

Mijn vriend? O ja!

Stuiver.

Och, ’t was niet van belang.

Juffr. Ekster (tegen de dames).

Hij ’s in zijn hart romantisch.

Mevr. Halm.

Ja, dat is hij.

Stuiver.

Och nu niet meer; dat is al lang geleden.

Valk.

Vernis en romantiek, die slijten op den duur.

Maar vroeger wel dus …?

Stuiver.

Ja ’t was in dien tijd,

Toen ik verliefd was.

Valk.

Was? Is die dan al voorbij?

Ik dacht niet dat je liefderoes al uit was!

Stuiver.

Nu ben ik immers officieel verloofd,

Dat is toch beter dan verliefd zijn, dunkt mij.

Valk.

Zeer juist, mijn beste vriend, dat vind ik ook!

Aldus gepromoveerd was ’t moeilijkste overwonnen;

Bevordering van minnaar tot geliefde.

Stuiver (met een welgevallig herinneringslachje).

Het is toch zonderling! ’k Zou haast gaan twijflen

Of mijn herinnering mij niet bedriegt. (tot Valk gewend)

Nu zeven jaar geleden,… ’t is de waarheid!

Maakte ik in stilte verzen op ’t kantoor.

Valk.

Maakte jij verzen … waar?

Stuiver.

Wel, aan de tafel.

Goudstad.

Silentium! De klerk heeft nu het woord!

[11]

Stuiver.

Vooral zoo ’s avonds, als ik vrij-af had,

Dan schreef ik heele reeksen verzen wel,

Zoo lang soms als … ja, twee drie vellen vol.

Dat ging!

Valk.

Je gaf je Muze maar een schop,

Dan draafde ze al …

Stuiver.

Of het papier gestempeld

Was of niet, was haar volmaakt om ’t even.

Valk.

Dus ’t dichten vloeide dan toch even vlot?

Maar zeg, hoe drong je toch den tempel binnen?

Stuiver.

Met ’t breekijzer der liefde, beste vriend!

Met andere woorden, het was juffrouw Ekster,

Die een poos later mijn verloofde werd;

Want toen was zij …

Valk.

Alleen nog maar je vlam.

Stuiver (voortgaand).

Dat was een vreemde tijd; ’k vergat mijn studie;

Mijn pen vermaakte ik niet, neen ’k moest haar stemmen,

En als zij soms bleef haken in ’t papier,

Klonk dat als melodie van wat ik schreef;…

Ten slotte expediëerde ik toen een brief

Aan haar … aan haar …

Valk.

Wier liefste jij toen werdt.

Stuiver.

Dienzelfden dag nog zond zij ’t antwoord mij;

Mijn aanzoek nam zij aan … de zaak was klaar!

Valk.

En jij, je voelde je op ’t kantoor een held;

Nu had je veilig dan je liefde binnen!

Stuiver.

Natuurlijk, ja.

Valk.

En dichtte je nooit meer?

Stuiver.

Neen, ’k heb daarna den drang nooit meer gevoeld;[12]

’t Was of op eens mijn dichtvuur was gedoofd;

En als ’k een enkle maal nu eens beproef

Een Nieuwjaarsvers of zoo iets op te stellen,

Dan speel ik het met rijm noch rhythme klaar,

En,… ik begrijp niet waar het aan mankeert,…

Maar ’t wordt kantoorstijl-werk, geen poëzie.

Goudstad (klinkt met hem).

En daar is u zoo waar niet minder om! (tegen Valk)

U denkt wel dat in ’t bootje van ’t geluk

Alleen voor u een plaatsje wordt bewaard;

Maar wees voorzichtig als den tocht u waagt.

Wat nu uw vers betreft, zoo weet ik niet

Of het poëtisch is in allen deele,

Maar hoe u ook de woorden draait of keert

Toch deugt niet uw moraal, dat zeg ik u.

Hoe moet men zoo’n administratie noemen,

Die vogels vrij het groene ooft laat pikken

Vóór het tot rijpe vrucht nog worden kon?

Die koe en kalf maar vrij in ’t gras laat weiden,

Dat alles kaal is als de hooitijd komt?

Nou, ’t zou er hier mooi uitzien ’t volgend jaar!

Valk (staat op).

Och, ’t volgend, volgend! Stuitend is de zin

Die in dat slappe woord “het volgend” ligt;

Dat maakt den blijdsten mensch op eenmaal arm!

Was ik een uurtje maar de sprookjes-sultan

Die over dood en leven vrij beschikt,

Dát woord was gauw ten doode opgeschreven,

Als dubbele o en e in nieuwe spellingsleer.

Stuiver.

Wat heb je dan toch tegen ’t woord der hoop?

Valk.

Dat het Gods mooie wereld ons versombert.

“De volgende liefde”, “de volgende vrouw”,

“De volgende maaltijd” en “’t volgende leven”,…

Kijk, die omzichtigheid, die daarin ligt,

Die is het die der vreugde zoon verarmt.

Zoo ver je ziet wordt heel de wereld leelijk,

Zij doodt van ’t oogenblik het hoogst genot;

Je hebt geen rust, eer je de boot gestuurd hebt

Met zwoegend tobben, naar het “volgend” strand;

En ben je eenmaal daar … mag je dan rusten?[13]

Neen; je moet verder naar een “volgend” eiland.

Zoo gaat het voort … voort maar, het leven uit …

God weet of ginds een rustplaats wordt gegeven.

Mevr. Halm.

Foei, mijnheer Valk, hoe kan u toch zoo spreken!

Anna (nadenkend).

O, wat hij zegt begrijp ik alles best;

Er moet, dunkt mij, toch wel iets waars in zijn.

Juffr. Ekster (bezorgd).

Ach, mijn aanstaande moet dat maar niet hooren,

Hij ’s excentriek genoeg … Hoor eens, mijn beste,

Toe, kom eens even hier!

Stuiver (bezig zijn pijp schoon te maken).

Ik kom zoo daadlijk.

Goudstad (tegen Valk).

Ja, één ding is mij duidelijk althans:

U mocht de omzichtigheid wel meer in eere

Houden; stel u ’t geval eens voor dat u

Van daag ging dichten en daarvoor gebruikte

Al wat u heeft in kas aan poëzie,

Den heelen kostbren voorraad … en u zag

Dat er niets meer van over was, als u

Den andren morgen ’t “volgend” wou gaan dichten …

Dan kreeg mevrouw Kritiek u gauw te pakken.

Valk.

Ik twijfel hard of zij ’t bankroet zou merken;

Dan slenterden mevrouw Kritiek en ik

Gemoedlijk arm in arm te zamen voort. (afbrekend met veranderde stem).

Maar zeg eens, Lind, wat scheelt jou eig’lijk toch?

Je zit daar maar den heelen tijd zoo somber;

Of bestudeer je soms den bouw van ’t huis?

Lind (zich beheerschend).

Ik? Hoe kom je dáár nu bij?

Valk.

Ja zeker;

Je wendt je oogen van ’t balkon niet af.

Zijn het de breede bogen der veranda

Die je met zooveel diepen ernst beschouwt,

Of wel het kunstig snijwerk van de deur,

Of van de vensterluiken, zeg wat is ’t?

Want iets moet je gedachten tot zich trekken.

[14]

Lind (met een stralend gezicht).

Neen, je vergist je; ik zit maar hier en leef.

Bedwelmd door ’t nù verlang ik verder niets.

Ik heb ’t gevoel alsof ik aan mijn voeten,

Zag uitgespreid der heele wereld schatten.

Dank voor je lied van ’t blijde lenteleven.

Dat was als uit mijn eigen ziel gegrepen! (heft zijn glas op en wisselt een blik met Anna, onopgemerkt door de anderen).

Der bloeme heil, die zoete geuren spreidt

Niet denkend aan het worden van de vrucht! (ledigt zijn glas).

Valk (kijkt hem aan, verrast en aangedaan, maar dwingt zich tot een luchtigen toon).

Hoort, lieve dames, dat is nu wat nieuws!

Hier maakte ik ongedacht een proseliet.

Nog gisteren liep hij met ’t gezangboek rond,

Van daag roert boudweg hij de dichtertrom …

Men zegt wel dat een dichter wordt geboren;

Maar soms kan men een prozaschrijver mesten

Zoo onbarmhartig als een arme gans,

Met rijmgeknutsel en metrisch geknoei,

Dat alles in hem, lever, ziel en krop,

Zit opgestopt met lyrisch vet en kruim

Van rhetoriek, als hij wordt uitgehaald, (tegen Lind).

Mijn dank intusschen voor je vriendlijk woord;

Voortaan dus tokk’len samen wij de lier.

Juffr. Ekster.

O ja, u werkt nu zeker veel, mijnheer?

De rust hier buiten tusschen bloesemboomen,

Waar ongestoord en eenzaam u kan dwalen.…

Mevr. Halm (glimlachend).

Neen, hij is lui, het is een ware schand’.

Juffr. Ekster.

Ik dacht zoo dat als gast van mevrouw Halm

U juist heel druk aan ’t dichten raken moest. (wijst naar rechts).

Dit klein priëel, zoo achter ’t loof verscholen,

Lijkt voor een dichter mij als uitgezocht;

Dáár dunkt mij, moet de inspiratie komen …

Valk (gaat naar de veranda en leunt met de armen op de balustrade).

Bedek mijn oogen met der blindheid waas,

Dan zal den lichten hemel ik bezingen.

Bezorg mij voor den tijd van ééne maand[15]

Een smart, een diep, reusachtig groot verdriet,

En ’k zal van levensvreugde juublend zingen.

Of liever nog, bezorg mij maar een vrouw

Die voor mij is mijn licht, mijn zon, mijn God.

’k Heb Onzen Lieven Heer daarom gesmeekt,

Maar hij bleef doof, of houdt zich zoo, helaas.

Juffr. Ekster.

Foei wat is u profaan!

Mevr. Halm.

Ja, dat is erg!

Valk.

O, denk toch niet dat ’t mijn bedoeling is

Om in ’t publiek met haar gearmd te wandlen;

Neen, uit wildst-jubelenden zwijmelroes

Moest plots terug zij in de eeuwigheid.

Wat zielegymnastiek heb ik wel noodig;

Licht kreeg ik op die wijs mijn deel er van.

Zwaanhilde (is naderbij gekomen; zij staat nu vlak bij Valk en zegt met schertsende uitdrukking, maar toch vast)

Goed, ik zal voor u bidden om zoo’n lot:

Maar als het komt,… draag het dan als een man.

Valk (heeft zich verrast omgekeerd).

O, juffrouw Zwaanhild!… Ja ik zal mij waapnen.

Maar gelooft u ook dat ik vertrouwen kan

Op uw gebed, als iets van groote kracht?

Want och, de hemel laat zich niet verbidden.

Ik weet wel dat uw wil voldoet voor twee

Om van mijn zielerust mij te berooven;

Maar of uw g’loof voldoende is daartoe,

Kijk, dat ’s de kwestie.

Zwaanhilde (half in ernst, half schertsend).

Wacht tot het leed er is

Verwoestend ’s levens lichten, groenen zomer,…

Wacht tot het knaagt en schrijnt bij dag en nacht,

Dan kent van mijn geloof u pas de kracht. (zij gaat naar de dames toe).

Mevr. Halm (op gedempten toon).

Och, dat je samen nooit kunt vrede houden!

Nu heb je Valk in ernst toch boos gemaakt. (gaat voort zachtjes [16]en vermanend te spreken. Juffr. Ekster mengt zich in het gesprek. Zwaanhilde staat er koud en zwijgend bij).

Valk (gaat na een kort nadenkend zwijgen naar het priëel en zegt in zich zelf).

Er straalde zekerheid uit hare oogen.

Dat ik maar g’looven kon als zij, zoo vast,

Dat mij de hemel …

Goudstad.

Neen, dat wil God niet!

Het ware, met respekt, ook al te dwaas

Als zulke orders werden uitgevoerd.

Neen, weet u, wat bepaald u noodig heeft

Is gymnastiek voor armen, beenen, lijf;

Lig hier niet naar het groene loof te staren

Den lieven langen dag, hak liever hout.

En ’t zou dan wel vervloekt gek moeten loopen,

Als binnen veertien dagen u niet was

Bevrijd van al die malle dichterkuren.

Valk.

’k Sta als de ezel tusschen zware keus;

Ter linker lokt mij vleesch, ter rechter geest;

Wat zou wel hier de wijste keuze zijn?

Goudstad (terwijl hij inschenkt).

Eerst een glas punch, dat dorst en zorg verdrijft.

Mevr. Halm (kijkt op haar horloge).

Maar ’t is al haast acht uur; nu denk ik wel

Dat wij den dominee gauw zullen zien. (staat op en reddert op de veranda wat op).

Valk.

Wat? Hier een dominee?

Juffr. Ekster.

Ja, waarom niet?

Mevr. Halm.

Dat heb ik immers onlangs u verteld …

Anna.

Neen, moeder, daar was mijnheer Valk niet bij.

Mevr. Halm.

Ja, dat is waar. Maar kijk maar niet zoo sip,

Want zijn gezelschap is hij dubbel waard.

Valk.

Och kom, wie is hij dan, die zoo gewenschte?

[17]

Mevr. Halm.

Wel, lieve Heer, zijn naam is immers Strooman.

Valk.

Jawel; dien naam heb ik wel eens gehoord;

En ook gezien dat hij nu werkzaam is

Als kamerlid, op ’t veld der politiek.

Stuiver.

Ja, hij spreekt goed.

Goudstad.

Maar jammer dat hij schor is.

Juffr. Ekster.

Hij komt hier met zijn vrouw en …

Mevr. Halm.

Met zijn kinderen …

Valk.

Om die vooraf een beetje pret te gunnen …

Want daarna krijgt hij handen vol met werk.

Met Zweedsche kwesties en veel andere zaken.

Ja, dat begrijp ik.

Mevr. Halm.

Dat is een man, mijnheer!

Goudstad.

Ja, in zijn jeugd was hij nogal een schalk.

Juffr. Ekster (gekrenkt).

Toch niet, mijnheer! Want al toen ik nog klein was

Hoorde ik met grooten eerbied altijd spreken—

En dat door menschen die men g’looven kan—

Over den dominee en zijn roman.

Goudstad (lachend).

Roman?

Juffr. Ekster.

Jawel. Ik noem zoo iets romantisch,

Wat alledaagschen niet waardeeren kunnen.

Valk.

O, mijn nieuwsgierigheid is hoog gespannen.

Juffr. Ekster (voortgaande).

Maar och, er zijn natuurlijk altijd menschen

Die door ’t aandoenlijke zich laten prikk’len

Tot spotternij! Het is genoeg bekend,

Dat iemand hier, hij was nog maar student,

Zoo ongehoord pedant, zoo erg brutaal was,

Om “William Russell” zelfs te kritiseeren.

[18]

Valk.

Maar is die dominee dan een gedicht,

Een christlijk drama of zoo iets misschien?

Juffr. Ekster (geroerd tot stille tranen).

Neen, Valk,… een mensch, maar met een diep gemoed.

Maar als zóó iets, dat toch geen leven heeft,

Al zooveel boosheid wekt en lage drift

En hevig-fellen hartstocht weet te ontkeetnen,

Zoo diep en bitter …

Valk.

En zoo schriklijk lang …

Juffr. Ekster.

Dan zal u met uw scherpen blik ook wel

Begrijpen dat …

Valk.

Ja, dat begrijp ik best.

Maar wat tot nog toe mij niet duidlijk werd

Dat is, waar die roman nu in bestaat,

’k Vermoed wel dat die heel aangrijpend is;

Maar is ’t niet mooglijk die zoo heel in ’t kort …

Stuiver.

’k Zal trachten uit de feiten het voornaamste

Te resumeeren.

Juffr. Ekster.

Neen, ik weet er meer van,

Ik kan ’t vertellen …

Mevr. Halm.

Ja, dat kan ik ook!

Juffr. Ekster.

Och neen, mevrouw, ’k ben nu al goed op gang.

Weet u, mijnheer,… hij gold als kandidaat

Voor een der knapste koppen van de stad,

Wist van kritiek en ook van nieuwe modes …

Mevr. Halm.

En speelde ook comedie binnenshuis.

Juffr. Ekster.

Wacht toch! En schilderde,… en musiceerde

Mevr. Halm.

En weet je nog hoe mooi hij kon vertellen!

Juffr. Ekster.

Laat mij toch ’t woord; ik weet er alles van.

Hij schreef en componeerde zelf muziek[19]

Op iets dat … bij een uitgever verscheen;

Het heette: “een sonnettenkrans aan haar”.

Hoe innig zong hij die bij de guitaar!

Mevr. Halm.

Ja, dat is zeker, hij was geniaal!

Goudstad (op gedempten toon).

Hm, andren noemden kortweg hem een gek.

Valk.

Een wijsgeer, oud en praktisch, die niet putte

Dat wat hij wist uit muffe perkamenten,

Zei eens, de liefde kon Petrarca’s maken

Zoo goed als vee en luiheid patriarchen.

Maar wie was “zij”?

Juffr. Ekster.

Dat was zijn veelgeliefde,

Nu lang zijn vrouw, die u zal leeren kennen.

Zij was een dochter van een firma die …

Goudstad.

In hout deed.

Juffr. Ekster.

Ja, mijnheer zal het wel weten.

Goudstad.

Want ’t was met Holland dat die zaken deed.

Juffr. Ekster.

Och, dat zijn toch maar triviale dingen.

Valk.

Een firma die …?

Juffr. Ekster (voortgaand).

Schatrijk was, echte Nabobs.

U kan begrijpen dat zij veel begeerd was;

Door de voornaamsten werd haar ’t hof gemaakt.

Mevr. Halm.

En daar was zelfs een kamerheer ook bij.

Juffr. Ekster.

Maar zij streed dapper voor haar vrouwenrecht.

Strooman had zij gezien op het tooneel;

Hem zien en hem beminnen dat was één …

Valk.

En al de pretendenten konden gaan!

Mevr. Halm.

Ja, stel u voor, is dat niet echt romantisch!

[20]

Juffr. Ekster.

En voeg daarbij een ouden wreeden Pa

Die anders niet wou doen dan harten scheiden;

En nog een voogd was er, geloof ik, ook,

Om ’t bittre leed nog bitterder te maken;

Maar zij bleef hem en hij bleef haar getrouw;

Zij droomden van een hutje op de hei,

Een sneeuwwit lam dat beiden voeden zou …

Mevr. Halm.

Ja, op zijn hoogst een koetje klein en bont …

Juffr. Ekster.

In ’t kort, zooals zij mij zoo vaak vertelden:

Een hutje, een koele beek, elkanders harte!

Valk.

Ach ja! En toen …?

Juffr. Ekster.

Zij brak met haar familie.

Valk.

Voor goed …?

Mevr. Halm.

Ja, dat deed zij.

Valk.

Kijk, dat was flink.

Juffr. Ekster.

En trok toen naar het kamertje van Strooman.

Valk.

Trok bij hem in! Zoo zonder … eerst te trouwen?

Juffr. Ekster.

O foei!

Mevr. Halm.

Schaam u! mijn man was zelf getuige

Van ’t jonge paar …!

Stuiver (tegen juffr. Ekster).

Ja, ’t weglaten van feiten

Maakt twijfel wakker en verwart ’t verhaal;

In referaten komt het er op aan

Te ord’nen, chronologisch en correct.

Maar nooit heb ik nog goed kunnen begrijpen,

Hoe zij daar leefden …

Valk (vervolgende).

Want men mag vermoeden

Dat koe en schaap niet ook op zolder woonden.

[21]

Juffr. Ekster (tegen Stuiver).

O, je moet één ding wel bedenken, beste,

Men heeft niets noodig waar de liefde woont;

Twee teedre harten leven haast van niets. (tegen Valk)

Hij had haar lief bij snarenspel en zang

Waarop zij met klavierspel weerklank gaf.

Mevr. Halm.

En dan, dat spreekt, zij leefden op crediet …

Goudstad.

Een jaar, totdat de firma ging failliet.

Mevr. Halm.

Maar toen kreeg Strooman een beroep naar ’t Noorden.

Juffr. Ekster.

En in een brief, dien ’k later zag, bezwoer hij

Alleen voor haar en voor zijn plicht te leven.

Valk (aanvullend).

En daarmee was dan zijn roman beëindigd.

Mevr. Halm (staat op).

Kom, laat ons nu eens in den tuin gaan zien;

Het kon toch zijn dat hij in aantocht was.

Juffr. Ekster (doet haar manteltje om).

Het wordt al koel.

Mevr. Halm.

Och, Zwaanhild, haal mij even

Mijn wollen doek.

Lind (onbemerkt tegen Anna).

Ga vast vooruit!

Mevr. Halm.

Kom je ook?

(Zwaanhilde gaat het huis binnen; de anderen, behalve Valk, gaan naar den achtergrond of af naar links. Lind die meegeloopen is blijft staan en komt terug).

Lind.

Mijn vriend!

Valk.

Wel insgelijks!

Lind.

Geef mij je hand!

Ik ben zoo blij;… ’t is of mijn hart moet barsten,

Als ik ’t niet iemand zeg …

Valk.

Maar kalmpjes aan;[22]

Verhoord word je eerst, veroordeeld, dan gehangen.

Wat zijn dat voor manieren? Je verbergt

Voor mij, je vriend, den schat door je gevonden;…

Beken het maar, gegrond is mijn vermoeden:

Je trok een prijs uit ’s levens loterij!

Lind.

Ja, op een mooien vogel lei ’k de hand!

Valk.

Zoo? Levend,… onbeschadigd door het net?

Lind.

Heb maar geduld; nu is het gauw gezegd:

Ik ben verloofd!…

Valk (snel).

Verloofd, zeg je?

Lind.

Jawel!

Van daag,… hoe ’k durfde weet ik zelf niet meer!

Ik zei … nou ja, dat kan ik niet vertellen;

Maar weet je … zij, dat mooie jonge meisje,

Bloosde als een roos,… en werd volstrekt niet boos!

Zeg, kan je ’t vatten, Valk, hoe ik het waagde!

Zij luisterde en … schreide, meen ik zelfs;

Dát is toch een goed teeken?

Valk.

Zeker wel.

Lind.

En dus, niet waar, is zij nu mijn verloofde?

Valk.

Ik onderstel van ja; maar wil je ’t weten

Volmaakt sekuur, vraag ’t dan aan juffrouw Ekster.

Lind.

O neen, ik weet het zeker, mijn gevoel

Bedriegt mij niet, ’k ben rustig, zonder vrees.

(Stralend en geheimzinnig).

Zeg, even mocht ’k haar handje drukken ook

Toen zij de koffiekopjes nam van tafel!

Valk (heft zijn glas op en ledigt het).

Nu, lentebloesem siere je verbond!

Lind (doet evenzoo).

En ’k wil hier luid en plechtig het bezweren

Dat ik haar lief zal hebben tot mijn dood,[23]

Zoo warm als nu … want och zij is zoo lief!

Valk.

Verloofd! Dus daarom waren je gedachten

Bij Mozes noch profeten meer van daag.

Lind (lachend).

En jij, die dacht, dat jouw lied dat gedaan had!…

Valk.

Ach ja, poëten g’looven dat zoo licht.

Lind (ernstig).

Je moet niet denken dat ik door ’t geluk

Den theoloog al uitgeschud heb nu.

’t Verschil is dit alleen, dat ’k niet den Bijbel

Als Jakobsladder tot mijn God gebruik.

Nu moet ik Hem in ’t leven zelf gaan zoeken;

Ik voel meer goedheid nu al in mijn hart,

’k Heb lief de grashalm, ’t wurmpje aan mijn voet;

Die moeten van ’t geluk hun deel ook hebben.

Valk.

Maar zeg mij eens …

Lind.

’k Heb alles nu gezegd,

Mijn zoet geheim blijft heilig voor ons drieën.

Valk.

Ja, maar ’k bedoel, heb je al vooruit gedacht?

Lind.

Gedacht? Vooruit? Ik? Neen, voor ’t oogenblik

Leef ik geheel in lenteblij genot.

Ik richt mijn oog op ons geluk vlak bij:

Daar houden wij van ’t lot de teugels vast.

Noch jij, noch Goudstad,… noch zelfs mevrouw Halm

Kan zeggen tot mijn frissche bloem: “verwelk!”

Want ik heb wilskracht, gloed straalt uit háár oogen.

En daarom moet en zal zij opwaarts streven!

Valk.

Goed zoo; wie zoo denkt, zal ’t geluk wel dwingen!

Lind.

Wild-bruisend kookt in mij mijn levensmoed.

O, ik voel mij zoo sterk! Lag daar een afgrond

Vóor mij … hoe gapend ook … Ik waagde een sprong!

Valk.

Wat zeggen wil in nuchtre prozataal:

Je liefde maakt je bijna tot een rendier.

[24]

Lind.

Nu … trek ik mee met wilden rendiertroep

Dan weet ik wel waarheen mijn smachten trekt!

Valk.

Dat kan je morgen dan alvast vertoonen.

Je moet toch met ’t kwartet de bergen in?

Maar ’k wed dat je geen pelsjas noodig hebt …

Lind.

’t Kwartet! Nou ja, laat ’t zonder mij maar klimmen.

Ik adem berglucht nu in ’t diepe dal;

Hier heb ik bloemen en de wijde fjord,

Hier heb ik bladerruischen, vogelzangen,

En mijn geluksfee … zij is immers hier!

Valk.

O, een geluksfee hier in deze streken

Hoû die maar vast!… die zijn maar al te zeldzaam. (met een blik op het huis).

Sst,… Zwaanhild …

Lind (drukt hem de hand).

Goed; ’k ga heen,… laat niemand weten,

Wat tusschen jou en mij en háár moet blijven.

Dank dat je luisteren wou naar mijn geheim.

Begraaf het in je hart, hoû ’t veilig daar …

(af naar den achtergrond hij de anderen).

(Valk kijkt hem een oogenblik na en loopt een paar maal den tuin op en neer, zichtbaar strijdende tegen zijn aandoeningen. Even later komt Zwaanhilde uit het huis met een doek op den arm; wil naar den achtergrond gaan; Valk nadert haar en kijkt haar onafgewend aan. Zwaanhilde blijft staan).

Zwaanhilde (na een kleine pauze).

U kijkt mij zoo vreemd aan …?

Valk (half in zich zelf).

Ja, dáár is ’t trekje,

Diep in die oogen glijdt een vlucht’ge schaduw,

Die om den mond verscholen speelt vol spotlust.

Het is daar.

Zwaanhilde.

Wat? U doet mij haast verschrikken.

Valk.

U heet Zwaanhilde?

Zwaanhilde.

Ja, dat weet u wel.

[25]

Valk.

Maar weet u dat die naam belachlijk is?

Doe mij ’t genoegen … gooi hem over boord!

Zwaanhilde.

O, dat zou eigenmachtig, ongepast zijn …

Valk.

Hm, “Zwaanhild”… “Zwaanhild”… (plotseling ernstig).

Waarom kreeg u toch

Al toen u klein was zoo’n memento mori?

Zwaanhilde.

Klinkt ’t leelijk dan?

Valk.

Neen, mooi als een gedicht,

Maar veel te groot, te streng voor onze tijden.

Hoe kan een meisje uit onze dagen nu

Begrijpen wat de naam Zwaanhilde inhoudt?

Neen, gooi hem weg, als een verouderd pak.

Zwaanhilde.

U denkt vast aan het koningskind der sage?

Valk.

Dat schuldloos door de paarden werd vertrapt.

Zwaanhilde.

Maar onze wet laat zoo iets niet meer toe.

Neen, hoog in ’t zadel! In mijn stille droomen

Joeg ’k, voortgedragen op een vurig paard,

Zoo vaak ver weg, de wereld in vol moed,

Zijn manen als een vrijheidsvlag me omwapprend!

Valk.

Dat ’s oude liedje. In die “stille droomen”

Kent niemand van ons paal of perk of grenzen,

Dan vreest geen mensch de sporen te gebruiken;…

Bij daden blijven wij zoet hier beneden;

Want ’t leven heeft een ieder innig lief,

En niemand wil een sprong ten doode wagen.

Zwaanhilde (levendig).

Ja, wijs mij ’t doel maar, en ik waag ’t te springen.

Maar dan zij ’t doel den sprong ten doode ook waard.

Een Californië na zandwoestijnen,…

Zoo niet, dan is ’t maar beter thuis te blijven.

Valk (spottend).

Och ja, “de tijd” is zeker daaraan schuld.

[26]

Zwaanhilde (warm).

Ja, juist, dat is ’t! Waarom als ’t windstil is,

De boot uitzetten en de zeilen hijschen?

Valk (ironisch).

Ja, waarom zweep of scherpe sporen slijten,

Waar niet met gouden prijs hij wordt beloond

Die moed heeft vrij de wereld in te gaan,

En hoog in ’t zadel, stout vooruit te streven?

Zoo’n tocht, zoo zonder doel, is iets voor d’adel,

Maar onze tijd lacht om wat aadlijk is;

Dat wou u zeggen, niet?

Zwaanhilde.

Ja, dat is waar;

Zie naar dien pereboom die ginder staat,…

Wat is die dor en bloesemloos van ’t jaar.

Verleden jaar, dat had u moeten zien,

Boog heel de boom onder zijn vruchtenlast.

Valk (een beetje onzeker).

Ik g’loof het graag; maar wat moet ’k daaruit leeren?

Zwaanhilde (fijntjes).

O, onder meer, dat ’t voor een Zacharias

Van ónzen tijd, te veel verlangd is, peren

Te oogsten waar een vorig jaar de boom

Te veel gedragen heeft aan bloem en vrucht.

Valk.

Ik wist het wel. U zou wel ’t spoor weer vinden

In oud-romantische geschiedenissen.

Zwaanhilde.

Ja, onze deugd is van een ander slag.

Wie komt er op en strijdt voor waarheid nog,

Wie waagt zijn huid en zijn persoonlijkheid?

Waar vindt men helden?

Valk (kijkt haar scherp aan).

En waar zijn Walkuren?

Zwaanhilde (schudt het hoofd).

Walkuren zijn niet noodig in dit land!

Toen ’t g’loof onlangs in Syrië werd bedreigd

Trok u toen als verdediger daarheen?

Neen, op papier ging u de zaak ter harte.

En voor het goede doel zond u wat geld af.

(Pauze. Valk schijnt te willen antwoorden, maar houdt zich in en gaat den tuin in).

[27]

Zwaanhilde (kijkt hem een oogenblik aan, nadert dan en vraagt zacht).

Valk ben je boos?

Valk.

Welneen, ik sta te peinzen;…

En anders niets.

Zwaanhilde (nadenkend en meewarig).

Je hebt als twee karakters …

Geheel verschillend …

Valk.

Ja, dat weet ik wel.

Zwaanhilde (driftig).

Maar waarom toch?

Valk (uitbarstend).

Omdat ik ’t niet kan dulden

Voor Jan-en-alleman mijn naakte ziel

Ten toon te stellen … als ’t profane menschdom,

Dat op de straat te koop loopt met zijn liefde …

Als jonge vrouwen met hun bloote armen!

Jij was de eenige,… jij Zwaanhild, jij …

Dat dacht ik … maar dat is nu ook voorbij …

(wendt zich tot haar terwijl zij naar het prieël gaat en uitkijkt).

Je luistert …

Zwaanhilde.

Naar een andre stem, die ’s avonds …

Sst! Hoor je wel?… spreekt als de zon gaat dalen.

Een kleine vogel, kijk, verschuilt zich daar

In ’t loof,… daar komt hij net weer voor den dag …

En weet je wat ik vast geloof? Haar, wie

Geen dichterziel, geen zangstem werd gegeven

Die kreeg van God een vogeltje tot vriend …

Voor haar alleen en voor haar tuin geschapen.

Valk (neemt een steen van den grond op).

Dan moeten mensch en dier elkaar ontmoeten,

Zal niet zijn zang te loor gaan bij een vreemde.

Zwaanhilde.

Ja, dat is waar; maar ’t mijne vond ik al.

’k Kreeg niet de gaaf van ’t woord en ook geen zangstem;

Daar kweelt mijn vogeltje in zijn groene schuilplaats,

Daar voel ’k als zangen dalen in mijn ziel …

Nu ja … ze blijven niet … ze vliegen weg …

[28]

(Valk gooit driftig met den steen; Zwaanhilde uit een kreet).

O God! je raakte hem! Hoe kon je ’t doen!

(loopt naar rechts en komt weer dadelijk terug).

O dat was slecht, heel slecht!

Valk (hartstochtelijk opgewonden).

Neen … oog om oog

En tand om tand, Zwaanhilde, meer was ’t niet!

Nu krijg je dan geen groet meer uit de hoogte,

Uit ’t land der zangen geen geschenken meer.

Dat is mijn wraak nu over wat je deedt!

Zwaanhilde.

Wat ’k deed?

Valk.

Ja, jij! Tot op dit oogenblik

Zong in mijn borst een vogel stout en sterk.

Nu kan de doodsklok voor hen beiden luiden,…

Jij doodde hém!

Zwaanhilde.

Ik?

Valk.

Ja, toen jij versloeg

Mijn g’loof, zoo jong, zoo blij en zegevierend …! (verachtelijk).

Toen jij je hebt verloofd!

Zwaanhilde.

Wat meen je toch?

Valk.

O ja, dat ’s stellig wel een heel best zaakje;

Hij doet examen, wordt wel gauw beroepen,…

Hij wenscht toch naar Amerika te gaan …

Zwaanhilde (op denzelfden toon).

En heeft een aardig duitje nog te wachten;…

Want je zult zeker Lind bedoelen?

Valk.

Dat

Zal jij wel weten …

Zwaanhilde (met ingehouden lach).

Ja, als bruidjes’ zuster

Dient dat wel …

Valk.

God! Ben jij ’t dan niet …?

Zwaanhilde.

Die oogstte[29]

Zoo’n overgroot geluk? Ach neen, eilacy!

Valk (bijna kinderlijk blij).

Jij bent het niet! O nu zij God geloofd!

Och, Onze Lieve Heer is goed en mild toch!

Niet met een ander zal ’k gearmd je zien …

Hij wilde alleen het licht der smart ontsteken …

(wil haar hand vatten).

O Zwaanhild, hoor eens, luister …

Zwaanhilde (wijst snel naar den achtergrond).

Kijk eens daarheen!

(Zij gaat naar het huis. Van den achtergrond komen op dat oogenblik mevr. Halm, Anna, juffr. Ekster, Goudstad, Stuiver en Lind. Gedurende het voorgaande is de zon ondergegaan; het landschap ligt in schemerdonker).

Mevr. Halm (tegen Zwaanhilde).

Nu zal de dominee aanstonds wel komen.

Waar bleef je toch?

Juffr. Ekster (met een blik op Valk).

Je staat daar als beteuterd.

Zwaanhilde.

Ik heb wat hoofdpijn; ’t zal wel overgaan.

Mevr. Halm.

En loop je dan hier met je bloote hoofd?

Zet nu vast thee en maak de kamer netjes;

’t Moet in de puntjes zijn; ik ken mevrouw wel.

(Zwaanhilde gaat het huis binnen).

Stuiver (tegen Valk).

Weet jij wat Strooman in de Kamer wil?

Valk.

Ik denk niet dat hij voor verhooging stemt.

Stuiver.

Maar als een zachte wenk hij nu eens kreeg

Dat ’k verzen in mijn schrijfmap houd verborgen?

Valk.

Misschien dat ’t hielp.

Stuiver.

Och was ’t maar waar … want heusch

Het spant er, nu ’t tot trouwen dan zal komen.

De liefdezorgen zijn niet licht te tellen!

Valk.

Net goed: wat doe je in zoo’n wespennest!

[30]

Stuiver.

Dus liefde noem je zóó?

Valk.

Dat niet, maar ’t huwlijk,

Met banden, vrijheidsroof en slavenleven.

Stuiver (ziende dat Juffr. Ekster naderbij komt).

Je weet niet wat een heerlijk kapitaal

Er ligt in ’t woord der vrouw en in haar geest.

Juffr. Ekster (zachtjes).

Denk je dat Goudstad wil een voorschot geven?

Stuiver (knorrig).

Ik weet niet zeker nog; ik zal ’t probeeren.

Lind (gedempt tegen Valk terwijl hij met Anna nader komt).

Ik hoû ’t niet langer uit; ik moet terstond

Aan allen ’t zeggen nu …

Valk.

In plaats te zwijgen,

En geen oningewijde te vertellen,

Wat jou alleen aangaat …

Lind.

Dat ’s ook wat moois;…

Voor jou, mijn vriend, ook hier in huis logeergast,

Moest ik verstoppen dan mijn jong geluk!

Neen, nu mijn hoofd van jubel staat in brand …

Valk.

Nu wil je je ook maar nijdig laten maken?

Ja, goede lieve vriend, als dat je opinie is,

Ga dan maar gauw je engagement vertellen!

Lind.

Dat dacht ik ook, om meer dan ééne reden,

En één daarvan lijkt mij wel van gewicht;

Stel eens dat onder ons zich zou bevinden

Een stille aanbidder, sluipend om haar heen;

Stel dat hij dan op-eens met huwelijksplannen kwam

En aanzoek om haar hand … wat dat gênant zou zijn …!

Valk.

Je hebt gelijk; ja, ik vergat geheel

Dat tot wat hoogers jij je voelt bestemd.

Van liefde’s vrije priester die je nú bent,

Moet vroeg of laat je nog promotie maken;[31]

Maar het is zelfs in strijd met alle vormen

Je nu al voor te doen als hoog-gewijde.

Lind.

Ja, zie je, als niet Goudstad …

Valk.

Wat van hem?

Anna (verlegen).

Och, dat is iets dat Lind zich in zijn hoofd zet.

Lind.

Zeg dat nu niet; ik voel dat hij treedt tusschen

Mijn nieuw geluk en mij, waar hij maar kan.

Die kwast komt immers daaglijks hier naar buiten,

Is rijk en vrijgezel, steeds om je heen;

In ’t kort, mijn liefste, er is nog zooveel

Dat niets dan onheil voor ons kan voorspellen.

Anna (met een zucht).

Hè dat is jammer, ’t was zoo mooi vandaag!

Valk (deelnemend tegen Lind).

Laat niet ’t geluk je ontgaan door sombre grillen,

Wacht nog wat … geef niet noodeloos je bloot.

Anna.

O! Juffrouw Ekster kijkt naar ons; zeg niets meer!

(Zij en Lind af, ieder naar een anderen kant)

Valk (kijkt Lind na).

Daar gaat hij heen en doodt zijn eigen jeugd.

Goudstad (die intusschen bij de trap heeft gestaan in gesprek met mevr. Halm en Juffr. Ekster, komt nu naderbij en klopt hem op den schouder).

Wel, staat u hier te broeden op een lied?

Valk.

Neen, op een drama.

Goudstad.

Zoo? Wel nu nog mooier!…

Ik dacht niet dat u daaraan ook al deed.

Valk.

Neen, dit is eigenlijk ook voor een ander,

Een vriend van mij, ja, van ons allebei;…

Een schrijver van bizondre handigheid,

Want tusschen middaguur en avondstond

Heeft hij al afgemaakt een heele idylle.

Goudstad (sluw).

Blij-eindigend, niet waar?

[32]

Valk.

U weet toch wel

Dat ’t scherm pas valt als zij elkander krijgen.

Maar dat is nog maar één van zijn drie stukken:

Daarnà eerst komen nog de schrijversweeën,

Als nummer twee, de klucht van de verloving,

Door vijf bedrijven heen behandeld wordt.

En hieruit spint hij dan op nieuw de stof

Voor ’t huwelijksdrama, dat is dan het derde.

Goudstad (glimlachend).

De schrijflust schijnt aanstekelijk te werken.

Valk.

Zoo? Hoe dan wel?

Goudstad.

Ik meen alleen in zóóver

Als ’k ook te broeden rondloop op een dichtstuk,…

(geheimzinnig).

Maar heel reëel en uitermate praktisch.

Valk.

Wie is de held, als ik zoo vrij mag zijn?

Goudstad.

Dat zeg ik morgen wel, maar eerder niet.

Valk.

Dan is u ’t zelf!

Goudstad.

Zou ’k daarvoor deugen, denkt u?

Valk.

Een beetre held waar’ waarlijk niet te vinden.

Maar de heldin dan? Zij woont zeker buiten

Op ’t vrije land, niet in bedompte stad?

Goudstad (dreigt met den vinger).

Daar zit de knoop … dat mag ik niet verklappen!…

(verandert van toon).

Zeg eens, wat dunkt u wel van juffrouw Halm?

Valk.

O, u moet stellig haar veel beter kennen;

Mijn oordeel kan noch kwaad noch goed beduiden …

(glimlachend).

Doch pas maar op, dat ’t niet in ’t honderd loopt

Met dat gedicht waarvan u heeft verteld.

Stel dat ik uw vertrouwen zou misbruiken,

En uitkomst en intrige ging bederven.

[33]

Goudstad (gemoedelijk).

Nu ja, dan zou ik ook wel amen zeggen.

Valk.

Is dat gemeend?

Goudstad.

U is toch man van ’t vak;

En ’t waar’ te gek, werd uwe hulp versmaad

Door wie, als ik, maar is een dilettant (gaat naar den achtergrond).

Valk (in ’t voorbijgaan tegen Lind).

Je hadt gelijk; die rijke heer loopt rond

Met moordnaarsplannen tegen je geluk, hoor. (verwijdert zich).

Lind (zacht tegen Anna).

Nu zie je ’t eens, ’k was niet voor niets zoo bang;

Wij moeten heusch terstond je moeder spreken.

(Zij gaan naar mevr. Halm toe, die met juffr. Ekster bij het huis staat).

Goudstad (pratend met Stuiver).

Wat prachtig mooie avond.

Stuiver.

O zeker, ja,

Als er maar stemming is …

Goudstad (schertsend).

Iets niet in orde

Met uw liefde soms?

Stuiver.

Niet juist dáármee …

Valk (die er bij gekomen is).

Maar met ’t engagement?

Stuiver.

Misschien is ’t dát wel.

Valk.

Hoera, dan ben je niet geheel ontbloot nog

Van ieder sprankje poëzie, gelukkig.

Stuiver (beleedigd).

’k Begrijp niet wat met mijn engagement

Of ook met mij, de poëzie te doen heeft.

Valk.

Dat moet je ook niet begrijpen; als de liefde

Haar eigen wezen kent, dan moet zij sterven.

Goudstad (tegen Stuiver).

Maar is er iets waar ’k u mee helpen kan

Dan zeg het maar.

[34]

Stuiver.

Ja, ik heb heel den dag al

Bedacht hoe ’k u de zaak zou kunnen zeggen,

Maar ’k kon niet komen tot een goed besluit.

Valk.

Ik zal je helpen en ik maak het kort:

Sinds jij tot een “aanstaande” bent bevorderd,

Gevoel jij je gedrukt en steeds gedrukter …

Stuiver.

Ja, dat was wel bij tijden nog al erg …

Valk (voortgaand).

En ging zoo waar gebukt onder verplichtingen

Die je ter helle joeg, als je maar kon;

Dat is de zaak.

Stuiver.

Wat zijn dat voor verdichtingen!

Ik heb geprolongeerd, als eerlijk man. (tegen Goudstad).

Maar ’t wordt met iedre maand al meer en erger.

En men krijgt toch een vrouw als men gaat trouwen …

Valk (vroolijk).

Nu is de hemel van je jeugd weer helder,

Dit was een echo uit je dichtertijden!

Zoo moet ’t ook zijn; ’k begreep het wel terstond; ’n Paar vleugels had je noodig en een schaar!

Stuiver.

Een schaar?

Valk.

Een wil-schaar, ja, om alle banden

Weer los te knippen, dat je uit kon vliegen

Weer vrank en vrij …

Stuiver (boos).

Neen, dat wordt ál te grof!

Dat ik beschuldigd word van zoo’n vergrijp

Aan het gezag, dat ’k stil maar heengaan zou?

Zoo iets is een bekladden van mijn eer

En lasterlijke praat!

Valk.

Mensch, ben je dwaas!

Wat wil je dan toch zeggen? Spreek toch … spreek!

Goudstad (lachend tegen Stuiver).

Ja, tracht de zaak eens helder in te denken.

Wat wou u dan?

[35]

Stuiver (bedaart weer).

Een leening bij de spaarbank.

Valk.

Een leening!

Stuiver (snel tegen Goudstad).

’k Meen een endossement

Voor honderd thaler of zoo daaromtrent.

Juffr. Ekster (die inmiddels bij mevr. Halm, Lind en Anna heeft gestaan).

Hoe aardig! Och! Nu veel geluk, hoor kindren!

Goudstad.

Wat is dat nu? (gaat naar de dames).

Stuiver.

Dat kwam daar ongelegen.

Valk (slaat uitgelaten zijn armen om zijn hals).

Hoera, trompetgeschal verkondigt luid

Dat Amor je een broertje heeft gebracht.

(trekt hem mee naar de anderen).

Juffr. Ekster (overweldigd tegen de heeren).

Och, Lind en Anna,… Lind heeft haar gekregen!

Zij zijn geëngageerd!

Mevr. Halm (met tranen van ontroering, terwijl het paar gelukgewenscht wordt).

Dat ’s al de achtste,

Die welverzorgd en blij dit huis verlaat;… (tot Valk gewend).

Al zeven nichtjes … allemaal met gasten … (haar aandoening wordt haar te machtig; zij houdt haar zakdoek voor de oogen).

Juffr. Ekster (tegen Anna).

Nu zullen er heel wat bezoeken komen.

(liefkoost haar zeer aangedaan).

Lind (grijpt Valk’s handen).

O vriend, ik leef als in een zwijmelroes!

Valk.

Stil;… als verloofde ben je lid geworden

Van ’t geestelijke matigheidsgenootschap;

Je kent ’t gebod:… geen slemppartijen hier!

(keert zich tot Goudstad met een beetje boosaardige deelneming).

Nu mijnheer Goudstad?

[36]

Goudstad (vergenoegd).

Wel, ik zou durven denken

Dat voor hen beiden dit geluk belooft.

Valk (kijkt hem verwonderd aan).

U draagt uw leed met wel te prijzen rust.

’t Doet mij genoegen.

Goudstad.

Wat meent u toch, mijn waarde?

Valk.

’k Bedoel dat aangezien u zelf toch voedde

Een zoete hoop …

Goudstad.

Deed ik dat? Inderdaad?

Valk.

U was ten minste goed daartoe op weg;

U noemde juffrouw Halm; u stond toch hier

En vroeg mij …

Goudstad (glimlachend).

Ja, maar zijn er dan geen twee?

Valk.

Dus ’t is de andre, die u meent … haar zuster?

Goudstad.

Haar zuster, ja, de andre,… juist, die is ’t.

Leer eerst die zuster maar wat nader kennen,

En oordeel zelf of zij niet zou verdienen

Dat er wat meer werk van haar werd gemaakt

Dan hier in huis gewoonlijk wordt gedaan.

Valk (koel).

Zij heeft wel alle goede eigenschappen.

Goudstad.

Niet alle nog: den conversatietoon

Kan zij niet vatten; daar legt zij het af …

Valk.

Ja, dat is erg.

Goudstad.

Maar als mevrouw haar maar

Eén winter uitbrengt, wed ik dat voor niemand

Zij onderdoet.

Valk.

Ja, dat zal wel zoo zijn.

Goudstad.

Ja, dat is wonderlijk met jonge meisjes!

[37]

Valk (vroolijk).

Zij zijn als winterrogge op het land;

Zij kiemen ongemerkt in vorst en sneeuw.

Goudstad.

De balzaal is hun thuis van ’t kerstfeest af …

Valk.

Daar komt de mest er op … schandalen, praatjes …

Goudstad.

En als de warme lentelucht dan komt …

Valk.

Dan komen groene dametjes te voorschijn!

Lind (komt bij hen en grijpt Valk’s handen).

Wel was ’t verstandig dat ik deed dien stap …

Ik voel mij zoo gelukkig en zoo rustig!

Goudstad.

Ziedaar den bruidegom; vertel nu eens

Hoe men zoo doet als pas verloofde minnaar!

Lind (onaangenaam aangedaan).

Daarover spreekt men met een derde niet.

Goudstad (schertsend).

Slecht gehumeurd? Dat zal ik Anna klikken. (gaat naar de dames toe).

Lind (kijkt hem na).

Is dat een vraag, die man is onverdraaglijk!

Valk.

Je hebt je toch in hem vergist,…

Lind.

Och kom?

Valk.

Het was niet Anna die hij had op ’t oog.

Lind.

Wat! Was het Zwaanhild?

Valk.

Ja, dàt kan ’k niet zeggen. (luimig)

Vergeef mij, voor een ander leedt je pijn!

Lind.

Hoe meen je dat?

Valk.

Zeg, heb je de courant

Gelezen?

[38]

Lind.

Neen.

Valk.

Ik zal je ’t dagblad zenden;

Daar staat iets in, van iemand wien het lot

Zijn goede, gave oogtand trekken deed,

Omdat een neefje van hem leed aan tandpijn.

Juffr. Ekster (kijkt uit het raam).

O daar komt dominee!

Mevr. Halm.

Met hoeveel zijn ze?

Stuiver.

Vijf, zes … acht kinderen.

Valk.

Dat ’s buitensporig!

Juffr. Ekster.

Hè, zoo iets is toch bijna onfatsoenlijk!

(Intusschen heeft men een rijtuig hooren stilhouden links buiten. De dominee, zijn vrouw en acht kleine meisjes, allen in reistoilet, komen één voor één binnen).

Mevr. Halm (ijlt de nieuw aangekomenen te gemoet).

Welkom hier, hartelijk welkom hier!

Strooman.

Dank u.

Mevr. Strooman.

O, u heeft zeker gasten …

Mevr. Halm.

Och, wel neen!

Mevr. Strooman.

Want komen we ongelegen …

Mevr. Halm.

Neen … integendeel;

U komt juist goed van pas, want denk eens aan,

Mijn dochter Anna is daar net verloofd.

Strooman (schudt Anna de hand met zalving).

Laat mij getuigen;… liefde,… zielsgemeenschap …

Dat is een schat, die motten niet of roest

Verteren kunnen … zoo zij althans echt is.

Mevr. Halm.

Hoe aardig dat u al de kleintjes mee[39]

Gebracht heeft naar de stad.

Strooman.

Er zijn er nóg vier

Die buiten zijn gebleven.

Mevr. Halm.

Och kom, ja?

Strooman.

Drie daarvan zijn te klein om te beseffen

Wat ’t is een liefdrijk vaderhart te missen

Voor ’s rijks belang.

Juffr. Ekster (tegen mevr. Halm terwijl zij afscheid neemt).

Nu ga ik u verlaten.

Mevr. Halm.

Och, waarom gaat u al zoo gauw weer weg?

Juffr. Ekster.

Ik moet nog in de stad het nieuws vertellen;

Bij Jensen, weet ik, gaan ze laat naar bed;

De tantes zullen blij zijn, nu dat spreekt.

Mijn lieve Anna, wees niet meer verlegen …

Want morgen is het Zondag; met visites

Wordt je overstroomd, daar kan je vast op reeknen!

Mevr. Halm.

Nu, wèl thuis dan! (tegen de anderen).

En u wil zeker wel

Een kopje thee? Mevrouw wees dan zoo goed!

(Mevr. Halm, Strooman, zijn vrouw en kinderen met Goudstad, Lind en Anna gaan het huis in).

Juffr. Ekster (terwijl zij Stuivers arm neemt).

Nu gaan wij dwepen! Stuiver kijk eens hier,

Hoe Luna zwevend rust tusschen de wolken!

Maar neen, je kijkt niet eens!

Stuiver.

O ja, jawel!

Ik dacht alleen maar even aan ons debet.

(Zij gaan weg naar links. Valk die onder het voorgaande onafgewend Strooman en zijn vrouw beschouwd heeft, blijft alleen in den tuin achter. Het is nu heelemaal avond; in huis is het licht opgestoken).

Valk.

Het àl verbrand en dood;… troostlooze jammer![40]

Zoo gaan zij door het leven, twee aan twee,

Te zamen staan zij als de zwarte stammen,

Die ’n boschbrand naliet op de dorre hei;…

Zoo ver het oog maar reikt is ’t kale vlakte …

O brengt dan niemand ’s levens frissche groen!

(Zwaanhilde komt op de veranda met een bloeienden rozenstruik dien zij op de balustrade zet).

Die ééne … ja …!

Zwaanhilde.

Valk, sta jij daar in ’t donker?

Valk.

En ben niet bang? Neen, ’t donker is juist mooi.

Maar zeg eens, ben jij dan niet bang daarbinnen,

Waar ’t lamplicht op de vale lijken valt …

Zwaanhilde.

O foei!

Valk (kijkt naar Strooman, die zich aan het raam vertoont).

Wat was hij vroeger hoog van moed;

Vocht voor zijn liefde tegen heel de wereld,

Trok tegen zede en gebruik te veld.

Zijn liefde uitte hij in blijde zangen …!

Zie hem nu aan! In lange jas … zijn beste …

Het wandlend drama van zijn diepen val!

En dan die vrouw, met haar verlepte jurk,

Met scheefgeloopen schoenen, los en klapperend,

Zij is de fee, die hem tot schoonheidsleven

De groote wereld binnen leiden zou.

Wat bleef er van die vlam? Niet eens de rook meer!

Sic transit gloria Amoris, zie je!

Zwaanhilde.

Och ja, ’t is jammerlijk ellendig, alles.

Ik weet geen mensch wiens lot ’k zou willen deelen.

Valk (snel).

Welnu, wij twee staan op tegen een orde

Indruischend tegen de natuur, onwaar!

Zwaanhilde (schudt het hoofd).

Dan was voorzeker ’t mis met ons verbond,

Zoo stellig als wij staan hier op den grond.

Valk.

Neen, ’t wordt triomf waar streven twee vereend.

Wij willen langer niet van de gemeente[41]

Der platte alledaagschheid leden zijn!

Zelfstandig, waar en vrij zich te ontwikk’len

Moet toch het doel zijn van een ernstig mensch.

Dat heb jij ingezien zoo goed als ik.

Er klopt een zieleleven in je polsen

Dat warme woorden vindt voor krachtig denken.

Jij duldt het keurslijf niet der vormlijkheid

Gesnoerd om ’t hart, dat vrij en ruim wil kloppen;

Je stem is niet geschikt om mee te zingen

In het gewoonte-koor, naar zede-maat.

Zwaanhilde.

En denk je niet dat menigmaal de smart

Mijn oog versomberd heeft, mijn borst benauwd?

Ik had mijn eigen weg mij willen maken …

Valk.

Ja, in gedachte, stil?

Zwaanhilde.

Neen, met der daad.

Toen kwamen tantes met haar goeden raad,…

Zij moesten overleggen, wikken, wegen … (dichterbij).

Maar in gedachte, zeg je; neen ik waagde

Een stoute poging zelfs … ’k ging leeren schildren.

Valk.

En toen?

Zwaanhilde.

’t Liep mis, omdat ik geen talent had;

Maar toch mijn vrijheidsdrang liet zich niet binden;

En ’k zocht daarna de planken van ’t theater …

Valk.

Dat plan moest ook wel tegenkanting vinden?

Zwaanhilde.

Ja, ’t was voornamelijk mijn oudste tante;

Zij zag mij liever gaan als gouvernante …

Valk.

Maar van dat alles heb ik nooit gehoord!

Zwaanhilde.

Natuurlijk niet; daar pasten zij wel op. (met een glimlach).

Zij waren bang, ’t zou slecht zijn voor mijn toekomst,

Als jonge heeren het te weten kwamen.

Valk (kijkt haar een oogenblik deelnemend aan).

’k Vermoedde lang dat zoo je lot moest zijn …[42]

Ik zag terstond toen ’k je voor ’t eerst ontmoette,

Hoe weinig je op de anderen geleek,

En hoe geen een je eigenlijk begreep.

Rondom de tafel zaten ze allemaal,

Met kopjes thee,… en de gesprekken gonsden,

De dames bloosden en de heeren kirden

Als tamme duiven op een zomerdag.

En over godsdienst, zedelijkheid zelfs,

Werd er gepraat door meisjes en matronen,

En huislijkheid gevierd door jonge vrouwen,

Terwijl jij eenzaam zat, als heel alleen.

En toen ’t gebabbel eindlijk was gestegen

Tot roes, een thee- en prozabachanaal,…

Toen glansde als zilver jij, een edel muntstuk,

Als tusschen koper en papier verdwaald.

Jij waart een goudstuk uit een verre landstreek

Dat hier berekend werd naar andre koers,

En nauwlijks gangbaar in een licht gesprek,

Waar verzen, boter, kunst en dergelijken

Behandeld werden … juist sprak juffrouw Ekster …

Zwaanhilde (quasi ernstig).

Terwijl haar minnaar, als een ridder koen,

Zijn hoed in de armen als een schild, daar stond …

Valk.

Toen over tafel heen je moeder knikte:

“Toe, Zwaanhild, drink toch eens, je thee wordt koud.”

En zoet dronk je je thee, de slappe, weeë,

Zooals zij allen, jong en oud, daar deden.

Maar daadlijk trof en pakte mij die naam;

De wilde Völsungsage, gruwlijk, wreed,

Met heel haar lange rij verslagen ridders,

Scheen tot in onzen tijd mij toen te reiken;

’k Zag als een tweede Zwaanhild daar in jou,

Vernieuwd en in een andere gestalte.

De leugenvlag moest ’t recht tot oorlog dekken

Eertijds, nu eischt het volk zelf recht en rust;

Maar zondigt iemand tegen ónze zeden

Dan moet voor zijn geslacht hij schuldloos boeten.

Zwaanhilde (licht ironisch).

Ik dacht wel allerminst dat uit theewasem

Zulk bloedig fantazeeren kon ontstaan;[43]

Maar voor jou is het wel geringe kunst

Waar geest ontbreekt, toch geesten te zien rijzen.

Valk (geroerd).

Neen, lach niet, Zwaanhild; ’k hoor wel dat je spot

Met tranen in je stem,… o ’k zie het wel.

En meer nog zie ’k;… wordt jij vertrapt in ’t stof,

Gekneed als klei je eigen vrije wezen,

Dan zal er menig knoeier weldra komen

Met ’t modelleermes, plomp en dom en ruw.

Gods scheppingswerk zullen zij naäpen

Om naar hun eigen beeld je te herscheppen,

Veranderd, aangedikt, verkleind, onkenbaar.

En als men je dan zoo ten toon kan stellen

Dan juublen zij: “Kijk nu is zij normaal!

Kijk die plastieke rust, als marmer koel!

Bestraald door ’t licht van lampen en van kronen

Is zij als voor salon-décor geschapen!”

(grijpt hartstochtelijk haar hand).

Maar moet je sterven dan, leef dan eerst nog!

Wees eerst de mijne vrij in Gods natuur;

Nog vroeg genoeg kom je in vergulde kooi;

Daar tiert de dame, maar de vrouw moet kwijnen,

En die alleen heb ’k lief. Een ander mag

Je dan ééns binnen leiden in zijn huis;

Maar hier, hier is mijn lente opgebloeid,…

Mijn eerste lied ontsproot hier uit mijn ziel.

Hier kreeg ik vleugels;… hier, als jij mij bijstaat,

Dat weet ik, Zwaanhild,… hier, hier word ik dichter!

Zwaanhilde.

(zacht verwijtend terwijl zij haar hand terugtrekt).

O waarom zeg je mij dat alles nu?

Het was zoo mooi elkaar vrij te ontmoeten.

Is ’t dan zoo noodig het geluk te steunen

Met woorden van belofte, dat ’t niet breekt!

Je hebt gesproken en nu is ’t voorbij.

Valk.

Neen, ’k wees je op een doel, spring er nu over.

Mijn trotsche Zwaanhild,… als je ’t waagt te springen.

Wees dapper, als je moed hebt vrij te zijn!

Zwaanhilde.

Om vrij te zijn?

[44]

Valk.

Ja, dat is ware vrijheid

Te doen waartoe ons innigst zijn ons drijft;

En ’k weet dat jij door God bent aangewezen

Tot wering van mijn schoonheids-zondenval.

Ik moet, gelijk mijn naamgenoot de vogel,

Kop in den wind de lucht in, zal ik stijgen.

Jij bent de zefier waar ’k mij op laat wiegen,

Met jou eerst krijg ik draagkracht in mijn wieken.

O wees van mij, eer nog je krijgt de wereld,…

En valt het loof, dan scheiden onze wegen.

Zing mij je zieleschatten in mijn ziel,

En zang voor zang geef ’k rijkelijk je weer …

Dan kan je onder worden, rustig, stil,

Als blaren welken, zonder smart of klacht.

Zwaanhilde (met onderdrukte bitterheid).

’k Kan je niet danken voor je goeden wil,

Hoewel die duidlijk je gezindheid toont.

Want je beschouwt mij als een kind den wilg

Dien het tot ééndagsfluitje kalm versnijdt.

Valk.

Nu, dat ’s toch beter dan in ’t water staan

Totdat de herfst in grauwe mist hem hult. (heftig).

Je moet! Je zult! Ja meer, het is je plicht

Om mij te schenken, wat zoo rijk je ontving.

Wat jij daar droomt dat wordt in mij tot lied!

Ziedaar den vogel, dien ik doodde … dom …

Die was voor jou een bron van zanggenot …

O weiger ’t niet; zing ook voor mij als hij …

Mijn leven wordt voor jou tot één gedicht!

Zwaanhilde.

En als je mij dan kent en ik ben leeg,

Als ik mijn laatste liedje heb gezongen …

Wat dan?

Valk (bekijkt haar).

Wat dan? Denk dan aan wat hij deed. (wijst in den tuin).

Zwaanhilde (zachtjes).

O ja, ik weet ’t, je kunt met steenen gooien.

Valk (lacht spottend).

Ziedaar die vrijheidsziel waar je mee praalt,…[45]

Die ’t àl zou wagen, voor een zichtbaar doel! (met kracht).

Ik wees je ’t doel; geef nu een antwoord dat

Voor altijd mij voldoet.

Zwaanhilde.

Dat weet je al:

Op dien weg kan ik je nooit nader komen.

Valk (koud-afbrekend).

Nou dan is ’t uit; blijf dan maar in je wereld.

Zwaanhilde (heeft zich zwijgend van hem afgewend. Zij legt de handen op de balustrade en laat haar hoofd daarop rusten).

Valk (loopt eenige malen heen en weer, steekt een sigaar op, blijft dicht bij haar staan en zegt na een pauze):

Je vindt het zeker hoogst belachelijk

Wat ik van avond je al zoo heb verteld? (houdt op, op antwoord wachtend, Zwaanhilde zwijgt).

Ik ben te ver gegaan, dat zie ik wel;

Je voelt alleen als zuster of als dochter;…

’k Zal spreken met handschoenen aan voortaan

Dan zullen wij elkander ’t best verstaan … (wacht even; maar daar Zwaanhilde onbewegelijk blijft staan, keert hij om en gaat naar rechts).

Zwaanhilde (heft het hoofd op, na eenig stilzwijgen, kijkt hem strak aan en komt nader bij hem).

Nu wil ik nog een ernstig woord je zeggen

Tot dank omdat je mij hebt willen redden.

Je hebt een beeld gebruikt dat mij op eenmaal

Je “hemelstijging” juist begrijpen deed.

Ik zag je als een valk, die op moet stijgen

Kop in den wind; zal hij de hoogte in.

Ik was de zefier die je opwaarts droeg,…

En zonder mij was machteloos je streven …

Hoe jammerlijk! Hoe niet-te-zeggen klein!…

Belachlijk zelfs, zooals je zelf besefte.

Toch viel je beeld niet op een dorren grond;

Want voor mijn oog ontstond daaruit een ander,

Dat niet, als ’t eerste hinkt en kreupel gaat.

Ik zag je, niet als valk, maar als een vlieger,

Als dichtervlieger, van papier gemaakt,[46]

Welks eigen ik een bijzaak is en blijft,

Terwijl het opzettouw de hoofdzaak is.

Het breede voorvlak was beschreven, dicht,

Met toekomstwissels op poëtisch goud;

En iedre wiek een bundel epigrammen,

Die flapten in den wind, maar niemand raakten;

De lange staart was een modern gedicht

Dat fouten geeslen wou van onzen tijd,

Maar dat alleen kon zachtjes fluistren even

Van d’een of ander die zijn plicht verzaakt.

Zoo lag je machtloos voor mij, en je vroeg:

„Och zet mij op in ’t westen of in ’t oosten!

Och, drijf mij met mijn liedjes in de lucht,

Al moet het je ook moeders boosheid kosten!”

Valk (knijpt de handen samen in hevige gemoedsbeweging).

Bij God, dat ’s alles waar …!

Zwaanhilde.

Neen, dank je wel,

Ik ben te groot voor dat soort kinderspel;

Maar jij, geboren voor hoog geestlijk werk,…

Jij,… bent tevree met vliegen naar de wolken,

En bindt je dichterleven aan een draad,

Die ik, wanneer ik wil, kan laten glippen.

Valk (snel).

Hoeveelste is ’t vandaag?”

Zwaanhilde (zachter).

Kijk, dat is mooi;

Laat deze dag een datum voor je wezen;

Vertrouw voortaan op eigen vleugelslag,

En laat het dan maar buigen of wel barsten.

Papieren liedren hooren in de map,

De levende zijn eigendom van ’t leven;

En die alleen zijn gangbaar op de hoogten.

Zoo kies dan welke van de twee je wilt. (dichter bij hem).

Nu deed ik wat daar straks je van me vroeg:

Ik zong mijn laatste lied uit volle borst;

En ’t was mijn éénige; nu ben ik leeg;

Als je nu wilt, gooi mij dan met een steen!

(Zij gaat het huis binnen; Valk blijft onbewegelijk staan; en kijkt haar na; ver weg op het water ziet men een boot; daaruit klinkt van verre en gedempt het volgende🙂

[47]

Koor.

De zeilen geheschen, in glijdend gewiegel

Als arend gezweefd over wereldzeespiegel;

En achter ons blijven der stormvogels scharen.

Verstand is maar ballast … overboord dat terstond!

Misschien raakt er straks wel mijn bootje aan den grond,

Maar het is toch zoo heerlijk te varen!

Valk (verstrooid … ontwaakt uit zijn gedachten).

Gezang? O ja,… ’t is zeker Lind’s kwartet.

(tegen Goudstad, die naar buiten komt met een lichte overjas over den arm).

Zoo, mijnheer Goudstad,… sluipt u zoo stil weg?

Goudstad.

Ja. Laat mij even eerst mijn jas aantrekken;

Wij niet-poëten houden niet van tocht;

Wij krijgen ’t van de avondlucht te pakken.

Goênacht!

Valk.

Och, vóór u gaat een enkel woord!

Wijs mij iets om te doen, maar liefst iets groots…!

Dat ingrijpt …!

Goudstad (met spottenden nadruk).

… Wel, doe maar een greep in ’t leven

Dan zal u zien, grijpt u het leven wel.

Valk (ziet hem peinzend aan en zegt langzaam).

Daar is in ’t kort ’t programma dus gegeven. (levendig)

Nu ben ik wakker van mijn leeg gedroom,

Nu heb ik ’s levens dobbelsteen geworpen,

En u zal zien … de duivel haal mij …

Goudstad.

Hei!

Vloek niet; daarmee verjaagt u nog geen vlieg.

Valk.

Neen, woorden niet, maar daden, enkel daden!

Ik keer des Scheppers werkplan nu eens om;…

Zes lange dagen deed ik niets dan gapen;

Mijn wereldbouwwerk ligt nog ongebouwd;…

Maar morgen, Zondag—dan zal ik gaan scheppen!

[48]

Goudstad (lachend).

Ja, laat eens zien hoe flink u aanpakt dan;

Maar ga nu eerst wat slapen; goeden nacht!

(af naar links. Zwaanhilde wordt zichtbaar in de kamer boven de veranda; zij sluit het raam en laat het gordijn zakken).

Valk.

Neen, daden nu! Te lang heb ’k al geslapen. (kijkt op naar Zwaanhilde’s raam en barst als door groote aandoening bevangen uit).

Goênacht! Goênacht! Slaap zacht en droom van nacht;

En morgen, Zwaanhild, zijn wij twee verloofden. (gaat snel weg naar rechts; van het water klinkt het weer):

Koor.

Misschien raakt mijn bootje straks wel aan den grond,

Maar het is toch zoo heerlijk te varen!

(De boot glijdt langzaam verder, terwijl het scherm valt).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

[49]

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

Zondag namiddag. Mooi aangekleede dames en heeren drinken koffie op de veranda. Door de open glazen deuren ziet men verscheidene gasten binnen in de tuinkamer; daaruit klinkt het volgende:

Koor.

Welkom, verloofden, op dezen dag!

Openlijk moogt gij verliefd nu wezen,

Elkander omhelzen, slag op slag,

Kussen zooveel gij maar wilt … het mag!…

Geen luistervink hoeft gij te vreezen.

Nu kunt gij dwepen naar hartelust,

Overal samen, buiten en binnen.

Nu moogt ge uw liefde kweeken gerust,

Koestrend ze laten groeien in rust;

Toon nu eens hoe gij kunt minnen!

Juffr. Ekster (in de kamer).

Neen, dat je daar niets van gezegd hebt, Lind;

Wat had ik je geplaagd!

Een dame (ook daar).

Hè ja, ’t is vreeslijk!

Een andere dame (in de deur).

Schreef hij je, Anna?

Een tante.

Neen!

Juffr. Ekster.

De mijne schreef.

[50]

Een dame (op de veranda).

Anna, hoe lang is het wel stil geweest? (loopt de kamer in).

Juffr. Ekster.

Nu moet je morgen op een ring uitgaan.

Verscheidene dames (bedrijvig).

Wij zullen hem de maat nemen!

Juffr. Ekster.

Welneen,

Dat doet zij zelf.

Mevr. Strooman (op de veranda tegen een dame met een handwerkje).

Naait u met ’n achtersteek?

De huishoudster (in de deur met een blaadje).

Een kopje koffie nog?

Een dame.

Heel graag, een halfje.

Juffr. Ekster.

Hoe heerlijk dat je juist je nieuwen mantel

Zult hebben als je gaat visites doen.

Een oudere dame (in de kamer bij het raam).

En wanneer gaan aan ’t uitzet wij beginnen?

Mevr. Strooman.

Wat kost de postelein nu tegenwoordig?

Een heer (tegen eenige dames op de veranda).

Kijk eens naar mijnheer Lind, met Anna’s handschoen.

Eenige dames (met hooge stemmen).

Zoo waar, hij kuste hem!

Andere dames (evenzoo opspringend).

Wat! is het waar?

Lind (vertoont zich rood en verlegen in de deur).

Och, mallepraat! (verwijdert zich).

Juffr. Ekster.

Ja zeker, ’k zag het net!

Stuiver (in de deur, met een kop koffie in de eene hand en een beschuit in de andere).

Neen, men moet niet de feiten zoo verdraaien,

Ik attesteer dat men zich hier vergist.

[51]

Juffr. Ekster (binnen zonder dat men haar ziet).

Kom Anna, ga eens voor den spiegel staan!

Eenige dames (roepen).

Kom ook hier, Lind!

Juffr. Ekster.

Rug tegen rug! Wat dichterbij!

De dames op de veranda.

Laat ons eens zien hoeveel hij grooter is.

(Allen loopen de kamer in; lachen en luid gepraat hoort men een poos daarbinnen).

Valk (die gedurende het voorgaande in den tuin heeft rondgeloopen, komt nu naar voren, blijft staan en kijkt naar binnen, totdat het leven een beetje bedaard is).

Daar slachten zij der liefde poëzie …

De slager, die een koe slacht, zoo onhandig

Dat zij onnoodig pijn lijdt in het sterven,

Dien sluit men op, een dag of tien; maar hier …

Die heele reeks van beulen komt weer vrij. (balt de vuisten).

Ik zou ze kunnen … stil, geen holle woorden;

’k Wil hand’len van af heden, heb ’k gezworen.

Lind (komt gejaagd en voorzichtig uit de deur).

Godlof, nu hebben zij het over modes;

Nu kan ’k eens weg …

Valk.

Wel, krijg je ’t al te warm

Daarginder? Goede wenschen hebben wel

Als muggen je omzwermd den heelen dag hier.

Lind.

Zij meenen het zoo goed, och, allemaal;

Maar met wat minder kon ik ’t ook wel doen.

Hun interest is wel wat heel vermoeiend;

Een oogenblikje rust zal mij verkwikken. (wil naar rechts af).

Valk.

Waar ga je heen?

Lind.

In ’t tuinhuis had ’k gedacht.

Klop maar als je de deur gesloten vindt.

Valk.

Maar Anna, wil je die niet bij je hebben?

[52]

Lind.

Neen … is er iets dan zendt zij wel een boodschap.

Wij praatten gistren tot nà middernacht;

En hebben wel ’t gewichtigste besproken;

En dan ook, dunkt mij, is het wel het beste

Wat spaarzaam om te gaan met je geluk.

Valk.

Je hebt gelijk; je moet niet te veel nemen

Voor alledaagsch gebruik …

Lind.

Stil, laat mij gaan.

Nu ga ik eens een lekker pijpje rooken;

Dat heb ik in geen drie dagen gedaan.

Mijn bloed was zoo onstuimig in beweging;

Ik was zoo bang dat zij mij weigren zou …

Valk.

Ja, jij hebt wel een opfrisschingje noodig.

Lind.

En ’t pijpje zal mij smaken, dat is vast. (af naar rechts. Juffr. Ekster en eenige andere dames komen uit de tuinkamer).

Juffr. Ekster (tegen Valk).

Was hij dat die daar ging?

Valk.

Dat was het wild, ja.

Eenige dames.

Zoo weg te loopen!

Andere dames.

Hè, dat ’s schande, foei!

Valk.

Hij ’s nog wat schuw, maar wordt wel gauw heel tam,

Als hij een week lang draagt het uithangbord.

Juffr. Ekster.

Waar zit hij toch?

Valk.

Hij zit nu op den zolder

Van ’t tuinhuis, waar wij allebei logeeren. (smeekend).

Och, u moet hem eens even laten blazen;

Jaag hem niet daar van daan!

Juffr. Ekster.

Nu goed, maar lang mag

De rust niet duren.

[53]

Valk.

Geef hem een kwartier …

Dan kan u ’t spel van nieuw af weer beginnen.

Nu wil een preek hij schrijven in het Engelsch.

Juffr. Ekster.

In ’t Engelsch …?

De dames.

Och, u steekt de gek met ons!

Valk.

In vollen ernst. Want hij is vast besloten

Een mogelijk beroep bij de emigranten

Te volgen …

Juffr. Ekster (verschrikt).

Wat? Heeft hij die gekke grillen

Nog niet vergeten? (tegen de dames) Roep toch al de tantes!

Haal Anna en haar moeder, Strooman ook!

Eenige dames (in beroering).

Dat moet verhinderd worden!

Andere dames.

Wij doen mee!

Juffr. Ekster.

Daar zijn ze al, goddank! (tegen Anna die uit de tuinkamer komt met den dominee, zijn vrouw en kinderen, Stuiver, Goudstad, mevr. Halm en de overige gasten).

Weet je wat Lind

Vast heeft besloten, in zijn hart, geheim?

Als dominee …

Anna.

Naar ’t buitenland te gaan.

Mevr. Halm.

En jij hebt hem beloofd …!

Anna.

Om mee te gaan.

Juffr. Ekster (verontwaardigd).

Dus heeft hij je bepraat!

De dames (slaan de handen in elkaar).

Hè … hoe geslepen!

Valk.

Maar als nu drang daartoe hij voelt …

Juffr. Ekster.

Nou ja[54]

Dien volgt men als men vrij en niet verloofd is;

Maar een aanstaande volgt alleen zijn bruid …

Neen Anna-lief, bedenk je maar bijtijds nog;

Jij, die van kind af in een groote stad …?

Valk.

Voor een idee te lijden is toch mooi!

Juffr. Ekster.

Voor de idee van zijn aanstaande lijden?

Zoo iets is, dunkt mij, toch al heel curieus. (tegen de dames).

Komt allemaal nu! (zij neemt Anna bij den arm).

Wacht, nu moet je hooren;…

En dan zeg jij hem wat hij nu te doen heeft.

(zij gaan naar den achtergrond en rechts af, druk samen pratend, met verscheidene dames; de andere gasten verspreiden zich in verschillende groepjes door den tuin. Valk houdt Strooman staande, wiens vrouw en kinderen steeds in zijn nabijheid zijn. Goudstad loopt op en neer onder het volgende gesprek).

Valk.

Help u den jongen strijder, dominee,

Vóór Anna opgezet wordt tegen hem.

Strooman (plechtig).

Jawel, de vrouw moet onderdanig wezen … (bedenkelijk).

Maar als ik hem van middag goed verstaan heb,

Rust dat beroep maar op een lossen grond,

En ’t offer dat gebracht wordt is onzeker …

Valk.

O neen, ik zie dat u ’t verkeerd beschouwt,

Ik durf er voor instaan met mijzelf

Dat groot en eerlijk hij zijn roeping voelt …

Strooman (levendiger).

Ja,… kan hij reeknen op een vaste som,

Een jaargeld,… ja, dan is ’t een andre zaak.

Valk (ongeduldig).

U zet vóórop, wat voor mij ’t laatste komt;

Ik spreek van roepingdrang… niet van salaris!

Strooman (met een gevoelvol lachje).

Maar zonder dat kan niemand preeken in

Amerika, Europa of in Azië,…

Of waar dan ook. Ja, was hij nu nog vrij,

Mijn waarde jonge vriend,… als hij alleen was,

Nog jonggezel,… ja dan, dan ging het wel;[55]

Maar Lind, die pas verloofd is,… neen voor hém

Is zulk een werkkring toch wel niet verkieslijk.

Denk maar eens na; hij is een krachtig man,

En mettertijd krijgt hij wel een gezin;…

Ik onderstel bij hem veel goeden wil;…

Maar “middelen”, niet waar …? “Bouw niet op zand”

Zoo staat geschreven. ’t Ware wel wat anders,

Als ’t offer nu …

Valk.

Ja, dat zal niet gering zijn,

Dat weet ik wel.

Strooman.

Ja, kijk … dat is ’t voornaamste!

Als ’t offer dat vrijwillig men wil brengen,

Vrijgevig ook …

Valk.

Zijn goede wil is groot.

Strooman.

Zijn wil? Hoe moet ik dat begrijpen, zeg?

Men legt het toch voor hem op ’t altaar neer.

Niet hij moet ’t brengen

Mevr. Strooman (kijkt naar den achtergrond).

Daar zijn zij terug.

Valk (staart hem een oogenblik verbaasd aan, begrijpt dan plotseling en barst in lachen uit).

Ach zoo, dát offer … ja!… dat wat zij u

Op feestdag brengen… ritslend bankpapier!

Strooman.

Als men een jaar lang in ’t gareel moet tobben,

Wordt dat door Kerst en Pinksterfeest vergoed.

Valk (vroolijk).

En “roeping” voel je,… als ’t genoeg betaalt,…

Zelfs als je een domme, luie kaffer bent!

Strooman.

Natuurlijk; is men zeker van zijn geld

Dan mag men zelfs als Zoeloe-zendling gaan. (gedempt).

Nu hoop ik haar met zachtheid wel te winnen. (tegen een van de kleine meisjes).

Mijn lieve kind, och haal mijn kop eens even,

Mijn pijpekop bedoel ik, vat je wel … (voelt in zijn jaszak).

Neen, wacht een oogenblik;… ik heb hem bij mij.

[56]

(stopt voortgaande zijn pijp, gevolgd door vrouw en kinderen).

Goudstad (komt naderbij).

U speelt zoowat voor slang in ’t Paradijs

Der liefde hier … of ’k moet mij zeer vergissen?

Valk.

De boom der kennis draagt zoo wrange vruchten,

Die lokken niemand … (tegen Lind die van rechts komt).

Zoo, ben jij daar al?

Lind.

Maar goede hemel, wat ziet het er uit

Daar boven, zeg: de lamp ligt er in stukken,

’t Gordijn omlaag gerukt, je pen gebroken,

En heel de kachelplaat met inkt begoten …

Valk (klopt hem op den schouder).

Ik maakte daar een eind aan d’ ouden tijd;

Al veel te lang zat ’k achter de gordijnen

En dichtte op papier bij ’t licht der lamp;

Nu is het uit met kamerpoëzie;…

Ik wandel in God’s zonneschijn nu liever;…

Mijn lente kwam, met haar mijn zielsvernieuwing;

En voortaan dicht ik enkel nog in daden.

Lind.

Ja, dicht voor mijn part hoe je wilt, maar denk

Daarom niet dat mevrouw hier is gediend

Met het verlies … vooral van haar gordijnen.

Valk.

Wat! Zij die alles offert aan haar gasten,

Zelfs zusterskindren, dochters … zou dan zij

Een zuur gezicht voor zoo’n gering iets zetten!

Lind (boos).

Het is onhebbelijk zoo iets te doen,

En voor ons beiden zeer comprometteerend!

Doch maak dat met haar uit. Maar ’t lampje was

Mijn eigendom, met alles wat er bij hoort …

Valk.

Och kom,… daarover voel ik niets geen wroeging;

Je hebt Gods zomer met zijn helder licht,…

Waartoe dient dan een lamp?

Lind.

Jij bent een mooie,

Vergeet hoe kort de zomer nog maar is.

Wil ik met Kerstmis gaan voor mijn examen[57]

Dan moet ik waarlijk woekren met mijn tijd.

Valk (met groote oogen).

Denk je aan de toekomst?

Lind.

Ja, dat doe ik net;

Mij dunkt toch zoo’n examen is geen grap …

Valk.

En gistren avond! Toen je alleen maar leefde,

Van ’t heden dronken had je geen verlangen,…

Zelfs niet een middelmatig “haud” trok je aan;…

Je ving den mooien vogel van ’t geluk;

Je voelde je, alsof daar aan je voeten

Lag uitgespreid der heele wereld rijkdom …

Lind.

Dat zei ik, ja; maar zoo iets neemt men toch

Natuurlijk op cum grano salis …

Valk.

Zóó!

Lind.

Den vóórmiddag wil ’k aan ’t geluk besteden.

Dat heb ik vast besloten.

Valk.

Dat ’s gedurfd!

Lind.

Wel zijn er veel visites nog te doen,

Daarmee zal heel wat tijd verloren worden.

Maar nòg meer vrijen tijd er af te nemen,

Dat moet ik mij toch tot mijn spijt ontzeggen.

Valk.

En jij die weinig dagen nog geleden

De wijde wereld in wou met gezang.

Lind.

Ja, maar ik zag dat nam mij te veel tijd;

Die veertien dagen kan ik niet meer missen.

Valk.

Neen, om een andre reden bleef je thuis;

Je zei iets, dat beneden in het dal

Ook berglucht woei en dat er vogels kweelden.

Lind.

Ja zeker,… hier de lucht is zeer gezond;

Men kan daarvan genieten, ook al zit men

Geregeld te studeeren met zijn boek.

[58]

Valk.

Maar met het boek had je immers afgedaan,

Als Jakobsladder …

Lind.

Hè, wat ben je lastig;

Dat zegt men zoo, als men vrij en alleen is …

Valk (ziet hem aan en slaat de handen ineen in stomme verbazing).

Ook gij dus, Brutus!

Lind (een beetje verlegen en kregel).

Maar bedenk dan toch

Dat ik nu andre plichten heb dan jij;

Ik heb mijn meisje nu. Kijk eens naar de andre

Verloofden, menschen zelfs met lange ervaring,

Op wie je hoop ik toch niets af zult dingen,

Zij zeggen allen, zullen twee te zamen

Door ’t leven gaan, dan …

Valk.

Spaar mij je verklaring.

Wie gaf je die?

Lind.

Och … wel, bijvoorbeeld Stuiver,

En dat is toch een man die niet kan liegen.

En juffrouw Ekster, die ’s zoo op de hoogte,

Zij zegt …

Valk.

En dominee met echtgenoote?

Lind.

Ja, dat ’s iets vreemds toch zeg, met deze twee,

Die zijn verzonken in een zielerust …

Denk eens, zij weet niets meer van haar verloving,

Heeft glad vergeten wat ’t is lief te hebben.

Valk.

Ja, dat is ’t lot van al die zich verslapen,…

Dan vlucht herinring als een schuwe vogel, (legt de handen op zijn schouder en kijkt hem spottend aan).

Zeg, jongenlief, jij sliep vast goed van nacht?

Lind.

Ja, goed en lang; ik ging zoo moe naar bed,

En tegelijkertijd zoo vol emoties;

Ik was haast bang dat ’k gek geworden was.

[59]

Valk.

O ja, je leedt wel aan iets als behekst zijn …

Lind.

Maar toen Godlof ontwaakte ik normaal.

(Onder het voorgaande heeft Strooman zich af en toe vertoond wandelend op den achtergrond, druk pratend met Anna; mevr. Strooman en de kinderen achter hen aan. Juffr. Ekster vertoont zich nu ook; gelijk met haar mevr. Halm met eenige andere dames).

Juffr. Ekster (onzichtbaar).

Waar ’s Lind?

Lind (tegen Valk).

Daar heb je ze waarachtig weer!

Och toe, kom mee!

Juffr. Ekster.

Neen blijf; waar wil je heen?

Laat ons eens gauw de oneenigheid beslechten

Die tusschen jou en Anna is ontstaan.

Lind.

Zijn wij het òneens?

Juffr. Ekster (wijst naar Anna, die verder-weg in den tuin staat).

Lees je oordeel zelf maar

In haar betraande oogen. ’t Is om de plannen

Daarginder in Amerika.

Lind.

Maar, God,

Zij wilde zelf toch …

Juffr. Ekster (spottend).

Dáár ziet ’t wel naar uit!

Neen, vriend, je zult daar anders over denken

Als wij die zaak eens kalmer gaan bezien.

Lind.

Maar dan die strijd voor ’t geloof, die was toch juist

Mijn mooiste en liefste droom!

Juffr. Ekster.

Wie gelooft er nog

In onzen hoogbeschaafden tijd aan droomen …?

Kijk, Stuiver droomde nog verleden dat

Er kwam een brief met zulke vreemde hoeken …

Mevr. Strooman.

Zoo’n droom beteekent ’t krijgen van een schat.

[60]

Juffr. Ekster (met een knikje).

Belasting mocht hij in de schatkist storten.

(De dames maken een kring om Lind heen en gaan al pratend dieper den tuin met hem in).

Strooman.

(voortgaande tegen Anna, die hem graag ontvluchten wou).

Op deze gronden dus, mijn lieve kind,

Op deze gronden, die ’t verstand ons aangeeft,

De zedeleer, gedeeltlijk ook de Bijbel,

Ziet u wel in dat zulk een verdeeldheid

Van opvatting, geen reden van bestaan heeft.

Anna (half schreiend).

Och, ja … ik ben ook nog zoo onervaren …

Strooman.

En ’t is ook zoo natuurlijk als men angst heeft

Voor allerlei verwikling en gevaren;

Maar laat niet twijfel in zijn net u vangen,…

Wees dapper, spiegel u aan mij en Maren!

Mevr. Strooman.

Ja, ’k hoorde juist van daag nog van uw moeder

Dat ’k even zoo bedroefd was, als u nu,

Toen het beroep kwam …

Strooman.

Dat was óók omdat

Zij moest verlaten al de stadsgenoegens;

Maar toen wij ’t later wel wat ruimer kregen,

En ’t eerste tweelingpaar ons was geboren,

Toen ging het over.

Valk (zacht tegen Strooman).

Voortreffelijk! Bravó!

Ga voort zoo!

Strooman.

Doe daarom zooals gezegd!

De mensch moet niet bevreesd zijn. Valk,

Dat zoo’n beroep ook niet is onvoordeelig

Dat zei u toch?

Valk.

Neen, dat niet …

Strooman.

Zoo, och kom …! (tegen Anna).

Nu, iets brengt het u stellig toch wel op.

En is dat zoo, waartoe dan nog te vreezen?[61]

Zie eens terug naar lang vervlogen dagen!

Naar Adam, Eva, Noach met zijn dieren …

De lelies in de lucht … op ’t veld de vogels …

De vogeltjes … de vogeltjes … de visschen … (vervolgt met gedempte stem, terwijl hij zich met Anna verwijdert).

Valk (terwijl juffr. Ekster en de tantes met Lind aankomen).

Hoera! Daar komt alweer een nieuwe bende,

De heele oude garde in ’t geweer!

Juffr. Ekster.

Komaan, ’t is goed dat wij haar vinden hier. (gedempt tegen Valk).

Wij hebben hem!… nu gauw met hem naar haar. (gaat naar Anna toe).

Strooman (met afwerende beweging).

Zij heeft geen verdere overreding noodig;

Doet maar de Heil’ge Geest Zijn eigen werk

Dan is ’t volbracht …! (bescheiden). En heb ik iets gedaan,

Dan kreeg ik kracht …!

Mevr. Halm.

Nu, dan niet langer dralen …

Verzoening, hè?

De tantes (aangedaan).

Och Heer, wat is dat mooi!

Strooman.

Ja, is er wel een hart zoo hard, zoo kil,

Dat niet aangrijpend zoo’n tooneel zou vinden?

Het werkt zoo scherpend, het gemoed zoo prik’lend.

’t Is zoo opwekkend zulk een kind te zien,

Onmondig nog, een offer brengend, droef,

Doch willig, op het altaar van den plicht.

Mevr. Halm.

Maar haar familie deed er ook haar best voor.

Juffr. Ekster.

De tantes, ja, en ik,… of ik het weet!

Jij, Lind, bezit den sleutel van haar hart;

Maar wij, vriendinnen hebben nog een looper

Die opensluit, waar soms de sleutel faalt;… (drukt hem de hand).

En mocht het noodig zijn in later tijd,

Kom dan tot ons,… vriendinnen blijven wij.

Mevr. Halm.

Ja, wij zijn bij je, waar je gaat of staat …

[62]

Juffr. Ekster.

Beschermen je voor tweedrachts felle smarten.

Strooman.

O, dat vereend zijn! Liefdezorg en vriendschap!

Een oogenblik zoo blij, en zoo weemoedig toch! (wendt zich tot Lind).

Maar jonge vriend, laat nu de zaak dan uit zijn. (leidt Anna naar hem toe).

Neem haar … je bruid … je bruid … neem haar … en kus haar dan!

Lind (reikt Anna de hand).

Ik ga niet weg!

Anna (tegelijkertijd).

Ik ga wel mee!

Anna (verbaasd).

Ga jij nu niet?

Lind (evenzoo).

Wil jij wèl?

Anna (hulpeloos omkijkend naar de omstanders).

Maar, dan zijn we immers toch gescheiden weer!

Lind.

Ja, hoe zit dàt?

De dames.

Wat nu?

Juffr. Ekster (bedrijvig).

Neen, hier bestaat een

Misverstand … dat ’s zeker.

Strooman.

… Met hem te gaan

Heeft zij beloofd!

Juffr. Ekster.

En Lind bezwoer te blijven!

Valk (lachend).

En beiden voegden zich; wat wil men meer?

Strooman.

Neen, die verwarring wordt mij nu te machtig! (gaat naar den achtergrond).

De tantes (tegen elkaar).

Maar waar komt eigenlijk ’t geschil van daan?

Mevr. Halm (tegen Goudstad en Stuiver, die buiten in den tuin gewandeld hebben en nu nader komen).

[63]

Hier is oneenigheid aan alle kanten. (spreekt zacht met hen).

Mevr. Strooman (tegen juffr. Ekster als zij ziet dat de theetafel gedekt is).

Nu krijgen we haast thee.

Juffr. Ekster (kortaf).

Goddank.

Valk.

Hoera!

De vriendschap, thee, de liefde en de tantes!

Stuiver.

Maar nu de zaak dan zoo is afgeloopen

Nu kan die licht een vroolijk einde nemen.

’t Proces berust dus op een paragraaf

Waar ’t heet: den man te volgen is de vrouw

Verplicht. Dat ’s duidelijk voor iedereen.

Juffr. Ekster.

En wat beteekent de overeenkomst dan?

Strooman.

Zij mag aan hoogre wet zich niet onttrekken …

Stuiver.

Maar Lind kan toch wel aan die wet ontkomen. (tegen Lind).

Je stelt je reis maar uit, en blijft stil hier.

De tantes (blij).

Ja, dat kan best!

Mevr. Halm.

Welzeker!

Juffr. Ekster.

Dan is ’t uit.

(Zwaanhilde en de dienstmeisjes hebben intusschen de theetafel gedekt onder aan de verandatrap. Uitgenoodigd door mevr. Halm gaan al de dames om de tafel zitten. De rest van het gezelschap gaat gedeeltelijk op de veranda of in het priëel zitten, gedeeltelijk in den tuin. Valk zit op de veranda. Onder het volgende wordt er thee gedronken).

Mevr. Halm.

Zoo trok dit kleine onweer dan voorbij,

Als zomerregen, achterna weldadig;

Dan schijnt de zon nog mooier, en belooft ons

Een zomermiddag klaar en wolkeloos.

Juffr. Ekster.

Ja, ’t bloemetje der liefde heeft ze noodig

Die buitjes, groot en klein, die houden ’t frisch.

[64]

Valk.

Het sterft zoodra ’t gebracht wordt op het droge …

Daarin heeft ’t overeenkomst met een visch …

Zwaanhilde.

Neen, want de liefde kan van lucht toch leven …

Juffr. Ekster.

En daarin sterft de visch …

Valk.

Volkomen waar.

Juffr. Ekster.

Daar hebben wij u nu gevangen, hè?

Mevr. Strooman.

Dat ’s goede thee, dat kan men daadlijk ruiken.

Valk.

Nu, laten wij het houden bij de bloemen.

Liefde is een bloem; ontbreekt haar zoele regen,

Zoodat de lieflijke zou gaan verkwijnen … (houdt stil).

Juffr. Ekster.

Wat dan?

Valk (met een galante buiging).

Dan komen tantes met een gieter.—

Maar die gelijkenis, al is zij lang

Gebruikt, door dichters eindloos nagepraat,

Is toch nog niet heel duidlijk voor de meesten;

Want bloemen zijn er in zoovele soorten.

Zegt eens, welk bloempje zou de liefde wezen?

Noemt dat wat er het meeste op gelijkt.

Juffr. Ekster.

Dat is een roos; dat weet toch iedereen,…

Zij geeft aan ’t leven toch een rozengloed.

Een jonge dame.

Een anemoon is ’t, groeiend onder sneeuw,

Want als die uitkomt wordt het lente eerst.

Een tante.

Het is een paardebloem die tiert het best

Wordt zij vertrapt van mans- of paardevoet,

Ja, maakt nieuw schot als zij is platgetreden,

Dat heeft ons Pietersen zoo mooi beschreven.

Lind.

’t Sneeuwklokje is ’t; dat in je jonge ziel

Het Pinksterfeest van ’s levens jeugd inluidt.

[65]

Mevr. Halm.

Neen, ’t is de klimop, die al is ’t December

Nog even groen is als in ’t hart van Juni.

Goudstad.

Neen, het is IJslandsch mos, dat jonge dames

Geneest, die lijdend zijn aan zwakke longen.

Een heer.

’t Is een wilde kastanje,… te waardeeren

Als brandhout, maar de vrucht is ongenietbaar.

Zwaanhilde.

Neen, een camelia, die op soirées

De hoofdtooi uitmaakt van de dames daar.

Mevr. Strooman.

Neen, zij lijkt op een bloem, die was zoo lief;…

Wacht eens … was die niet grijs … neen violet;…

Hoe heet die nu …? Laat zien … zij leek veel op die …;

’k Ben zoo vergeetachtig, dat is zoo raar.

Stuiver.

Neen, al die bloemebeelden gaan toch mank,

Mij doet zij aan een bloempot eerder denken;

In ’t eerst is daar maar nauwlijks plaats voor één,

Maar later kan die heel wat spruiten bergen.

Strooman (te midden van zijn kindertal).

Neen, liefde is gelijk een pereboom;

In ’t vroege voorjaar wit van bloesemsneeuw;

Wat later zet de bloesem zich tot vruchten

En worden tot veel groote groene bessen;

Door d’ ouden stam gevoed met levenssappen

Worden het eens, zoo God wil, rijpe peren.

Valk.

Ja, zooveel hoofden, zegt men, zooveel zinnen!

Maar allen dwaalt u op verkeerde wegen.

Geen enkel beeld gaat òp; hoor nu naar ’t mijne;…

Dat kan u draaien, keeren, naar believen, (staat op in redenaarspositie).

In ’t verre Oosten groeit een kostbaar kruid;

De “Zoon des Hemels” plant het in zijn tuinen …

De dames.

Dat is de thee!

Valk.

Ja juist.

[66]

Mevr. Strooman.

Zijn stem klinkt net

Als die van Strooman, als …

Strooman.

Nu niet hem storen.

Valk.

Uit ’t land der fab’len stamt het, uit de dalen

Heel ver weg, achter dorre zandwoestijnen;…

Schenk mij eens in, Lind! Dank je. ’k Zal nu drinken

Op thee en liefde, en daarover toosten.

(de gasten schuiven nader bij elkaar).

Het stamt oorspronklijk uit het sprookjesland;

Och, daar hoort immers ook de liefde thuis!

Alleen de Zoon der Zon wist, naar men zegt,

De plant te bouwen, kweekend haar met zorg.

En met de liefde is het evenzoo;

Een druppel zonnebloed moet in ons zijn,

Zal liefde wortel schieten in ons binnenst

En groeien, bloeien, blad en bloesems dragen.

Juffr. Ekster.

Maar China is een oud, een heel oud land,

Dus moet de thee ook wel al lang bekend zijn …

Strooman.

Die was er al vóór Tyrus en Jeruzalem.

Valk.

Was al bekend, toen d’ oude heer Methusalem

Als kleine jongen prentjes zat te kijken …

Juffr. Ekster (triomfant).

En ’t wezen van de liefde is juist jeugd!

Uw beeld gaat daar niet op, dat voelt u zelf.

Valk.

Welneen, de liefde is juist verbazend oud;

Dat is een leer, die we allen onderschrijven.

In Kaapstad en in Rio en Kamschatka,

Van Napels tot aan ’t goede stadje Brevig,

Zal menigeen beweren, liefde is eeuwig;

Nu, dat is mogelijk wat overdreven,…

Maar oud is zij … dat valt niet te ontkennen.

Juffr. Ekster.

Maar liefde en liefde is toch altijd eender,

En thee bestaat in soorten, goede en slechte.

[67]

Mevr. Strooman.

Ja, thee is er in vele kwaliteiten.

Anna.

De groene voorjaarsspruitjes allereerst …

Zwaanhilde.

Voor zonnedochtren groeien die alleen.

Een jonge dame.

Men zegt dat die bedwelmend zijn als ether …

Een andere.

Als lotos geurend en zoet als amandelen.

Goudstad.

Die komt niet aan de markt om te verhandelen.

Valk (die intusschen van de veranda gekomen is).

Ach lieve dames, in zich zelf draagt elk

Een heimelijk klein hemelsch rijkje in zich.

Daar schieten duizenden van zulke spruitjes,

Omheind door schroom, als door Chineeschen muur.

Maar al de popjes van uw fantazieën,

Die in de schaduwen der kiosken zitten

En smachtend droomen … sluiers om de lenden,

En gouden tulpenbloemen in de handen …

Voor hen plukt u de eerste groene knoppen;

Wat later herfst daar vond, was u om ’t even.

Kijk, daarom krijgen wij met stof en steeltjes,…

Een napluk, die er staat als vlas tot zijde,…

Een oogst met moeite van den struik geschraapt …

Goudstad.

Dat is de zwarte thee.

Valk (knikkend).

Die vult de markt.

Een heer.

Dan spreekt nog Holberg van een thé de boeuf …

Juffr. Ekster (snibbig).

O, dat is zeker iets uit vroeger dagen.

Valk.

Liefde de boeuf bestaat er ook wel, ja;

Die maakt ons dwaas … alleen maar in romans.

Van haar pantoffelrijk vindt men soms sporen

Bewimpeld onder echtlijke gordijnen.

In ’t kort, gelijknis is er, waar u die

Het minst verwacht. Zoo zegt de oude spreuk[68]

Dat, komt de thee tot ons over de zee,

Dan lijdt zij, en verliest wat van den geur,

Het fijn aroma, dat haar eigen is.

Door de woestijn moest zij en over bergen,…

Moet aan Kozak en Rus den tol betalen;…

Die stemplen haar, dan mag zij verder gaan,

En geldt bij ons dan pas voor echte waar.

Maar gaat het met de liefde ook niet zoo

Door ’s levens woestenij? Wat waar ’t gevolg,

Wat ’s werelds oordeel, als eens u of ik,

Boud onze liefde vrij invoeren wilde!

“O, het moreele aroma ging verloren!

“De geur der wettigheid is glad er af!”

Strooman (staat op).

Jawel, Godlof, in zedelijke landen

Is zulke waar nog altijd contrabande.

Valk.

Ja, zal zij hier te lande vrij passeeren

Dan moet zij door der vormen koud Siberië,

Waar frissche zeelucht haar niet schaden kan;…

Moet zij den stempel toonen, zwart op wit,

Van organist en klokkenist en koster,

Familie, vrienden, kennissen, ja, wie niet,

En vele andre braven nog … behalve

Den vrijpas, dien God zelf haar heeft gegeven …

En dan het laatste punt van overeenkomst;

Ziet, hoe beschavingshand zoo loodzwaar drukt

Op ’t Zonneland, daarginds, in ’t verre Oosten;

Zijn muur vervalt, gebroken is zijn macht,

De laatste echte Mandarijn gehangen.

Profane handen plukken nu den oogst.

Weldra is ’t Zonneland nog maar een sage,

Een sprookje waaraan niemand meer gelooft;

De heele wereld wordt één nevelgrauw!…

Ten grave droegen wij het wonderland.

Maar is dat zoo,… waar blijft dan nu de liefde?

Ach, dan is immers zij ook mee verdwenen! (heft zijn theekop op).

Wel, dat verga dan, wat niet kan bestaan:…

Met deze thee drink ik op dooden Amor!

(drinkt; groote ontstemming en beweging in het gezelschap).

[69]

Juffr. Ekster.

Dat was wel een zeer zonderlinge toost!

De dames.

Alsof de liefde heusch zou zijn gestorven!

Strooman.

En zij zit hier gezond en jong en blozend,

In allerlei gestalten om ons heen.

Hier zit de weduwe in haar zwarte kleed …

Juffr. Ekster.

Twee trouwe echtgenooten …

Stuiver.

Wier verbond

Nog menig stevig liefdepand kan kweeken.

Goudstad.

Daarna komt liefde’s lichte ruiterij,

Verloofde paren in verscheiden soorten.

Strooman.

Vooraan de veteranen, trouw verbonden

Al vele jaren lang.

Juffr. Ekster (afbrekend).

En dan de kleintjes …

De jongste klasse … ’t paartje van vandaag …

Strooman.

Hier ziet u zomer, winter, herfst en lente;

Die waarheid heeft u hier dus maar te grijpen,

Te hooren en te zien …

Valk.

Nu ja, en dan?

Juffr. Ekster.

En toch zou u de deur haar willen wijzen!

Valk.

U heeft mij heelemaal verkeerd begrepen.

Wanneer heb ’k daarvan ooit ’t bestaan ontkend?

Maar u moet bij dat alles wel bedenken

Dat rook niet altijd is ’t bewijs van vuur.

Ik weet het opperbest, men neemt ten huwlijk,

Maakt zich gezinnen en dat alles meer;

U zal mij zeker nooit hooren ontkennen

Dat de één een ring krijgt, de ander een refuus,

Dat rose briefjes stil worden geschreven

En dicht gemaakt met duifjes … samen kijvend;

Dat er verliefden loopen door de straten[70]

En de visites chocolade krijgen,

Dat het gebruik een formulier uitvond,

Een eigen vormen-codex voor verliefden;…

Maar lieve Heer, wij hebben ook majoors,

Een arsenaal met heel wat materiaal;

Daar vindt men trommels, sporen en rapieren,…

Maar wat bewijst dat dan toch allemaal?

Alleen dat er soldaten zijn en wapens.

Maar wapendragers zijn toch nog geen helden.

Ja zelfs als er een leger stond van tenten,…

Zou daarmee heldenmoed zijn te bewijzen?

Strooman.

Wel, laat ons billijk zijn; eerlijk gezegd

’t Is niet altijd naar waarheid, als beweerd, wordt,

Dat jonge liefde ’t sterkst zou zijn, en zoo …

Ja, zoo alsof die juist de een’ge was.

Op die is niet ten allen tijd te bouwen.

Neen, eerst in ’t huwlijk, het intieme leven,

Rust liefde op een rotsgrond, vast en zeker,

Die nooit kan wijken, nooit ons kan ontglippen.

Juffr. Ekster.

Neen, die opvatting kan ’k niet met u deelen.

Ik meen dat een verbond van vrije menschen,

Dat jaren duurt, al kan men ’t daaglijks breken,

Het best beantwoordt aan der liefde echtheid.

Anna (met gloed).

O neen,… een nieuw verbond, nog frisch en jong,

Is toch in ’t wezen rijker, sterker nog.

Lind (peinzend).

Wie weet of daar niet de idee in schuilt,

Van de anemoon die groeit onder de sneeuw.

Valk (plotseling uitbarstend).

Gevallen Adam! Dáár kwam ’t heimwee op,

Dat ’t Paradijs zocht achter scheidingsmuur.

Lind.

Och wat!

Mevr. Halm (gekrenkt tegen Valk, terwijl zij opstaat).

Dat is nu juist niet heel vriendschappelijk,

Om twist te stoken waar wij vrede maakten;

Heb voor uw vriend en zijn geluk geen zorgen …

[71]

Eenige dames.

Neen, dat ’s secuur!

Anderen.

Dat weten wij heel zeker.

Mevr. Halm.

Wel heeft ze op school geen koken nog geleerd,

Maar dat zal ’k haar wel dezen herfst nog leeren.

Juffr. Ekster.

En zelf zal zij haar bruidsjapon borduren.

Een tante (klopt Anna op het hoofd).

En recht verstandig wordt zij stellig ook.

Valk (lacht luid).

Och dat verstand, paskwil, dat doodend werkt,

Waanzins hansworsterij uit vriendenmond!

Was ’t dan verstand dat hij bij haar wou vinden?

Was ’t een professor van het keukenboek?

Hij kwam hierheen als lente’s blijde bode,

En koos een wilde roos zich uit den hof.

U ging die kweeken; nu kwam hij terug …

Wat vond hij toen? Een bottelstruik!

Juffr. Ekster.

Welzoo?

Valk.

Heel nuttig in ’t gebruik,… welzeker, ja!

Maar ’n bottelstruik was niet zijn lentebruid!

Mevr. Halm.

Ja, als hij uitkeek naar een balprinses,

Dan was hij hier niet aan een goed adres.

Valk.

O ja, ik weet, er wordt gekoketteerd

Met huislijkheid, dat hoort er ook zoo bij;

Dat is een uitwas van de groote leugen,

Die hoog zich opwerkt als de wilde hoprank.

Ik neem, mevrouw, mijn hoed af heel eerbiedig,

Voor iedre “balprinses”; zij is de schoonheid,…

En in de balzaal spint er gouden draden

Het ideaal,… in kinderkamers zelden.

Mevr. Halm (met onderdrukte woede).

Uw uitval laat gereedlijk zich verklaren,

’n Geëngageerde is voor zijn vriend verloren;

Dat is de heele kern van de zaak.

’k Heb ondervinding, geloof mij, op dat punt.

[72]

Valk.

Natuurlijk wel;… zeven getrouwde nichtjes …

Mevr. Halm.

En goed getrouwd!

Valk (met nadruk).

Als dat maar waar is, ja!

Goudstad.

Wat nu!

Juffr. Ekster.

Maar Valk!

Lind.

Is het je doel om ruzie

Te zoeken?

Valk (uitbarstend).

Ja, oorlog, strijd en twist!

Stuiver.

Jij leek in ’t vak, wil jij ons gaan beleeren?

Valk.

Laat maar begaan … Toch wil ’k mijn vaandel heffen!

En oorlog wil ’k, en strijd met al mijn krachten

Tegen die leugen, zóó diep ingeworteld,

Die je allen kweekt en teederlijk verzorgt,

Dat hoog zij opschiet en op waarheid lijkt.

Stuiver.

Ik protesteer … ’t is alles onbewezen,

Ik wil verzet aanteek’nen …

Juffr. Ekster.

Hou je stil!

Valk.

Dat noem je dus der liefde frissche bronwel,

Die fluistert van der weduwe verlies,…

Van liefde, die in lichte zonnedagen

Aan “klagen” noch “verlangen” ooit deed denken!

Dat noem je dus der liefde fiere stroom,

Loom door der echtelieden ad’ren kruipend!

Van liefde, allen sleur met voeten tredend,

Die dapper op de buitenwallen stond,

En lachte om der werelds wijze dwazen!

Dat noem je dus der liefde schoonheidsvlam,

Die een verloving lange jaren aanhoudt!

Och kom! Is dat dezelfde, die ontstak

Het dichtvuur in den nuchtren ambtenaar?[73]

Dat noem je dus der liefde jong geluk,

Dat bang is zich te wagen over zee,

Dat offers eischt, en liefde’s schoonst kleinood

Zich zelf te offren… jammerlijk versmaadt!

O gij, der alledaagschheid waanprofeten,

Noemt ééns de dingen bij hun waren naam;

Noemt wat de weduw voelt een droef verlangen,

Gewoonte ’t huwelijk, want zoo heeten zij!

Strooman.

Neen, jongmensch, hoor eens, dat gaat àl te ver,

Bespotting klinkt ons toe uit ieder woord! (komt Valk dicht onder de oogen).

Nu waag ik nog mijn oude huid in strijd

Voor ’t oude g’loof tegen de nieuwe leer!

Valk.

Ik ga ten tweekamp op als tot een feest.

Strooman.

Goed! U zal mij de kogels zien trotseeren!… (dichterbij).

Een echtpaar—als een priester—is gewijd …

Stuiver (aan den anderen kant van Valk).

En een verloofd paar …

Valk.

Half, net als de koster.

Strooman.

Ziet u die kindren hier, die mij omringen?

Die kunnen al vooruit Victorie zingen!

Hoe ware ’t mogelijk.., hoe ware ’t doenlijk …

Neen, ’t waarheidswoord is machtig, onomstootlijk;…

Hij moet wel doof zijn, die dit niet verstaat.

Kijk,… dit zijn liefdekindren altegaar …! (houdt verward stil).

Dat is te zeggen … neen, natuurlijk niet …!

Juffr. Ekster (waait zich met haar zakdoek).

’k Moet zeggen dat ’k er niets meer van begrijp.

Valk.

U levert daar juist zelf een mooi bewijs;

Zoo waar, zoo goed, en zoo echt nationaal.

U zelf maakt onderscheid tusschen de panden

Van ’t huwlijk en der liefde … zooals ’t hoort!

’t Verschil bestaat als tusschen rauw en gaar,

Als tusschen wilde bloemen en gekweekte.[74]

Bij ons wordt liefde alras een wetenschap,

Al lang is die bij ons geen hartstocht meer.

Bij ons is liefde als een gild apart,

Met vaste wetten en een eigen vlag;

Zij is een stand van minnaars en gehuwden …

Zij doen hun dienst en kunnen dien wel aan;

’t Hangt alles aan elkaar als zeewier in een kliek.

Een zangvereeniging is al wat er ontbreekt.

Goudstad.

En een courant!

Valk.

Best! Die zal u ook hebben!

Dat was een goed idee; er zijn al bladen

Voor kindren, dames, g’loovigen en schutters.

Ik hoop dat niemand naar den prijs zal vragen.

Dáár krijgt u dan te zien, als paradeerend,

Hoe Jan en Piet en Klaas in ’t huwlijk treden;

Dáár wordt elk rose briefje ingelascht,

Dat Willem aan zijn teedre Laura schreef.

Daar komt dan onder andre ongelukken,…

Als moord, en brand door crinoline-rokken,…

Wie in den loop der week is “aangeteekend”;

Daar biedt men in de lijst der advertenties

Gebruikte ringen voor civiele prijzen;

Daar annonceert men tweelingen en drielingen;

Wordt er getrouwd, dan wordt de heele bende

Bijeengetrommeld om te komen kijken;…

Wordt iemand afgewezen, ’t wordt gedrukt

In ’t blad, zoo tusschen andre nieuwsberichten;

Iets in den trant van ’t volgende: “Alweer

Heeft ’t liefdeduiveltje geëischt een offer!”

Ja, u zal zien, ’t gaat best; want loopt het tegen

Den tijd dat ’k nieuwe abonnees moet werven,

Dan weet ik wel een lokaas dat hen trekken zal,

Dan slacht ik op groot-blads-manier een jonggezel.

Ja, u zal zien hoe ’k dapper strijd voor de eer van ’t gild;

Als ’n tijger,… als een redacteur grijp ik mijn prooi …”

Goudstad.

En hoe zal ’t heeten?

Valk.

“Amors Noorsche schuttersblad”!

[75]

Stuiver (komt naderbij).

Dit alles is je toch geen ernst … of wèl?

Je goeden naam zet je niet zoo op ’t spel!

Valk.

Volkomen ernst. Men beweert altijd

Dat niemand van de liefde leven kan;

Ik zal bewijzen dat ’t een leugen is,

Want ik zal er van leven als een prins;

Vooral als juffrouw Ekster mij wil toestaan

Als “feuilleton” te plaatsen den “roman”

Van onzen dominee, den heere Strooman.

Strooman (verschrikt).

God sta mij bij! Wat is dat voor een plan?

Wàt, mijn roman? Was ik dan ooit romantisch?

Juffr. Ekster.

Dat heb ik nooit gezegd!

Stuiver.

Blijkbaar een misverstand!

Strooman.

Zou ik gezondigd hebben tegen zede

En oud gebruik! Dat is een groote leugen!

Valk.

Nu goed. (klopt Stuiver op den schouder).

Hier staat een vriend die niet zal wijken.

Ik open ’t blad met zijn verliefde verzen.

Stuiver (met een verschrikten blik op den dominee).

Ben je niet wijs! Zeg, laat mij even ’t woord!…

Durf jij te zeggen dat ik verzen …!

Juffr. Ekster.

Neen!…

Valk.

Dat wordt toch rondgestrooid uit het bureau.

Stuiver (in groote woede).

Uit ons bureau wordt nooit iets rondgestrooid!

Valk.

Ook jij verzaakt mij dus; dan heb ik nog

Een trouwen broer, die niet afvallig wordt.

“Een lied der liefde” wacht ik van vriend Lind,

Dier liefde, al te teer voor zee en wind.…

Die emigranten prijs geeft voor zijn teederheid,

Zoo toont zijn liefde zich in al haar heerlijkheid!

[76]

Mevr. Halm.

Mijnheer, nu is ’t gedaan met mijn geduld.

Wij kunnen niet meer onder één dak wonen …

’k Hoop dat u heden nog mijn huis verlaat …

Valk (met een buiging terwijl mevr. en de gasten naar binnen gaan).

’k Had wel verwacht dat u mij dit zou zeggen.

Strooman.

En tusschen ons is ’t oorlog nu voor goed;

U heeft mij, en mijn vrouw ook, diep gekrenkt …

Ja zelfs mijn kindren, Trientje, Mientje, allen …!

Kraai maar mijnheer,… kraai uit maar je ideeën …

(gaat met vrouw en kinderen naar binnen).

Valk.

En volg u maar uw loopbaan als apostel,

U, met uw liefde, die u heeft verloochend,

Vóór ’t haangekraai ten derde maal weerklonk!

Juffr. Ekster (wordt onwel).

O Stuiver, help mij! Gauw, ik bid je kom!

Maak mijn corset los … ’k heb het zoo benauwd!

Stuiver (tegen Valk, terwijl hij met juffr. Ekster aan zijn arm weggaat).

’k Zeg je de vriendschap op!

Lind.

Dat doe ik ook.

Valk (ernstig).

Dus jij ook Lind?

Lind.

Vaarwel!

Valk.

Op jou vertrouwde ik …

Lind.

Ik kan er niets aan doen … mijn meisje wenscht het.

(Hij gaat naar binnen; Zwaanhilde is bij de verandatrap blijven staan).

Valk.

Ziezoo, nu heb ik ruimte om mij heen …

Nu heb ik opgeruimd!

Zwaanhilde.

Valk, luister eens!

Valk (wijst beleefd naar het huis).

Dáárheen, juffrouw; zij gingen dien kant uit,

Mama, met al de vrienden, al de tantes.

[77]

Zwaanhilde (komt naderbij).

Laat hen maar gaan; mijn weg is niet de hunne;

Met mij zal zich hun kudde niet vermeerdren.

Valk.

Je blijft dus?

Zwaanhilde.

Ja. Voer jij strijd tegen leugen,

Dan sta ik naast je als je trouwe schildknaap.

Valk.

Jij, Zwaanhild, jij…

Zwaanhilde.

… die gistren bang was, ja!

Maar was jij zelf dan, Valk, hij, die je nù bent?

Je boodt mij als geluk ’t lot van den wilg …

Valk.

En ’t wilgefluitje deed mij diep beschaamd staan!

Neen, het is waar, toen was ’t maar kinderspel;

Maar jij hebt mij gewekt tot ernstig streven.

In ’t woelend leven staat de groote tempel,

Waar klinken zal der waarheid reine stem.

Niet als de oude Asen, uit de hoogte

Toekijkend op het wilde strijdgewoel;…

Maar dragen ’t schoonheidsmerk in eigen borst,

Zooals sint Olaf op zijn pantser ’t kruis droeg,…

Met wijden blik bet slagveld overzien,

Al zit hij zelf in ’t warnet van den strijd …

Een zonnestraal te weten achter nevels,

Dat moet een man als levenstaak aanvaarden!

Zwaanhilde.

En dat zal ook jij doen wanneer je vrij

En eenzaam staat.

Valk.

Stond ik dàn in ’t gewoel?

Toch is dàt de eisch. O neen, dat is voorbij,

Dat leven, eenzaam dwepend, in mijzelf.

Uit is het met mijn dichten binnenskamers;

Mijn lied zal ’k leven, tusschen hei en dennen,

Mijn strijd zal ’k voeren in het trillend heden;…

Ik of de leugen … één van ons moet wijken!

Zwaanhilde.

Zoo trek dan met mijn zegen op ten strijd!

’k Heb je miskend; je hart is warm en dapper;[78]

Vergeef ’t,… en laat ons scheiden zonder boosheid …

Valk.

Neen, in mijn toekomstboot is plaats voor twee!

Wij scheiden niet. Zwaanhilde, heb je moed?

Dan strijden wij te zamen, zij aan zij!

Zwaanhilde.

Wij samen?

Valk.

’k Sta van allen nu verlaten,

Geen enklen vriend heb ’k, strijd met iedereen,

Met scherpe speren valt de haat mij aan;…

Zeg heb je moed? Met mij is ’t staan of vallen …

Mijn toekomstweg gaat dwars door zede en wet,

Waar duizend kluisters om den voet zich slingren;…

Dáár dek ik als alle anderen mijn tafel,

En schuif den ring aan ’t handje van mijn liefste!

(trekt een ring van zijn vinger en houdt dien in de hoogte).

Zwaanhilde (in ademlooze spanning).

Méén je dat?

Valk.

Ja. Zoo toonen wij de wereld,

Dat liefde’s macht nog altijd eeuwig is,

En ongeschonden en in al haar pracht

Haar draagt door ’s levens platte alledaagschheid.

’k Wees gistren naar den vuurgloed van ideeën,

Die uitsloeg wild, hoog op der bergen toppen;…

Toen werd je bang,… je beefde omdat je vrouw bent;

Nu wijs ik op het ware doel der vrouw!

En Zwaanhilds hart volbrengt wat het belooft;

Ziehier nu d’afgrond,… Zwaanhild, waag den sprong!

Zwaanhilde (bijna onhoorbaar).

En als wij vallen …!

Valk (jubelend).

Neen, ik zie in je oogen

Een lichtstraal die op overwinning wijst!

Zwaanhilde.

Neem mij geheel dan, liefste, zóó als ’k ben!

Nu wordt het lente, en mijn ziel gaat bloeien!

(zij valt hem moedig in de armen terwijl het scherm valt).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

[79]

[Inhoud]

DERDE BEDRIJF.

Avond met helderen maneschijn. Gekleurde lampions aan de boomen. Op den achtergrond gedekte tafels met wijnflesschen, glazen, gebak enz. Uit het huis, waar alle ramen verlicht zijn, klinkt gedempt pianospel en gezang gedurende het volgende tooneel. Zwaanhilde staat bij de veranda. Valk komt van rechts met eenige boeken en een schrijfportefeuille onder den arm. Achter hem komt de besteller met een koffer en een reistasch.

Valk.

Is dat nu alles?

De besteller.

Ja, nu geloof ik haast

Dat er niets meer is dan een taschje nog,

En ’n zomerjasje.

Valk.

Goed; dat neem ik mee

Als ’k wegga, op mijn arm. Kom nu eens hier;

Hier is de map.

De besteller.

Die is gesloten, zie ik.

Valk.

Ja, juist, die is gesloten.

De besteller.

Goed.

Valk.

Die moet je

Straks maar verbranden, hoor.

De besteller.

Verbranden?

Valk (glimlachend).

Ja …[80]

Met al de wissels op poëtisch goud.

De boeken,… nou, die kan je zelf wel houden.

De besteller.

O maar meneer … u is àl te goedgunstig!

Nu, als meneer zijn boeken weg gaat geven,

Dan is hij zeker klaar al met studeeren?

Valk.

Wat men uit boeken leert, heb ik geleerd …

En nog veel meer.

De besteller.

Nòg meer dus? Dat is kras.

Valk.

Kom gauw; de sjouwermannen wachten buiten …

Ga hen nu helpen alles op te laden. (besteller links af).

Valk.

(gaat naar Zwaanhilde toe die hem tegemoet komt).

Eén uur nog Zwaanhild, hebben wij voor ons,

Hier in den zomernacht, bij ’t licht der sterren.

Zie, hoe ze glinstren tusschen ’t bladgewelf,

Als van den wereldboom de gouden zaden.

Nu maakte ik los den laatsten slavenband,

Nu heeft de geesel mij voor ’t laatst geraakt.

Als Jakob’s volk sta ’k voor de reis gereed,

Vóór ’t Paaschlam, in mijn hand den pelgrimsstaf.

Gij stomp geslacht, dat achter de woestijn

Geen Kanaän, ’t beloofde land vermoedt,

Gij tijdslaaf zonder rust, bouw maar uw mummies

Hun koningsgraven in hun pyramiden;…

Ik zoek de vrijheid … dóór de woestenij,…

Mij brengt bij ebtij zelfs, de zee wel verder;

Maar ’s vijands bolwerk, opgebouwd uit leugen,

Zal dáár verzinken in haar diepste diep!

(korte pauze; hij ziet haar aan en vat haar hand).

Je bent zoo stil, mijn Zwaanhild!

Zwaanhilde.

En zoo blij!

O, laat mij droomen, stil maar droomen.

Spreek jij voor mij; gedachten bloeien òp

En worden tot gezang … als voor de maan

De blanke waterlelies zich ontsluiten.

Valk.

Neen, zeg het nog éénmaal met waarheids reine[81]

Nooit weifelende stem: “ik ben van jou!”

O, zeg het, Zwaanhild, toe!…

Zwaanhilde (valt hem om den hals).

Ja, ’k ben van jou!

Valk.

Van mij alleen! mij door God zelf geschonken!

Zwaanhilde.

Ik was verlaten in mijn moeders huis,

En ik was eenzaam in mijn eigen ziel;

Een ongenoode gast bij feest en vreugde,

Was ’k niets waard dáár … ja soms ook nog wel minder.

Maar toen kwam jij! Voor de allereerste maal

Vond ’k mijn gedachte in eens andren woord;

Wat vaag ik droomde, wist jij vorm te geven!

Jij jeugdig, krachtvol, tusschen al die ouden!

Half stootte mij soms af je scherp verstand,

Half wist je zonnig wezen me aan te trekken,

Zooals aantrekt de zee het groene strand,

En klippen ’t water weer terug doen wijken.

Nú zag ’k tot op den bodem van je ziel,

Nú heb je onverdeeld mij en geheel;

Jij, lieve loofboom, bloeiend aan de branding.

Mijn hart heeft enkel vloed, maar nooit meer ebbe!

Valk.

En dank zij God, dat Hij mijn liefde zelf

In smart en lijden doopte … dat was wijding.

’k Wist zelf niet wat mij drong, eer ’k duurgekocht

In jou den schat zag, dien ik ging verliezen!

Ja, dank zij Hem, die in mijn levensboek

Met droefheidsstempel adelde mijn hartstocht;

Die ons een vrijbrief gaf op onzen tocht,

En ons gebood, als uitverkoren paar,

Door ’t donkre woud naar ’t lichtend doel te jagen!

Zwaanhilde (wijst naar het huis).

Daarbinnen is nu feest in alle kamers,

Daar stralen lichten voor het jonge paar;

Daar klinkt der vrienden zang, met vroolijk lachen.

Wie langs den weg gaat moet wel denken dat

Dáár het geluk is … in dat feestgewoel. (medelijdend).

Jij, ’s werelds troetelkindje … arme zuster!

Valk.

Noem je haar arm?

[82]

Zwaanhilde.

Heeft zij dan niet gedeeld

Haar zielegoud met hem en honderd andren,

Haar kapitaal verspreid in zooveel handen,

Dat zij ’t geheel van niemand eischen kan?

Geen enkle is haar nu meer àlles schuldig

Voor niemand hoeft zij meer geheel te leven.

O, ik ben tienmaal rijker wel dan zij;

Ik heb van alle menschen er maar één.

Leeg was mijn hart, toen jij met zegevanen,

Met feestgejubel vroolijk binnen trok;

Nu heersch jij daar als heer van mijn gedachten;

Als lentegeuren vul jij heel mijn ziel.

Ja, ’k mag God danken, nu en alle dagen,

Dat ’k eenzaam leefde totdat ik jou vond,…

Dat ik als dood was … toen de klokken luidden

Die riepen mij uit ’t donker tot het licht.

Valk.

Ja, wij, verlaten hier in ’t donker wijlend,

Wij zijn de rijken,… wij die buiten staan …

Bezitters van den schat zijn wij, die uitzien

Al reizend, ’t land in, in den stillen nacht.

Laat lichten schijnen en laat tonen klinken,

Laat hen daarbinnen dansen en genieten;…

Zie opwaarts, Zwaanhild, in den blauwen nacht,

Daar schittren duizend kleine lichtjes ook …

Zwaanhilde.

Stil, luister, liefste … in den zoelen nacht

Gaat door het lindeloof een ruischen zacht …

Valk.

Het is voor ons dat al die lichtjes tintlen …

Zwaanhilde.

Het is voor ons dat ’t fluistert in de linden!

Valk.

Als Gods verloren zoon gevoel ik mij;

’k Verliet hem voor der wereld druk gewoel.

Toen wenkte hij mij thuis met zachte hand;

En nu ik kom steekt hij het lamplicht aan,

Bereidt een feest den weergevonden zoon

En schenkt zijn mooiste werk mij nog tot loon.

Van nu af, zweer ik, wil ik trouw hem blijven,…

Hem dienen, dapper strijden voor zijn licht.[83]

Vereenigd wordt ons leven tot een lofzang,

Tot liefdes hooglied, die het al verwint!

Zwaanhilde.

En zie hoe licht het is voor twee, te winnen,

Waar hij een man

Valk.

En zij een ware vrouw is;

Die samen kùnnen toch niet ondergaan!

Zwaanhilde.

Welaan, ten strijd dan met gebrek en zorgen;

(wijst Valk den ring dien zij aan haar vinger draagt).

Nu ga ik alles hun vertellen gauw!

Valk (snel).

Neen, Zwaanhild, nu nog niet; wacht nog tot morgen!

Van avond plukken we enkel roode rozen

Van zoet geluk … dagwerk waar’ heiligschennis.

(De deur van de tuinkamer wordt geopend).

Daar komt je moeder! Schuil weg! Als mijn bruid

Mag niemands oog van avond je bekijken!

(Zij gaan tusschen de boomen door naar het tuinhuis. Mevr. Halm en Goudstad komen naar buiten op de veranda).

Mevr. Halm.

Hij gaat heusch weg!

Goudstad.

Het ziet er wel naar uit.

Stuiver (komt er bij).

Hij gaat toch weg, mevrouw!

Mevr. Halm.

Och hemel, ja,

Ik weet het wel!

Stuiver.

Dat is een gek geval;

Hij houdt zijn woord; daarvoor ken ik hem wel.

Hij zet ons allemaal in zijn courant,

Mijn meisje’s naam gedrukt wel honderdmalen,

En vlak daarnaast bedankjes, tweelingparen.

Ja, weet u, als ’t niet was om onze eer

Dan zou ik haast een wapenstilstand voorslaan …

Mevr. Halm.

En zou u denken dat hij …?

Stuiver.

’k Denk het wel.[84]

Ik vond aanduidingen, ja zelfs een spoor,

Aanwijzend dat, toen hij zoo’n hoogen toon

Voerde daar straks, hij niet heel nuchter was,

Er is zelfs één bewijs, al is ’t niet wettig,

Dat sterk getuigt tegen den man in kwestie.

Ik heb gehoord en weet dat na ’t diner

Hij in de kamer, waar hij woont met Lind,

Zich erg heeft aangesteld, onrustig, woest.

Den boel stuk …

Goudstad.

(ziet een glimp van Valk en Zwaanhilde die scheiden, terwijl Valk naar den achtergrond gaat; Zwaanhilde blijft verborgen staan bij het tuinhuis).

Stil, wij zijn op ’t rechte spoor!

Een oogenblik, mevrouw! Valk gaat niet heen,

Of doet hij ’t wel, dan zal het zijn als vriend.

Stuiver.

Zoo? Dus u denkt ook …?

Mevr. Halm.

Och, waar wil u heen?

Goudstad.

Mevrouw, ik ben zoo aanstonds weer terug;

Ik maak de zaak voor allen wel weer goed,

Als ’k hem maar even spreken kan …

Mevr. Halm.

Ja, best!

(zij gaan samen den tuin in; onder het volgende ziet men hen op en neer loopen op den achtergrond, in druk gesprek).

Stuiver.

(komt van de veranda en ontdekt Valk, die over het water staat uit te kijken).

Wat is zoo’n dichter toch een man van haat;

Maar ik bureau-mensch ben een man van staat …

En politiek … ’k werk voor mezelf … (ziet den dominee die uit de tuinkamer komt).

Ha zoo!

Strooman.

Hij gaat toch weg! (komt bij Stuiver).

Mijn waarde,… och wees zoo goed

En ga, een oogenblikje maar, naar binnen,

En hoû mijn vrouw …

Stuiver.

Wie moet ik houden, zegt u?

[85]

Strooman.

Ik meen, gezelschap. Want mijn vrouw en ik

En ’t kleine goed zijn altijd bij elkander

En nooit eens … (mevr. en de kinderen vertoonen zich in de deur).

Ja … daar heb je ze allemaal weer!

Mevr. Strooman.

Waar ben je, Strooman?

Strooman (zachtjes tegen Stuiver).

Toe bedenk nu gauw iets,

Dat ze amuseert,… iets grappigs, een vertelling!

Stuiver (gaat de veranda op).

Zag u ’t verslag van ons departement?

Dat is een meesterstuk van mooien stijl … (haalt een boek uit zijn zak).

Ik zal u eens een staaltje daarvan geven … (noodigt haar beleefd uit de kamer in te gaan en gaat zelf mee. Valk komt naar voren in den tuin; hij en Strooman komen tegenover elkaar te staan en kijken elkaar een poosje zwijgend aan).

Strooman.

Wel?

Valk.

Wel?

Strooman.

M’neer Valk!

Valk.

Dominee!

Strooman.

Is u wat meer

Meegaande nu, dan toen wij scheidden?

Valk.

Neen,

Ik ga met vasten tred mijn eigen weg …

Strooman.

Ook als u van uw naaste ’t heil vertrapt?

Valk.

Ik plant der waarheid kruid daarvoor in plaats. (glimlachend).

U denkt misschien nog over de courant

Voor liefdezaken?

Strooman.

Nu, was dat dan scherts?

[86]

Valk.

Ja, wees getroost, dat werk gaat op in rook,

Met daden, niet met letters, breek ik ’t ijs.

Strooman.

En al spaart u mij nu, ik weet nog iemand

Van wien ik niet zoo licht meer vrij kom nu;

Hij, Stuiver, zal zijn overmacht gebruiken …

En dat is dan uw schuld, en dat is slecht.

U rakelde òp die oude dweperijen,

En dat hij niet zal zwijgen, durf ik zweren,

Als tegen de eischen van het brullend koor

Ik maar een enkel woord in ’t midden breng.

De ambtnaarswereld is een groote macht

In onze pers, juist thans, is mij gezegd.

Het prulligste berichtje kan mij neerslaan,

Zoo het gedrukt wordt in het groote blad,

Dat met Simson’s geweld en wraak te keer gaat,

Met voeten trappend, om zich heenslaand woest …

En dat nogal als juist ’t kwartaal weer om is!…

Valk (tegemoetkomend).

Maar ùw zaak bracht u immers nooit in opspraak …?

Strooman (angstig).

Om ’t even. ’t Groote blad heeft veel kolommen;

Let op: daar val ik op ’t altaar der wrake …

Valk (luimig).

Der straf, bedoelt u toch,… en welverdiend …

Daar gaat een Nemesis om door het leven,

Die zeker treft, al treft zij dikwijls laat,…

Die te ontloopen is geen mensch gegeven.

Heeft iemand zich aan de idee bezondigd,

Dan komt de pers, haar altijd waaksche wacht,

En doet den schuldige zijn misdaad boeten.

Strooman.

Maar lieve Heer, wanneer sloot ik contract

Met de “idee” waarover u ’t zoo druk heeft!

Ik ben toch huisvader en echtgenoot,…

Bedenk dat ’k twalef kinderen bezit:

Mijn dagwerk houdt mij dag aan dag gebonden,

’k Heb een gemeente en een groote hoeve,

Met kudden, vee, en geestelijke lamren,…

Kijk, dat moet alles goed beredderd worden,

Met scheren, dorschen, en het land bemesten;[87]

Dan word ik hièr, dan in den stal geroepen;…

Waar vind ik tijd om voor idees te leven?

Valk.

Ja, keer naar huis terug, hoe eer hoe beter

Berg u in ’t warme huis nog vóór den winter.

In ’t jonge Noorwegen begint ’t te dagen;

Het koene leger telt wel duizend strijders,

En d’ ochtendbries doet ’t wapperend dundoek zwellen.

Strooman.

En zoo ik, jongmensch, al naar huis zou gaan

Met al de mijnen, ja met alles wat

Tot gistren nog mijn koninkrijkje was,…

Is er van daag niet veel voor mij veranderd?

Denkt u dat ’k nog zoo rijk ben als toen ’k hier kwam …?

(als Valk wil antwoorden).

Neen, hoor nog even eerst wat ’k heb te zeggen. (komt dichterbij hem).

Er was een tijd dat ’k jong was, net als u,

En ook niet minder onbevreesd en dapper,

Toen kwam de strijd om ’t brood … de tijd verliep;

Zoo iets staalt niet den geest, maar wel de handen.

’k Trok noordwaarts; vond mijn thuis in het gebergte …

Voor mij lag heel de wereld in mijn kerspel.

Mijn thuis … mijnheer! Weet u wel wat een thuis is?

Valk (kortaf).

Dat heb ik nooit gekend.

Strooman.

Dat g’loof ik wel.

Een thuis is dáár, waar rijklijk plaats voor vijf is,

Ofschoon een vijand ’t acht te klein voor twee.

Een thuis is dáár, waar je gedachtenleven

Vrij spelen kan, als ’t kind op vaders schoot.

Waar niet je stem vergeefs klopt aan de harten,

Maar antwoord krijgt met welbekend geluid.

Een thuis is dáár, waar rustig ’t haar kan grijzen

En niemand merkt toch dat je ouder wordt,

Waar teere erinnering blauwend je omschemert,

Als heuveltoppen verweg achter ’t woud.

Valk (met gedwongen spot).

U raakt in gloed …

Strooman.

Bij iets dat u doet lachen![88]

Zoo ongelijk schiep ons de lieve Heer.

Bij mij ontbreekt, wat u rijk werd geschonken,

Maar ik won toch, waar u verloren heeft.

Van uit de wolken, lijkt wel eens een waarheid

Verdichtsel maar, op platgetreden grond;

U wil de hoogte op, ik hooger niet dan ’t dak,…

Een arend werd de een …

Valk.

De ander werd een kip.

Strooman.

Ja, lach u maar, voor mijn part zij het waar.

Ik ben een kloekhen;… goed; onder mijn vleugels

Heb ik een kiekenschaar, die heeft u niet!

En voor mijn broedsel heb ik hart en moed,

En ik verweer mij als men het te na komt.

O, ik begrijp ’t heel goed, u vindt mij dom,

Ja, mooglijk velt u wel een harder oordeel

En houdt u mij voor tuk op wereldsch goed;…

Daarover zij geen twist meer tusschen ons!

(grijpt Valk’s arm en gaat voort met gedempte stem maar met steeds meer kracht).

Ja ’k ben begeerig, dom en stomp geworden:

Maar gierig werd ’k voor hen die God mij gaf,

En ik werd dom in harden strijd met zorgen,

En ik verstompte in berglands eenzaamheid.

Doch telkens, als een idealen-boot

Ten onder ging in d’ eindelooze branding,

Verrees een andre zichtbaar aan de kim,

Die naar de kust nieuw levensloon mij voerde.

Voor iedren droom, die onder ging in zwoegen,

Voor iedre slagpen, die in ’t stijgen brak,

Kreeg ik als Godsgeschenk een levend wonder,

Dat ik van Hem ontving met lof en dank.

Ik streed voor hén, voor hén was ’t dat ik schraapte,

Voor hén verklaarde ik zelfs de Heil’ge Schrift;…

Het was mijn bloementuin, dat kindertroepje …

Nu heeft u met uw spot daarop getrapt!

Aesthetisch-litterarisch is bewezen

Door u, dat mijn geluk is domme waan,

Dat wat mij heil’ge ernst was, is belachlijk …

Nu eisch ik, geef mij mijne rust terug,

Maar laat die gaaf en zonder barsten zijn …

[89]

Valk.

Dat ik voor het geluk u borg blijv’, eischt u?

Strooman.

Ja, u wierp op mijn pad een zwaren steen,

Den twijfel, u alléén kan dien verwijdren.

Haal neer den muur, die mij scheidt van de mijnen,

Hef op den ban, die mij gevangen houdt.

Valk.

Denkt u dat ik een leugenlijm bezit,

’t Gebarsten vaatwerk van uw heil kan kitten?

Strooman.

Ik denk dat ’t g’loof, omvergehaald door u

Met woorden, ook door ’t woord is op te richten;…

En dat u klinken kan den lossen schakel;…

Denk nog eens na … spreek uit de waarheid dan,

En geef mij rust … dat ’k weer de vlag kan hijschen …

Valk (trotsch).

Ik stempel nooit wat koper is tot goud.

Strooman (ziet hem strak aan).

Bedenk dan hoe hier straks weerklonk een woord,

Van iemand, speurend op der waarheid spoor: (met opgeheven vinger).

Daar gaat een Nemesis òm door het leven;

Die te ontloopen is geen mensch gegeven! (hij gaat naar het huis).

Stuiver (komt naar buiten met zijn bril op en met het open boek in de hand).

O dominee, kom gauw, de kinders huilen

Om u …

De kinderen (in de deur).

Papa!

Stuiver.

Mevrouw zit ook te wachten!

(Strooman gaat het huis binnen).

Die dame is niet juridisch aangelegd.

(stopt boek en bril in zijn zak en nadert Valk).

Valk!

Valk.

Ja!

Stuiver.

Ik hoop dat jij je hebt bedacht

Valk.

En waarom?

[90]

Stuiver.

Wel, dat is toch licht begrijplijk;

Je ziet toch stellig in dat ’t niet kan aangaan

Gebruik te maken van confidentieele

Verhalen;… die mag men niet vertellen.

Valk.

Neen, ik heb gehoord dat kan gevaarlijk worden.

Stuiver.

Ja, bij mijn ziel!

Valk.

Maar dan voor groote heeren.

Stuiver (volijverig).

Voor alle soort bureaului is ’t gevaarlijk.

Je kunt begrijpen hoe dat moet vermindren

Al mijn vooruitzicht, als mijn chef eens wist

Dat er een pegasusje somtijds hinnikt

In d’ arbeidsuren van zúlk een bureau.

Je weet wel dat men liefst in alle zaken

Van het bureau, geen dichters heeft aan ’t werk,

Maar ’t ergst zou zijn, kwam het toevallig uit

Dat ’k overtreden had het hoogst gebod,

En dingen van gewicht had meegedeeld.

Valk.

Dus strafbaar is zoo’n onvoorzichtigheid?

Stuiver (geheimzinnig).

Die kan soms dwingen een publiek persoon

Om zijn ontslag onmidlijk aan te vragen.

Dat ’s een verordning voor ons ambtenaren,

Dat we overal, zelfs thuis, ’t geheim bewaren,

Valk.

Maar dat ’s toch tyranniek van een regeering

“Den … “klerk” die dorscht aldus den mond te snoeren.”

Stuiver (haalt de schouders op).

’t Is wettig; morren past daarover niet.

En buitendien, nu traktementsherziening

Eerstdaags wellicht ter sprake komen zal,

Is ’t niet verstandig om zich te verdiepen

In ambtnaarskwesties van zoo teeren aard.

En daarom, zie je, wees zoo goed te zwijgen;…

Want als ik eens verloor …

Valk.

De portefeuille?

[91]

Stuiver.

’t Wordt officieel bestempeld als “kopieboek”.

Het protocol is eigenlijk de doekspeld,

Die ’t boezemdoekje sluit van het bureau;

Daarachter snuffelen geeft niets dan last.

Valk.

En toch was jij het zelf, die mij verzocht hebt

Een wenk te geven dat je verzen schreef.

Stuiver.

Ja, kon ’k dan weten dat hij zoo zou zakken,

Die dominee, die nu toch voorspoed heeft,

En geld genoeg voor ’n leven zonder zorg?

Maar als dan hij al wegzonk in verwording,

Wat moet er van ons klerken dan wel worden?

Van mij,… ik die nog nooit bevorderd ben,

Een meisje heb en weldra zal gaan trouwen,

Natuurlijk gauw voor een gezin moet zorgen,

Etcetera! (heftiger). O, was ’k gefortuneerd,

Ik gorde mij het pantser om de leden,

Sloeg op de tafel dat de wereld dreunde.

En was ’k alléén, een jonggezel als jij,

Dan zou ’k, geloof mij, door de prozasneeuw

Wel baan ook breken voor de hooge idee!

Valk.

Maar red je dan!

Stuiver.

Wat?

Valk.

Ja, nog is het tijd!

Veracht der wereld domme uilenoordeel;

De vrijheid maakt zelfs rupsen tot kapellen!

Stuiver (een stap terug).

Bedoel je dat ik mijn verloving …?

Valk.

Ja;…

De paarl is weg; wat moet de leege schelp?

Stuiver.

Zoo’n voorstel moest je niet meer doen aan mij;

Ik ben geen jong student, maar ambtenaar!

Ik tel nu niet wat Christiaan de Vijfde

In zijn tijd over trouwbeloften voorschreef,…

Want die bepalingen zijn niet genoemd in[92]

De “Strafwetboeken” van ’t jaar twee-en-veertig;

In zoover waar’ de zaak niet crimineel,

Het zou geen inbreuk-maken op de wet zijn

Valk.

Nou kijk eens aan!

Stuiver (met vastheid).

Jawel, maar niettemin,…

Er kan geen sprake zijn van zoo’n exceptie.

Zij stelt geen hooge eischen aan het leven,

Ik evenmin, en ’k heb al lang gemerkt

Dat voor ’t bureau en ’n thuis ik ben gemaakt.

Laat andren trekken met de wilde zwanen,

Ook ’t stille, kleine leven kan wel mooi zijn!

Wat zegt ook ergens weer geheimraad Göthe

Van ’s hemels melkweg, schitterend en wit?

Dat toch geen mensch daar room van af kan scheppen,

En nog veel minder boter er van maakt …

Valk.

Nu, als dan ’t boter maken je geluk is,

Laat ’t daagsch gedoe dan wijden door den geest;…

Een man moet wezen burger van zijn tijd,

Maar aadlen ook zijn burgerlijken werkkring.

Ja zeker is in ’t kleine ook veel moois;

Maar ’t is de kunst ’t te zien en te verstaan.

Niet ieder die de klei wenscht te hanteeren

Is daarom nog de pottebakker-kunstnaar.

Stuiver.

Laat ons in vrede ieder gaan zijn pad:

Je weg versperren ligt niet in ons plan.

Wij gaan den grooten weg, jij zweeft in hoogten,

Ja, dáárin hebben wij ook eens gezweefd;

Maar arbeid eischt de dag en geen gezang,…

Dat leert men àf, zoo zoetjes aan in ’t leven.

Het jonglingsleven, kijk, is een proces

En ’t dwaaste wel van alle proceduren;…

Maak een accoord, en kom niet in verzet,

Want je verliest je zaak voor alle rechters.

Valk (moedig en hoopvol terwijl hij een blik slaat op het tuinhuis).

Neen, werd ’k door alle rechters dan veroordeeld,…

Toch weet ik, zou genâ voor recht mij gelden!…

Ik weet, twee kùnnen wel het leven leven.[93]

In vrij geloof, blij in het hoogste streven;

Maar jij verkondigt luid de droeve leer:

Het ideaal, dat ’s erg secondair!

Stuiver.

Neen zeg: “primair”,… want ’t heeft zijn plicht gedaan

Net als de bloem …, zoodra de vrucht zich zet.

(Binnen aan de piano speelt en zingt juffr. Ekster: “Ach, du lieber Augustin”. Stuiver blijft staan en luistert in stille ontroering).

Zij roept mij met hetzelfde oude lied,

Dat tot mij sprak, toen ik voor ’t eerst haar zag.

(legt zijn hand op Valks arm en kijkt hem in de oogen).

Zoo dikwijls zij dit lied weer òp doet leven,

Klinkt uit haar spel, vol smachtend, teeder beven,

Met nieuwe kracht haar eerste ja mij toe.

En als ten slotte onze liefde uitdooft

En sterft, om op te staan als teedre vriendschap,

Zal ’t oude lied verbinden ’t dan en toen.

En kromt mijn rug zich dan bij ’t altijd schrijven,

En wordt mijn dagtaak enkel strijd met zorgen,

Toch zal ik huiswaarts keeren welgemoed,

Waar wat voorbij is in muziek herleeft.

Vind ’k daar een rustig uurtje met ons beiden

Dan ben ’k met al het andere tevreden!

(Hij gaat het huis binnen. Valk gaat naar het tuinhuis. Zwaanhilde komt te voorschijn; zij is bleek en ontroerd. Zij kijken elkaar een poos zwijgend aan en vallen dan elkaar hartstochtelijk in de armen).

Valk.

O, Zwaanhild, laat ons samen blijven, hoog!

Jij frissche, vrije bloem op kerkhofzoden,…

Dàt noemen zij nu liefde’s lenteleven!

Een lijklucht waart om bruidegom en bruid;

Naar lijken riekt het, waar twee samen gaan

In ’t straatgewoel, een glimlach op de lippen,

Der leugen klamme kalkgraf in hun hart,

En d’onmacht van den dood in al hun streven.

Dàt noemen zij dan leven! Groote goden!

Is zulk een lot dan waard al die ellende?

Is ’t troepen kindren op te kweeken waard?

Te voeden hen met braafheid en met plicht?

En hen doen hopen op een korten zomer?[94]

Opdat de slachtbank toch maar wel voorzien blijv’!

Zwaanhilde.

Valk, laat ons weggaan!

Valk.

Weggaan? Waar naar toe?

Is overal de wereld niet dezelfde?

En vindt je niet aan ieders muur gehangen,

In waarheids glas-en-lijst, dezelfde leugen?

Neen, laat ons blijven, ’t mooie spel genietend,

Tragi-comedie, harlekijnsvertooning,…

Een volk dat g’looft… wat alle menschen liegen!

Zie Strooman en zijn vrouw, en Lind en Stuiver,

Vertoonend ware liefde’s maskerade,

Geloovig sprekend en in ’t hart de leugen,…

Toch, in den grond zijn ’t waarlijk brave menschen!

Zij liegen voor zichzelf en voor elkander;

Maar aan die leugen zelf mag niemand raken;…

En ieder vindt, al slingert soms zijn boot,

Zich rijk als Croesus, zalig als een God;

Zelf stuurden zij uit ’t Paradijs stroomàf,

En bons! zaten zij vast op ’t hellezand;

Maar niemand van hen merkt waar zij nu zitten,

En ieder denkt in ’t Paradijs te toeven,

En ieder glimlacht roerend ach en och;

En komt dan Belzebub met bokkepoot,

Gehoornd en brullend, spottend, schimpend, scheldend,…

Dan stooten zij elkander zachtjes aan:

Dat ’s Onze Lieve Heer; neem gauw je hoed af!

Zwaanhilde (na een oogenblik nadenkend zwijgen).

Hoe wondervol heeft mij een lieve hand

Den weg gewezen naar mijn lenteweelde,

Het leven dat ik droomend voor mij zag

Zal ik van heden af mijn dagtaak noemen.

O, goede God! hoe tastte ik in den blinde,…

Toen bracht Gij licht,… toen liet Gij hèm mij vinden!

(ziet Valk met stille teedere bewondering aan)

Wat is dan toch je kracht, jij sterke eik,

Die pal staat in den storm, die alles neervelt,

En eenzaam staat, doch mij beschutten wil?…

Valk.

De kracht der waarheid, Zwaanhild;… die maakt moedig.

[95]

Zwaanhilde (kijkt schuw naar het huis).

Zij kwamen als verzoekers, allebei,

Elk sprak uit naam van ééne helft der wereld.

Eén vroeg of jonge liefde groeien kon

Wanneer de ziel gebukt ging onder weelde?

De ander vroeg: en hoe kan liefde leven

Als niets dan armoede haar staat te wachten?

’t Is vreeselijk … om zulk een leer te preeken

Als waarheidswoord, en toch maar voort te leven!

Valk.

En als dat ons eens gold?

Zwaanhilde.

Ons gold?… Wat dan?

Wat kan iets uiterlijks daar dan toe doen?

Ik heb je ’t al gezegd: zoo je wilt strijden,

Dan zal ik met je staan of met je vallen.

O, niets zoo licht als ’t bijbelsche gebod

Om alles te verlaten, hèm te volgen,

Den liefste, en met hem te gaan tot God.

Valk (omarmt haar).

Laat dan de stormen razen, woest geweldig!

Wij staan in ’t onweer; niemand kan ons vellen!

(Mevr. Halm en Goudstad komen van rechts op den achtergrond. Valk en Zwaanhilde blijven in het tuinhuis staan).

Goudstad (gedempt).

Zie daar eens!

Mevr. Halm (verrast).

Samen!

Goudstad.

Twijfelt u nu nog?

Mevr. Halm.

Dat is toch …!

Goudstad.

O, ik heb het wel gemerkt

Dat hij zoo stil iets voerde in zijn schild.

Mevr. Halm (in zich zelf).

Dat Zwaanhild sluw was, wie had dat gedacht? (levendig tegen Goudstad).

Maar neen, dat g’loof ik niet …

Goudstad.

Ik zal ’t bewijzen.

[96]

Mevr. Halm.

Nu daadlijk hier …?

Goudstad.

Terstond en zonder twijfel.

Mevr. Halm (reikt hem de hand).

God zij met u!

Goudstad (ernstig).

Dank u; dat ’s wellicht noodig. (komt naar voren).

Mevr. Halm (kijkt om terwijl zij heengaat).

Hoe ’t dan ook loopen mag, ’t kind wordt gelukkig. (gaat het huis in).

Goudstad (nadert Valk).

U heeft wel niet veel tijd?

Valk.

Nog een kwartier,

Dan ga ik weg.

Goudstad.

O, dat is lang genoeg.

Zwaanhilde (wil zich verwijderen).

Vaarwel!

Goudstad.

Neen, blijf!

Zwaanhilde.

Ik?

Goudstad.

Tot u geantwoord heeft;

Want tusschen ons moet alles helder zijn;…

Wij drieën moeten ronduit samen spreken.

Valk (verrast).

Wij drieën?

Goudstad.

Ja,… laat open kaart ons spelen.

Valk (onderdrukt een glimlach).

’k Ben tot uw dienst.

Goudstad.

Dat ’s goed. Het is omtrent

Een half jaar nu dat ik u heb gekend;

Wij keven …

Valk.

Ja.

[97]

Goudstad.

En waren ’t meestal òneens;

Wij gaven elkaar vaak de volle laag;

U stond als hoofdman van een hooge zaak,

Ik was zoo maar een alledaagsche slover,

En toch was ’t als een band, die ons verbond

In duizend lang vergeten oude dingen

Van uit mijn eigen jeugd-gedachtenleven,

Die door uw woorden werden opgewekt.

Ja, ja. U kijkt mij aan; mijn grijzend haar

Was ook eens golvend, zwaar en bruin eertijds,

Mijn voorhoofd, dat door dagelijkschen arbeid

Niet glad meer is, droeg ook niet altijd rimpels.

Maar daarvan nu genoeg! ’k Ben zakenman …

Valk (met lichten spot).

U is ’t gezonde, practische verstand,

Goudstad.

En u is van de hoop de blijde zanger!

(treedt tusschen hen beiden).

Kijk, daarom, Valk en Zwaanhild, sta ik hier.

Wij moeten spreken, want nabij is ’t uur,

Valk (gespannen).

Spreek dan!

Goudstad (glimlachend).

Ik zei u gistren dat ik broedde

Op een gedicht …

Valk.

Reëel en praktisch.

Goudstad (knikt langzaam).

Ja!

Valk.

En als ’k u vroeg waaraan u stof ontleent …?

Goudstad.

(ziet Zwaanhilde even aan en keert zich weer tot Valk).

Ja … op dezelfde stof viel onze keuze.

Zwaanhilde.

Nu ga ’k maar weg.

Goudstad.

Neen, je moet alles hooren.

Geen andre vrouw verzocht ik ooit zoo iets;

Jou, Zwaanhild, heb ik grondig leeren kennen;

Voor preutschheid is je mooie ziel te hoog.[98]

Ik zag je als kind, ontluiken als een bloem,

En al wat ’k in een vrouw waardeer, bezat je;…

Maar lang beschouwde ik je enkel als een dochter;…

Nu vraag ik … of je worden wilt mijn bruid?

(Zwaanhilde wijkt schuw terug).

Valk (vat hem bij den arm).

Zeg nu niets meer!

Goudstad.

Blijf kalm; ik wacht háár antwoord.

Vraag u ’t haar ook,… dan heeft zij vrije keus.

Valk.

Ik …?

Goudstad (kijkt hem strak aan).

Ja. Het geldt nu voor ’t geluk drie levens

Te bewaren … het mijne niet alleen.

Speel geen comedie, dat geeft je toch niets;

Want ben ik maar een alledaagsche werker

Zoo kreeg ik toch een soort van helderziendheid.

Ja, Valk, je hebt haar lief. ’k Zag zonder nijd

Die jonge liefde groeien tot een bloem;

Maar juist die overmoedig sterke liefde,

Die is het die Zwaanhilds geluk kan knakken.

Valk (stuift op).

Dat durft u zeggen!

Goudstad (kalm).

Daartoe heb ik ’t recht.

Als jij haar nu eens kreeg …

Valk (uitdagend).

Wat dan?

Goudstad (langzaam en met nadruk).

Gesteld

Dat zij op dezen grond nu alles bouwde,

En alles waagde op deze ééne kaart,…

En ’s levens storm wegspoelde dezen grond,

En ’t bloempje kwijnde in het winterduister?

Valk (vergeet zich en roept uit).

Onmooglijk!…

Goudstad (kijkt hem beteekenisvol aan).

Ja; zoo dacht ik óók eertijds,

Toen ’k jong was, zooals jij. In vroeger dagen

Had ’k iemand lief;… gescheiden werden wij.

Ik zag haar gistren weer;… niets is meer over.

[99]

Valk.

Hier, gistren?

Goudstad (glimlacht ernstig).

Hier. De vrouw van Strooman zag je …

Valk.

Wat? Was het zij, die u …

Goudstad.

Die mij deed gloeien.

Om haar heb ’k vele jaren lang getreurd,

En al dien tijd stond zij in mijn herinring

Zooals zij was, het mooie, jonge meisje,

Toen ’k haar ontmoette voor het allereerst.

Nu gloei je beiden ook in blinden gloed,

Nu zet je ook je leven op het spel,…

Kijk, daarom roep ik je nu toe: voorzichtig!

Wacht even en denkt na; ’t spel is gevaarlijk!

Valk.

Neen, ’k heb daar straks het heele theegezelschap

Mijn vast geloof gezegd, dat kan niet wijken.

Goudstad (aanvullend).

Dat vrije, echte liefde kan trotseeren

Gewoonte, ouderdom en nood en zorgen.

Nu, ’t mag zoo zijn; ’t kan waar zijn; maar bekijk

De zaak nu ook eens van den andren kant.

Wat liefde is, weet niemand te verklaren;

Waarin dat blijde g’loof nu juist bestaat,

Dat twee tot zalig één-zijn zijn gemaakt …

Kijk, daarop antwoordt je geen mensch ter wereld.

Maar ’t huwelijk is uit zijn aard iets praktisch,

En evenzoo ’t engagement, mijn vriend;

En ’t laat zich feitelijk heel goed bewijzen

Dat iemand is geschikt voor die en die.

Maar liefde doet haar keus juist in den blinde,

Die kiest zich niet een huisvrouw, maar een meisje;

En als nu eens dat meisje niet geschikt is

Tot vrouw voor je …?

Valk (gespannen).

Wat dan?

Goudstad (haalt de schouders op).

Dan is ’t verloren.

Een goed engagement hangt niet van liefde

Alleen maar af; daar komt nog heel wat bij,[100]

Familieleden, die men lief heeft ook,

En die men gaarne ook tevreden zien wil.

En ’t huwlijk dan? Ja, dat is als een zee

Van vordringen en eischen, die helaas,

Met liefde weinig meer te maken hebben.

Hier eischt men huislijkheid en stille deugden,

Hier eischt men keukenkennis en nog meer,

Bescheidenheid, een juist gevoel van plicht,…

En veel nog, dat in ’t bijzijn van de dame

Tot nadere bespreking ’k niet geschikt acht.

Valk.

En daarom?…

Goudstad.

Als ’k een raad je geven mag,

Doe wat ervaring op; kijk rond in ’t leven,

Waar elk jong paartje heeft den mond zoo vol

Alsof het millioenen had gekregen.

Dan wordt er haastig maar op los getrouwd;

Een nest gebouwd … nu kan ’t geluk niet òp;

Zoo gaat ’t een tijdlang voort als in een roes;

Maar dan komt de vervaldag;… hemel ja!

Dan blijkt het heele huis een groot failliet!

Failliet de rozen wangen van de vrouw,

Failliet de bloesems van haar meisjesdroomen,

Failliet de blijde overmoed van hèm,

Failliet is alle gloed van vroeger dagen;

Failliet, failliet het heele mooie nestje;

Toch gingen deze twee het leven in

Als liefdeshandelshuis der eerste klasse!

Valk (hartstochtelijk).

Dat is een leugen!

Goudstad (onverstoorbaar).

Nog maar kort geleden

Was het toch waarheid, ’t Was je eigen woord,

Toen je hier stond, en ’t heele theegezelschap

Versloeg. Toen klonk het ook: dat is gelogen!

Van allen daar; nu, kwalijk neem ik ’t niet;

Wij vinden ’t allen minder aangenaam

Van dood te hooren spreken als wij ziek zijn.

Zie Strooman, hij, die componeerde, dichtte,

In zijn verliefden tijd, met geest en smaak;…

Wien kan ’t verbazen dat de man zoo zakte[101]

Toen zij in ’t huwlijk traden met zoo’n haast?

Geschapen was zij voor hem als geliefde,…

Maar ongeschikt was ze om zijn vrouw te zijn.

En dan de klerk, die goede verzen schreef?

Nauw was hij, bij de gratie, geëngageerd,

Of uit was ’t met de heele rijmlarij;

En sedert ligt ’s mans Muze plat ter neer

Door de juristerij in slaap gewiegd.

Zoo zie je duidlijk … (ziet Zwaanhilde aan).

Heb je ’t koud?

Zwaanhilde (zachtjes).

O neen.

Valk (dwingt zich tot een spottenden toon).

En als ’t dan altijd eindigt met een “min”

Nooit met een “plus”,… waarom wil u dan steken

Het kapitaal dat u beheert, in zulk

Een twijfelachtig zeekre loterij?

Het lijkt haast of u ’t er voor houdt dat u

Speciaal voor een bankroet geschapen is?

Goudstad.

(kijkt hem aan, glimlachend en schudt het hoofd).

Mijn overmoed’ge Valk,… bedwing je spot,…

Op twee manieren kan men ’t nestje bouwen;

’t Kan op krediet van mooie illusies steunen,

Met wissels op een eindloos toekomstheil,

En op een eeuwigheid van jeugd en leven,

En op onmooglijkheid van jicht en snuif …

Het kan ook steunen op twee rozenwangen,

Op heldre oogen en op mooi lang haar,

Op ’t vaste g’loof dat alles zoo zal blijven

En ’t pruikenuurtje voor ons nooit zal slaan.

En ’t kan ook steunen op gedweep en droomen,

Op bloemenweelde in dorre woestenij,

Op harten die heel ’t leven blijven kloppen

Als toen zij beiden spraken ’t eerste ja.

Hoe noemt men zaken doen als die?… Je weet het;…

Dat noemt men humbug … humbug, lieve vrienden!

Valk.

Ik zie, u is gevaarlijk … een verzoeker,…

U man van goud … misschien wel millionnair;

Terwijl wat ik bezit in deze wereld,[102]

Straks door twee sjouwers weggedragen is.

Goudstad (scherp).

Wat meent u daarmee?

Valk.

Dat ligt voor de hand;

Want een soliede grondslag, kan ’k zoo denken,

Beteekent geld,… het toovermiddel geld,

Dat ’t hoofd van meen’ge weduwe op leeftijd

Met tooi van gouden glorieglans omstraalt.

Goudstad.

O neen, die grondslag is toch nog wat beters.

Dat is een stille, warme hartestroom

Van achting, vriendschap, die een hart tot eer

Strekt, evengoed als hartstochts jubelroes.

’t Is een gevoel van graag volbrachte plichten,

Van teedre zorg, en van een vredig thuis,

Van zelfverloochning voor elkanders heil,

Van waken dat geen enkle steen zal kwetsen

Der uitverkoorne voet, waar zij ook gaat.

Het is een zachte hand die heelt de wonden,

’t Is mannekracht, die stil gewillig draagt

Het evenwicht, niet door den tijd verstoorbaar,

’t Is de arm, een trouwe steun, die opheft zacht …

Dat is wat ik je bieden kan, Zwaanhilde,

Voor je geluksgebouw; antwoord mij nu.

(Zwaanhilde doet hevige moeite om te spreken. Goudstad heft de hand afwerend op).

Bedenk je wel, opdat ’t je niet berouwe!

Kies tusschen ons nu, vrij en welbewust.

Valk.

En hoe weet u dan dat …

Goudstad.

Dat je haar lief hebt?

Dat heb ’k gelezen in je oogen diep.

Kom, zeg het haar nu ook, dat zij beslisse! (drukt hem de hand).

Nu ga ’k naar binnen. Laat het spel nu uit zijn.

En durf je mij beloven op je woord

Te zijn voor haar ook zulk een vriend voor ’t leven,

Als ik het wezen kan,… (tot Zwaanhilde gewend).

Nu goed, dan haal je

Een dikke streep door dat wat ik je bood.

Dan overwin ik toch, in alle stilte;[103]

Als jij ’t geluk maar vindt; dàt is wat ’k wilde, (tegen Valk).

En, ’t is waar ook,… je sprak daar straks van geld;

Geloof mij, dat ’s toch meer dan klatergoud.

Ik sta alleen, heb niemand in de wereld;

Al wat het mijne is zal ’t jouwe wezen;

Ik neem als zoon je aan en haar als dochter.

Je weet, dicht bij de grens heb ik een landgoed;

Daar ga ik heen. Jij richt je elders in,

En is het jaar om, zien wij elkaar weder …

Nu ken je mij; pleeg met je zelf nu raad,

Vergeet niet dat de reis stroomafwaarts gaat,

En dat geen spel is … geen genieten, zwelgen;…

En nu, in ’s hemels naam,… nu moet je kiezen!

(Hij gaat het huis in. Pauze. Valk en Zwaanhilde kijken elkander schuw aan).

Valk.

Je bent zoo bleek.

Zwaanhilde.

En jij zoo stil.

Valk.

Ach ja.

Zwaanhilde.

Hij maakte ’t erg.

Valk (in zichzelf).

Mijn kracht ontnam hij mij.

Zwaanhilde.

Wat sloeg hij hard!

Valk.

Hij wist goed raak te treffen.

Zwaanhilde.

Het was of alles òm ons ging verzinken, (dichter bij hem).

Wat waren wij toch rijk, rijk in elkander,

Toen heel de wereld ons verlaten had,

Toen we in ons denken stegen, als de golven

Der branding op het strand, in stillen nacht.

Toen was er moed en kracht in onze zielen,

En zagen we ons voor eeuwig al vereend;…

Hij kwam met wereldsch goed, nam ons ’t geloof,

En zaaide twijfel,… toen moest alles vallen!

Valk (woest energisch).

Ruk ’t alles uit je ziel! Wat hij gezegd heeft

Is alles waar voor andren, niet voor ons!

[104]

Zwaanhilde (schudt stil het hoofd).

Het graan eenmaal door hagel neergeslagen,

Kan nooit meer golven in den zomerwind.

Valk (angstig hartstochtelijk).

Ja, wij wel, Zwaanhild …!

Zwaanhilde.

Laat ook die hoop varen;

Wanneer je leugens zaait, dan oogst je tranen.

Voor andren, zei je? En denk je dan niet

Dat iedereen eens dacht als jij en ik,

Dat hij de held was die den bliksem tartte,

Dat hem geen storm ter neer zon kunnen slaan,

En hem geen neev’len ver weg aan de kimmen,

Ooit worden zouden tot een onweerswolk.

Valk.

De andren vroegen van het leven veel;

Ik wil alléén je liefde, enkel die maar.

Die andren schreeuwen ieder om het hardst …

Ik zal je steunen stil op sterke armen.

Zwaanhilde.

Maar als dan toch die liefde eens bezweek,

Die liefde, waar dan alles op moet rusten,…

Bezit jij dan, wat tòch ’t geluk verzekert?

Valk.

Neen, met mijn liefde valt ook alles weg.

Zwaanhilde.

En durf je mij voor God heilig beloven,

Dat die nooit als verwelkte bloem zal hangen,

Maar geuren als van daag, en blijven bloeien

Je heele leven?

Valk (na een oogenblik).

Dat zou heel lang duren.

Zwaanhilde (smartelijk).

O “lang”, “heel lang”;… o droef armzalig woord!

Wat wil dat zeggen, “lang”, waar ’t liefde geldt?

Dat is haar vonnis, honigdauw op ’t graan.

“Oneindig is de liefde in haar duur”…

Dàt lied is onzin dus, in plaats daarvan

Moet ’t heeten: “Eertijds had ik je eens lief”!

(als door een machtige ingeving opgeheven).

Neen; zóó zal onze dag niet ondergaan,

Niet kwijnend achter avondwolken sterven;…[105]

Neen, ònze zon zal in haar vollen glans

Uitdooven op den middag, als een wonder!

Valk (verschrikt).

Wat wil je, Zwaanhild?

Zwaanhilde.

Wij zijn lentekindren;

En na die lente kome er nooit een herfst,

Dat nooit de zanger zwijge in je ziel,

Niet hunkrend smacht, naar waar hij werd geboren.

Na die zal niet de lijkwâ van den winter

Eens onze doode droomen dekken, kil:…

En onze mooie, levensblije liefde

Zal niet verkwijnen, niet allengs verzwakken,

Zal sterven als zij leefde, jong en sterk!

Valk (in diepe smart).

En ver van jou … wat is mijn leven dàn?

Zwaanhilde.

Wat zou het zonder liefde bij mij zijn?

Valk.

Een thuis!

Zwaanhilde.

Waar het geluk den doodsstrijd streed. (krachtig).

Jouw vrouw te zijn, dat was mij niet gegeven,

Dat zie ik wel, dat voel en weet ik nu!

De liefde als spel zou ’k wel in vreugde wagen,

Door ’s levens ernst durf ik je ziel niet dragen.

(dichterbij en met stijgenden gloed).

Nu hebben wij gejuicht in lenteroes;

Nu geen gedommel, niet slap nederliggen!

Laat nu je geest opbruisend in gezang

Door ’t wereldruim met jonge goden vliegen!

En kenterde dan onze toekomstboot,…

Eén plank bleef boven water,… ik weet raad;

Den koenen zwemmer wenken lichte kusten!

Dat dan ’t geluk verzinke in ’t kille graf;

Doch onze liefde zal, God zij geprezen,

Toch ongedeerd die verre kust bereiken!

Valk.

O, ik begrijp je! Maar te scheiden zóó!

Juist nu ons open staat de mooie wereld,…

Hier, onder blauwen hemel, lenteluw,

Denzelfden dag dat ons verbond gedoopt werd!

[106]

Zwaanhilde.

Juist dáárom moet het zijn. Want na dit uur

Kan ’t bergaf gaan alleen, niet meer bergop!

En wee, als eens de dag des oordeels komt

En wij voor onzen hoogsten rechter staan,

En als, rechtvaardig God, hij van ons eischt

Den schat dien hij ons leende voor het leven …

Sloot dan niet ’t antwoord zijn genade uit:

“Dien hebben wij op weg naar ’t graf verloren!”

Valk (met een krachtig besluit).

Gooi weg je ring dan!

Zwaanhilde (vurig).

Zal ’k?

Valk.

Ja! Ik begrijp je!

Alleen op dezen weg kan ik je volgen!

Zooals het graf voert naar het eeuwig leven,

Wordt liefde ook ten leven eerst gewijd

Als zij verlost van hartstochts wild begeeren,

Bevrijd, als zielsherinring ons omzweeft!

Gooi weg den ring, Zwaanhild!

Zwaanhilde (juichend).

Ik deed mijn plicht!

Ik heb je ziel gevuld met zang en licht!

Vlieg uit! Nu heb je krachtig je opgeheven,…

En Zwaanhild heeft haar zwanenzang gezongen!

(zij trekt den ring van haar vinger en drukt er een kus op).

Duik neer, mijn droom, in diepe, zilte zee,

Tot ’s werelds eind,… hier breng ’k mijn offer dan!

(gaat naar den achtergrond, gooit den ring in de fjord en komt bij Valk terug met een stralend gezicht).

Nu heb ik je verloren voor dit leven,…

Maar voor de eeuwigheid heb ’k je gewonnen!

Valk (met kracht).

En nu aan ’t werk, wij beiden, elk voor zich!

Op aarde moeten wij gescheiden gaan.

Elk ga zijn weg, elk strijde zonder klagen.

Ook ons beving de tijdkoorts, zonder strijd

Begeerden wij der overwinning loon,

De sabbathrust, maar zonder arbeidsdagen,

Hoewel de eisch luidt; strijden en ontberen.

[107]

Zwaanhilde.

Maar treurend niet!

Valk.

Neen,… met der waarheid moed.

Ons dreigt geen dwaallicht uit den poel van straf;

D’erinring, die ons erfdeel is voor ’t leven,

Zal stralen licht, uit donker wolkgordijn,

Staan als de regenboog in zeven kleuren,

Als teeken des verbonds van ons met God.

En in háár schijnsel neem jij òp je plichten …

Zwaanhilde.

Jij gaat bergop je dichterroeping volgen!

Valk.

Als dichter, ja, want dat is ieder man,

In schoollokaal, of parlement of kerk,

Een elk, in hoogen of geringen stand,

Die bij zijn werk het ideaal in ’t oog houdt.

Ja, bergop ga ’k; ’t gevleugeld ros staat klaar;

Ik weet, voor ’t leven is gewijd mijn taak!

En nu, vaarwel!

Zwaanhilde.

Vaarwel!

Valk (omarmt haar).

Eén kus!

Zwaanhilde.

Den laatsten! (rukt zich los).

Nu kan ik je verliezen voor dit leven!

Valk.

Al doofden alle wereldlichten uit,…

De lichtgedachte leeft; want die is God,

Zwaanhilde (gaat naar den achtergrond).

Vaarwel! (gaat verder).

Valk (zwaait zijn hoed).

Vaarwel!… Toch roep ik juichend blij,

Gods mooie liefde leve op aard’, hoera!

(De deur wordt geopend. Valk gaat naar rechts; de jongere gasten komen naar buiten onder vroolijk lachen).

De jonge meisjes.

Nu gaan wij dansen!

Een van hen.

’t Leven is een dans!

[108]

Een ander.

Een bloemendans in lente en sterrenglans!

Eenige andere.

Ja, dansen, dansen!

Allen.

Stilstaan doen wij nooit!

(Stuiver komt gearmd met Strooman. Mevr. Strooman en de kinderen achter hen aan).

Stuiver.

Ja, jij en ik zijn vrienden voor altijd.

Strooman.

En ik en jij, wij strijden als één man.

Stuiver.

Als twee vereende machten samen strijden …

Strooman.

Is ’t resultaat voor beiden …

Stuiver (snel).

Nut!

Strooman.

En voordeel.

(Mevr. Halm, Lind, Anna, Goudstad en juffr. Ekster en de overige gasten komen naar buiten. Aller oogen zoeken Valk en Zwaanhilde. Algemeene verbazing als men hen ieder apart ziet).

Juffr. Ekster (tusschen de tantes, slaat de handen in elkaar).

Wat? Zeg toch of ik droom, of ben ik wakker?

Lind (die niets gemerkt heeft).

Ik mag mijn nieuwen zwager wel begroeten.

(Hij met verscheidene andere gasten, gaat naar Valk toe, maar treedt onwillekeurig een stap achteruit als hij hem aanziet en roept uit).

Wat is met jou gebeurd? Je hebt als Janus

Twee aangezichten!

Valk (met een glimlach).

Ik roep, als Montanus:

De aarde is vlak, messieurs;… mijn oog bedroog mij;

Vlak als een pannekoek;… is ’t zoo dan beter? (gaat snel rechts af).

Juffr. Ekster.

Bedankt!

[109]

De tantes.

Bedankt?

Mevr. Halm.

Toe, niet meer over spreken! (gaat naar Zwaanhilde toe).

Mevr. Strooman (tegen haar man).

Och kom, bedankt!

Strooman.

Maar is dat mooglijk?

Juffr. Ekster.

Bedankt! Bedankt! (zij gaan in groepjes bij elkaar staan dieper den tuin in).

Stuiver (als versteend).

Wat? Deed hij ’n huwlijksaanzoek?

Strooman.

Ja, stel je voor! Hij lachte ons uit, ha, ha,… (zij kijken elkaar sprakeloos aan).

Anna (tegen Lind).

’t Is zijn verdiende loon. Hè, ’t was te erg!

Lind (omarmt haar).

Hoera, nu ben je heelemaal van mij! (zij gaan dieper den tuin in).

Goudstad (kijkt achterom naar Zwaanhilde).

In deze jonge ziel is iets gebroken;

Maar wat nog leeft zal ik trachten te heelen.

Strooman (krijgt de spraak terug en omhelst Stuiver).

Nu kan je blij getroost je weer verheugen

Dat je verloofd bent met je lieve Ekster!

Stuiver.

En jij kan jaar op jaar een jonge Strooman

Met vreugde je geslacht vermeerdren zien!

Strooman (wrijft zich vergenoegd de handen en kijkt uit naar Valk).

’t Doet mij plezier, ik gun het hem van harte.

Dat ’s net goed voor zoo’n ongeluksprofeet! (zij gaan samen pratende voort, terwijl mevr. Halm naar Zwaanhilde toekomt).

Mevr. Halm (gedempt en dringend).

En bindt je waarlijk niets?

Zwaanhilde.

Neen, moeder, niets.

[110]

Mevr. Halm.

Dan ken je toch je plicht als dochter wel?

Zwaanhilde.

’k Vind alles goed.

Mevr. Halm.

Ik dank je, kind. (Met een gebaar naar Goudstad).

Wijs hem

Niet af … hij ’s rijk … en heb je geen bezwaar …

Zwaanhilde.

Ja, iets verlang ik toch bij dit verbond;

’k Wil weg van hier …

Mevr. Halm.

Dat is juist wat hij wil.

Zwaanhilde.

En tijd …

Mevr. Halm.

Hoe lang? Denk dat ’t geluk je roept nu.

Zwaanhilde (met stillen lach).

O, niet heel lang; totdat de blaren vallen.

(Zij gaat naar de veranda; mevr. Halm zoekt Goudstad op).

Strooman (onder de gasten).

Iets, lieve vrienden, leerden wij van daag;

Of twijfel ons ook ernstig komt belagen,

’t Goed recht der waarheid overwint de slang,

En liefde triomfeert.

De gasten.

Die triomfeert, ja!

(alle paren omarmen en kussen elkander. Links hoort men lachen en zingen).

Juffr. Ekster.

Wat is dat nu?

Anna.

Studenten!

Lind.

Het kwartet,

Dat naar de bergen gaat … en ik heb glad

Vergeten af te zeggen …

(De studenten komen van links op en blijven aan den ingang staan).

Een student (tegen Lind).

Hier zijn wij!

[111]

Mevr. Halm.

Wien zoekt u? Lind misschien?

Juffr. Ekster.

Ja, dat is gek;

Hij is geëngageerd …

Een tante.

Dus u begrijpt wel,

Dat hij nu niets te doen heeft in de bergen.

De student.

Verloofd!

Alle studenten.

Gelukgewenscht!

Lind.

Ik dank je wel,

De student (tegen de kameraden).

Nu ligt ons heele plan tegen den grond.

Wat doen wij nu? Onze tenor ontbreekt.

Valk (die van rechts komt in een zomerpakje met studentenpet, randsel en stok).

Die stem zing ik in ’t jonge Noorsche koor!

De studenten.

Jij, Valk! Hoera!

Valk.

Bergop in Gods natuur,

Zooals de bij vliegt uit haar winterkorf!

Ik draag een snarenspel in mijne borst,

Een cither met een dubble rij van tonen;

De ééne hoog, trilt mee in levenslust,

De andre klinkt daaronder, diep en droevig.

(tegen een paar van de studenten).

Jij hebt een schetsboek?… Jij muziekpapier?

Best; zwermt dan bijen in het groene loof …

Eéns keeren, rijk aan stuifmeel, wij terug

Naar onze korf, naar onze koningin!

(Tot het gezelschap gekeerd, terwijl de studenten heengaan en het koor uit het eerste bedrijf gedempt buiten invalt).

Vergeeft mij alles, groote en kleine zonden;

Ook ik wisch alles uit; (zachtjes) maar blijf gedenken!

Strooman (in overmatige vreugde).

Kijk, nu is mijn gelukspotje weer heel!

Mijn vrouw heeft weer eens hoop … blijde verwachting …

(trekt hem fluisterend ter zijde).

[112]

Daar straks vertelde mij de lieve ziel …

(gedeeltelijk fluisterend. Hoorbaar alleen🙂

Als alles goed gaat … in November … ’t dertiende!

Stuiver (met juffr. Ekster aan zijn arm wendt zich tot Valk, glimlacht triomfeerend, en zegt, terwijl hij op den dominee wijst):

Ik krijg de honderd thaler—en ga trouwen …

Juffr. Ekster (met een spottende buiging).

Met Kerstmis stap ik in het huwlijksbootje.

Anna (evenzoo, terwijl zij haar arm in dien van Lind legt).

Mijn Lind blijft hier, en laat het g’loof het g’loof …

Lind (verbergt zijn verlegenheid).

’k Zoek plaats als leeraar aan een meisjesschool.

Mevr. Halm.

Ik zal mijn Anna ’t huishouden gaan leeren.

Goudstad (ernstig).

Ik ga beginnen aan ’n discreet gedicht …

Van iemand die volbrengt een heil’gen plicht.

Valk (met een glimlach over allen heen).

En ik stijg òp tot onbekende toekomst!

Vaartwel! (gedempt tegen Zwaanhilde).

God zegen je, mijn lentelief;…

Waarheen ’k ook ga, mijn werk zal bij je wezen!

(wuift met zijn pet en volgt de studenten).

Zwaanhilde (kijkt hem een oogenblik na en zegt dan stil, maar vast).

Nu is mijn jonge vrijheidsleven uit;

Nu valt het loof … nu hoor ik aan de wereld.

(Op dit oogenblik wordt er op de piano dansmuziek gespeeld en knallen de champagnekurken op den achtergrond. De heeren met hunne dames aan den arm loopen door elkaar; Goudstad nadert Zwaanhilde en buigt voor haar; zij schrikt even, maar beheerscht zich en reikt hem de hand. Mevr. Halm en de naaste familieleden, die in spanning dit tooneel gevolgd hebben, komen naderbij en omringen het paar met woorden en teekenen van groote blijdschap, die evenwel overstemd worden door de muziek en de vroolijkheid van de dansenden verderop in den tuin.

[113]

Maar van verre en door de dansmuziek heen van de hoogte klinkend, luidt krachtig en flink🙂

Het koor van studenten.

Misschien raakt mijn bootje straks wel aan den grond

Maar het is toch zoo heerlijk te varen!

De meesten op het tooneel.

Hoera!

(Dansen en gejuich; het scherm valt).

EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.

[114]

[Inhoud]

BRAND

DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN

[115]

[Inhoud]

PERSONEN:

  • Brand.
  • Zijn Moeder.
  • Ejnar, schilder.
  • Agnes.
  • De Baljuw.
  • De Dokter.
  • De Proost.
  • De Koster.
  • De Schoolmeester.
  • Gerd.
  • Een Boer.
  • Zijn halfvolwassen Zoon.
  • Een andere Boer.
  • Zijn Vrouw.
  • Een andere Vrouw.
  • Een Klerk.
  • Geestelijken en Ambtenaren.
  • Volk, Mannen, Vrouwen en Kinderen.
  • De Verzoeker in de Woestijn.
  • Koor van Onzichtbaren.
  • Een Stem.

Het stuk speelt in onzen tijd, gedeeltelijk in, gedeeltelijk bij een Fjorddorp aan de Westkust van Noorwegen.

[116]

[Inhoud]

EERSTE BEDRIJF.

Boven op de sneeuwvelden van het hooggebergte. Dikke, zware mist. Regenweer en halfduister.

Brand (in ’t zwart gekleed, met stok en randsel, gaat al klauterend westwaarts voort. Een boer en zijn halfvolwassen zoon, die hem vergezellen, komen achter hem aan).

De Boer (roept tegen Brand).

Hei, vreemdeling, loop niet zoo gauw!

Waar ben je?

Brand.

Hier!

De Boer.

Straks dwaal je nog!

Het mist van daag dat iemand haast

Niet verder zien kan dan zijn stok.

De Zoon.

Halt! Hier zijn spleten!

De Boer.

Hier zijn kloven!

Brand.

En ieder spoor van pad is weg!

De Boer (schreeuwt).

Blijft staan! God beter ’t … ’t Is een ijskorst

Bros als een glasplaat! Hei, niet stampen!

Brand (luisterend).

’k Hoor ’t bruisen van een waterval.

De Boer.

Een beek heeft er zich door gewrongen;[117]

Hier is een niet te peilen afgrond;…

Dat kost ons ’t leven, alle drie!

Brand.

Ik moet er over, zooals ’k zei.

De Boer.

Er is geen mensch die dat vermag.

Keer om;… de grond is hol en bros …

Blijf staan! Je leven staat op ’t spel!

Brand.

Ik moet; in opdracht van mijn heer.

De Boer.

Hoe heet die heer?

Brand.

Zijn naam is God.

De Boer.

En wat ben jij?

Brand.

Een dienaar Gods.

De Boer.

’t Kan waar zijn; maar dit weet ik wèl,

Dat, was je proost, of bisschop zelfs,

Je vóór het krieken van den dag

Als lijk al in de diepte lag,

Zoo je op die ondermijnde korst

Je verder voorwaarts wagen dorst.

(komt voorzichtig nader, overredend).

Hoor eens, al is een mensch geleerd

En knap, hij kan niet wat niet kàn.

Keer om; wees niet zoo star en stug!

Eén leven heeft een mensch toch maar;

En is dàt weg, wat heeft hij dan?

Hier is geen huis een mijl in ’t rond.…

Die mist wordt zóó dik dat je ’m wel

Zoudt kunnen snijden met een mes.

Brand.

Is dik de mist, dan lokt ons niet

Een dwaallicht van den goeden weg.

De Boer.

Maar ijsmeren zijn hier rondom

Gevaarlijk voor een menschenvoet.

Brand.

Die gaan wij over.

[118]

De Boer.

Die gaan wij over.

Gaan? Te voet?

Dat zou je bitter slecht bekomen.

Brand.

Eén deed het toch … is ’t geloof maar echt

Dan komt men droogvoets er wel over.

De Boer.

Ja, eertijds wel,… maar wie ’t nu waagt

Die schiet er ’t hachje vast bij in.

Brand.

Vaarwel! (wil gaan).

De Boer.

Je waagt je leven, hoor!

Brand.

Als God de Heer mijn dood verlangt,…

Dan welkom stortvloed, meer en kloof!

De Boer (zachtjes).

Hij is een ware dolleman!

De Zoon (half schreiend).

Toe, vader, kom toch! Laat ons gaan!

Er komt meer regen nog en wind!

Brand (blijft staan en komt weer naderbij).

Zeg, hoor eens man; je zei daar straks,

Dat aan de fjord je dochter woonde.

Zij liet je zeggen dat zij gauw

Zou sterven … maar als zij je niet

Terug zag, nooit zou zalig rusten?

De Boer.

Ja, dat is waar, God helpe mij!

Brand.

En is ’t van daag de laatste dag?

De Boer.

Ja.

Brand.

Kan ’t niet langer?

De Boer.

Neen.

Brand.

Kom dan.

De Boer.

Het is onmooglijk. Keer terug!

[119]

Brand (kijkt hem strak aan).

Zeg, zou je honderd daalders geven,

Als zij dan rustig sterven kon?

De Boer.

O ja!

Brand.

Tweehonderd?

De Boer.

Huis en hof

Zou ik van harte willen afstaan

Als ’t haar ten goede komen kon.

Brand.

Maar ook je leven als het moest?

De Boer.

Mijn leven? Och, mijn waarde!

Brand.

Wel?

De Boer (krabt zich achter het oor).

Neen, dat is wel wat veel gevraagd …!

In Jezus naam, wil toch bedenken

’k Heb thuis mijn vrouw en nog meer kinderen.

Brand.

Hij, dien je noemde had een moeder.

De Boer.

Ja, dat is al zoo lang geleden;…

Toen was ’t een tijd van zooveel wondren,

Zooals er nu niet meer gebeuren.

Brand.

Ga heen. Je leven leidt ten dood.

Jij kent God niet, God kent jou niet.

De Boer.

Je bent wel hard!

De Zoon (trekt hem mee).

Kom ga toch mee!

De Boer.

Ja, goed; maar hij moet met ons mee!

Brand.

Moet ik?

De Boer.

Ja, vast, want blijf je hier

In dit Godsgruwelijke weer,

En wordt ’t bekend, wat altijd uitkomt,[120]

Dat wij je hierheen vergezelden,

Dan word ik voor ’t gerecht gedagvaard;

En als je hier in ’t ijs verzinkt

Word ik nog in de doos gestopt …

Brand.

Dan lijd je voor de zaak des Heeren.

De Boer.

Die raakt mij net zoo min als andre;

’k Heb ruim genoeg al aan de mijne.

Kom mee!

Brand.

Vaarwel! (men hoort in de verte dof gerommel).

De Zoon (gillend).

Dat ’s de lawine!

Brand (tegen den boer die hem bij de kraag gepakt heeft).

Laat los!

De Boer.

Neen!

Brand.

Laat me los!

De Zoon.

Kom toch!

De Boer (worstelt met Brand).

De duivel haal mij … neen!

Brand (rukt zich los en gooit hem neer in de sneeuw).

Jawel;

Dat zal hij later ook wel doen! (gaat heen).

De Boer (komt overeind, zijn arm wrijvend).

Au, au; die vent is duivelsch sterk.

Dat noemt hij Godgevallig werk! (roept terwijl hij opstaat).

Heidaar!

De Zoon.

Hij ging de hoogte over.

De Boer.

Ja, ja, ik g’loof dat ’k hem nog zie. (roept weer).

Zeg, hoor eens … weet je misschien nog

Waar wij den weg verloren hebben?

Brand (in den mist).

Geen kruis wijst jou den rechten weg;…[121]

Jij bent al op het breede pad.

De Boer.

God gave dat het waarheid was,

Dan kwam ’k van avond heelhuids thuis.

(Hij gaat met zijn zoon weer oostwaarts terug).

Brand (wordt een eind hooger òp zichtbaar en luistert in de richting waar de boer verdwenen is).

Zij stromplen weg … Jij slappe slaaf,

Welde in je ziel een bron van wil,

Was het alleen de kracht die faalde,

Ik zou den weg je wel verkorten;

Ik had, doodmoe, met wonde voeten,

Je licht en blij wel voortgedragen;…

Maar hulp is aan een man verspild

Die ook niet wil wat hij niet kan. (komt verder naar voren).

Het leven; och … het is wel erg

Hoe lief dat ’t goede menschdom is!

Hoe iedre stumperd zooveel hecht

Aan ’t leven, alsof ’s werelds lot,

Of aller menschen zieleheil

Hem op de schrale schouders rust.

Zij willen offren, o, welzeker!

Maar ’t leven, neen, dat moet men sparen! (glimlacht als bij een herinnering).

Als jongen, waren er twee dingen

Die mij stuiplachend deden krimpen,

En ook bezorgden een pak slaag,

Van de oude schoolmamsel, die brompot.

’k Dacht aan een uil die schuwde ’t donker,

En aan een visch met watervrees.

Ik lachte luid, wou ’t beeld verjagen,

Maar ’t klampte in mijn geest zich vast …

Hoe kwam die stuiplach in mij op?

Door ’n duister nog gevoelde kloof,

Die scheidt de dingen als zij zijn,

Van wat de dingen moesten wezen,…

Daartusschen: dat wij dragen moeten,

En onze last te zwaar ons blijkt …

En allen haast hier, ziek of frisch,

Zijn als een uil of als een visch.[122]

Een, tot een duister werk geschapen,

Is ook bestemd in nacht te leven,…

En ’t is juist dáárvoor dat hij vreest.

Hij fladdert angstig langs het strand,

Hij schuwt zijn eigen sterrencel

En roept om licht en zonneschijn!

(blijft een oogenblik staan, schrikt en luistert).

Wat was dat daar? ’t Klonk als gezang,

Ja, ’t is gezang gemengd met lachen.

Hoor,… nu een hoera, en een tweede …

Een derde … vierde … vijfde maal!

De zon breekt door. De mist wordt lichter.

Ik zie alweer de wijde vlakten.

Daarginder staat het vroolijk troepje

In ’t morgenlicht, op hooge bloemwei;

Naar ’t Westen valt de breede schaduw.

Nu neemt men afscheid met een handdruk.

Nu scheiden zij. De andren keeren

Naar ’t Oosten; westwaarts gaan er twee:

Daar wuiven zij tot laatsten groet

Met hoeden, sluiers, doeken, handen.

(De zon breekt hoe langer hoe meer door den mist heen. Hij staat een tijd lang naar de van beneden opkomenden te kijken).

’t Is of er licht straalt om die twee daar,

Alsof de mist zich openscheurt,

De hei hun voeten zacht omhult

En of de zon hun tegenlacht!

Vast broer en zuster, hand in hand

Gaat ’t huplend over heidestruiken.

Kijk, ’t meisje raakt den grond maar nauwlijks,

En hij is lenig als een rijs.

Daar loopt zij weg! Weg is zij weer

Nu fluks hij meende haar te vangen …

Hun loopen wordt een vroolijk spel …

En hoor, hun lachen klinkt als zingen!

(Ejnar en Agnes, in luchtige reiskleeren, beiden warm, met blozende wangen, komen al spelend over de hoogte naar voren. De mist is opgetrokken. Een heldere zomermorgen licht over de bergen).

[123]

Ejnar.

Agnes, mijn wondermooie kapel,

Al spelend wil ik je vangen!

Ik spin van kleine mazen een net,

En de mazen, dat zijn mijn zangen.

Agnes (danst achterwaarts voor hem uit en ontsnapt hem voortdurend).

Ben ik een kapelletje, klein en teer,

Dan wil ik aan de heibloempjes hangen,

En ben jij een jongen, die houdt van spel,

Jaag mij op … maar je mag mij niet vangen!

Ejnar.

Agnes, mijn wondermooie kapel,

Het mazennet is al gesponnen;

Je fladdrend vluchten helpt je niet meer,

Weldra heeft het net je overwonnen.

Agnes.

Ben ik een kapelletje jong en fijn,

Dan wil ik ook spelen en zweven;

Maar vang je mij in ’t gesponnen net,

Dan moet voor mijn wiekjes ik beven!

Ejnar.

Neen, behoedzaam zet ik je op mijn hand,

Zal diep in mijn hart je bewaren,

Daar kan je spelen je leven lang,

Blij als ooit in je kinderjaren!

(Zonder het te zien zijn zij bij een steilen afgrond gekomen en staan nu vlak aan den rand).

Brand.

Halt! Halt! Daar is een afgrond!

Ejnar.

Hè?

Wie roept daar?

Agnes (wijst naar boven).

Kijk!

Brand.

Berg u bijtijds nog!

U staat aan ’t randje van een afgrond;…

’t Is losse sneeuw maar die er op ligt!

Ejnar (slaat de armen om Agnes heen en lacht).

Dat heeft geen nood voor haar en mij!

[124]

Agnes.

Voor ons ligt ’t leven als een spel!

Ejnar.

Ons is een zonneschijn gegund,

Die over honderd jaar pas uitdooft.

Brand.

Is dan pas ’t spel uit? Zoo, och kom!

Agnes (wuift met haar sluier).

Dan gaan in ’t hemelblauw wij spelen!

Ejnar.

Eerst honderd jaar in roes van vreugde,

Met feestverlichting iedren nacht,…

Een honderdjarig liefdespel …

Brand.

En dan …?

Ejnar.

Dan huiswaarts weer ten hemel!

Brand.

Zoo, komt u daar nu net van daan?

Ejnar.

Natuurlijk; van waar anders dan?

Agnes.

Ja, dat ’s te zeggen, ’t allerlaatst

Zijn wij ginds uit het dal gekomen.

Brand.

Ik meende al straks u te zien staan

Daar aan de watergrens beneden.

Ejnar.

Ja juist, daar scheidden wij ons straks

Van onze vrienden en vriendinnen,

Bezeeglend dierbare herinring

Met handendruk, omhelzing, kus.

Kom bij ons hier! ’k Zal u vertellen

Hoe goed God voor mij is geweest,…

Dan zal u mijn geluk begrijpen …!

Toe, sta daar niet als steenen beeld!

Komaan, herleef!… Zoo mag ik ’t lijden.

Ik ben dan schilder, moet u weten,

En het was al een mooie gave,

Aan mijn gedachten macht te geven

Om kleurrijk ’t leven uit te beelden,

Zoo als hij vlinders maakt uit larven.[125]

Maar ’t allermooiste was van God

Dat hij mij Agnes gaf tot bruid!

’k Ben pas terug uit ’t zonnig Zuiden,

Waar ’k reisde met mijn schilderdoos …

Agnes (vol vuur).

Blij als een koning, frisch, vol moed …

En kent wel duizend nieuwe liedjes!

Ejnar.

Juist toen ik hier het dal doortrok

Was zij hier ook bij een vriendin.

Zij had behoefte aan frissche lucht

En zon en dauw en dennengeur.

Mij dreef een drang op naar de bergen.

Het zong in mij: Op! zoek de schoonheid

In hei en dennen, bosch en stroom,

In ’t wolkenspel, en ’t blauw gewelf!…

Toen heb ’k mijn meesterstuk geschilderd!

Een rozenblozen op haar wang,

Een oogenpaar geluk uitstralend,

Een glimlach die in ’t harte drong …

Agnes.

Doch half maar zag je wat je maakte,…

Je zwelgde blindlings in genot,

En stond weer op een mooien dag

Ten tocht bereid, met staf en randsel …

Ejnar.

Toen dacht ’k op eens: Wel, die is goed!

’k Heb haar niet eens formeel gevraagd!

Hoera! Ik vroeg haar, kreeg haar antwoord,

En daarmee was de zaak gezond nu!

Onze oude dokter was zoo blij

Dat hij haast niet wist wat te doen.

Drie dagen lang werd er gefeestvierd,

Met zang en dans ter onzer eere;

Autoriteiten, geestlijkheid,

En al wat jong was kwam te gast.

Van nacht verlieten wij de plaats.

Maar ’t feest was daarom nog niet uit;…

Met vlag en wimpel, groenbekranst,

Het bosch in en de bergen op,

En heel de troep toog met ons mee.

[126]

Agnes.

Die tocht naar buiten was een dans.

Dan twee aan twee … dan in een rij.

Ejnar.

Wij dronken wijn zoo zoet als most …

Agnes.

En ons gezang klonk door den nacht …

Ejnar.

En zelfs de mist, zoo dik en dicht

Week voor onze’ optocht zoet terug!

Brand.

En waarheen nu …?

Ejnar.

Rechtstreeks vooruit,

Naar stad toe.

Agnes.

Naar mijn ouders thuis.

Ejnar.

Maar eerst de laatste toppen over;

Dan naar beneden, ’t westen in;

Op Aegirs stoomros, dampend, snuivend,

Gaan wij naar huis voor ’t huwlijksfeest;…

En dan naar ’t Zuiden met ons beiden,

Als zwanen op hun eerste vlucht …!

Brand.

En daar …?

Ejnar.

Een vroolijk huwlijksleven,

Mooi als een droom, als ’n sprookje teer;

Want, weet u, op dien zondagmorgen,

Ook zonder priester, werd gewijd

Op ’t vrije veld, ons jonge leven

Tot jubelfeest, van zorgen vrij.

Brand.

Door wien?

Ejnar.

Door al de goede vrienden.

Zij deden iedre onweerswolk,

Die ’t groene hutje mocht bedreigen,

Al drinkend, klinkend in den ban.

En ieder woord dat manend repte

Van storm of strijd, werd weggekust;[127]

Zoo werden wij met groen en bloemen

Tot blijheids kindren gewijd.

Brand.

Vaartwel dan nu! (wil gaan).

Ejnar (blijft staan en bekijkt hem nauwkeuriger).

Neen, wacht nog wat!

Mij dunkt u heeft zoo iets bekends

In uw gezicht …

Brand (koel).

Neen, ’k ben u vreemd.

Ejnar.

En toch is ’t of van school of thuis

Ik me uw gezicht herinren kan …

Brand.

Van school, jawel, wij waren vrienden,

Toen ’k jongen was; nu ben ’k een man.

Ejnar.

’t Kan toch niet zijn dat u is …? (schreeuwt het in-eens uit).

Brand!

Ja, jij bent ’t waarlijk! Ik herken je!

Brand.

Ik had terstond jou wel herkend.

Ejnar.

Dat ’s een ontmoeting! Welkom hier!

Kijk me eens aan! Ja, nog de oude,

Nog altijd aan jezelf genoeg,

Als toen je schuw vermeedt de spelen

Van kameraden wild en druk.

Brand.

’k Was ook een vreemde in den troep.

Toch hield ik, meen ik, wel van jou,

Maar al die andren uit het zuiden

Zijn van een ander erts dan ik,

Die ’t licht zag op een steile landtong,

Beschaduwd door een naakte rots.

Ejnar.

Je dorp ligt immers ergens hier?

Brand.

Mijn weg gaat juist nu er doorheen.

Ejnar.

Er juist doorheen? Dus? Verder weer?

[128]

Brand.

Ja, verder weg … mijn thuis voorbij.

Ejnar.

Wat ben je dan?

Brand.

Vicaris ben ’k.

Zooals de haas in ’t dennenbosch

Ben ik dan hier dan daar tehuis.

Ejnar.

En waar gaat nu de reis naar toe?

Brand (snel en hard).

Vraag mij dat niet!

Ejnar.

Waarom?

Brand (op anderen toon).

Nu ja!

Het schip dat ginds je beiden wacht

Zal ook mij voeren ver van hier.

Ejnar.

Mijn Aegirs stoomros? Wel komaan!

Zeg, Agnes, hij reist met ons mee!

Brand.

Ja, maar een lijkmaal is mijn doel.

Agnes.

Een lijkmaal?

Ejnar.

Wie wordt dan begraven?

Brand.

De God, dien jij zoo hoog vereert.

Agnes (wijkt terug).

Kom Ejnar!

Ejnar.

Brand!

Brand.

Die dwingeland,

Die slavengod der slavenkudde,

Wordt opgeborgen in het graf,

En liefst op klaar-licht-heldren dag.

’t Is meer dan tijd, voor iemand die

Al sukkelt meer dan duizend jaar.

Ejnar.

Brand, je bent ziek!

[129]

Brand.

Gezond en frisch

Als gindsche spar, als ’t bloeiend bosch,

Maar ’t is het hedendaagsch geslacht

Dat ziek, genezing noodig heeft.

Jij wilt maar scherts en spel en lach,

Een beetje g’looven maar niet zien,…

Wilt leggen alle lust en wee

Op hèm, die kwam, is je verteld,

En ’t straffend oordeel op zich nam.

Hij droeg voor jou een kroon van doornen,

En daarom kan jij nu vrij dansen;…

Ja, dansen … maar waar dans je heen?

Dat, vriendlief, staat nog te bezien!

Ejnar.

’k Begrijp het al! ’t Is ’t nieuwe lied

En veelgeliefd in dorp en stad.

Je bent vast van de nieuwe leer

Die ’t leven stof en onzin noemt,

Die menschen bang maakt voor de hel,

En hen in zak en assche jaagt.

Brand.

Neen, boetapostel ben ik niet.

Ik spreek ook niet in naam der kerk;

’k Weet nauwlijks, bèn ik wel een christen;

Maar wel weet ik, dat ’k ben een man,

En zeker ook dat ik de kwaal zie

Die ’t heele land zijn merg ontsteelt.

Ejnar (glimlacht).

Dat heb ik toch nog nooit gehoord,

Ons goede land opeens befaamd

Voor overmaat van levenslust!

Brand.

Neen, juublen doen zij niet te veel …

Was dat maar zoo, dan was het goed,

Laat iemand slaaf zijn van ’t genot,…

Maar dat hij ’t dan ook blijvend zij.

Wees niet van daag en gistren dit

En weer wat anders ’t volgend jaar.

Wees wat je bent, voluit, geheel,

Niet half, niet stuksgewijs verdeeld.

Een zuiver beeld is een bacchant,[130]

Een dronkelap zijn spottrawant …

Silenus is een prachtfiguur,

Een drinker zijn karikatuur.

Ga maar eens rond hier in dit land

Met open oor en open oog,

En je zult zien hoe iedereen

Van alles maar zoo’n beetje is.

Op Zondag wel een beetje ernstig,

Een beetje vroom … naar oud gebruik,

Een beetje tuk op slemppartijen,…

Dat waren onze vaadren ook,…

Een beetje warm als er gefeest wordt

En liedren klinken voor het kleine

Maar rotsgetrouwe rotsenvolk,

Dat nooit zich kromde onder ’t juk …

Een beetje luchtig met beloften,…

Een beetje listig als hij nuchter

’t Gegeven woord gestand moet doen,

Dat bij een drinkgelag hij gaf.

Maar alles in een minimum.

Zijn fouten, deugden gaan niet ver;

Hij is een breuk in ’t groot en ’t klein;

Maar ’t ergste is,… van iedre breuk

Heft ieder deel de rest weer op.

Ejnar.

Nu goed; je klachten over ’t volk

Dáárop wil ’k ja en amen zeggen;

Maar ’k zie niet wat dat heeft te maken

Met hem, dien je begraven wilt,…

Den God, dien ’k nog altijd vereer.

Brand.

Je bent toch schilder, is ’t niet zoo?

Toon mij den God van wien je spreekt.

Je hebt hem, hoor ik, uitgeschilderd,

Tot veler menschen diepe ontroering.

Hij ’s zeker oud, of heb ik ’t mis?

Ejnar.

Nu ja …?

Brand.

Natuurlijk. En ook grijs?

En dun van haar, als grijsaards zijn,

Met ’n baard als zilverdraad of ijs,…[131]

Welwillend, maar toch streng genoeg

Om ’n kind te jagen naar zijn bed.

Of je hem ook pantoffels gaf

Dat laat ik in het midden nu;

Maar ’k zette hem ook een bril nog op

En een kalotje op zijn hoofd.

Ejnar (boos).

Wat moet dat nu?

Brand.

Dat is geen spot;

Want zoo precies ziet hij er uit,

De huisgod van ons land, ons volk.

Zooals de Roomschen van hun Heiland

Een zuigling maken, maakt men hier

De Godheid tot een stumprig oudje,

Al bijna kindsch van ouderdom.

Zooals de Paus op Petrus’ stoel

Welhaast alleen nog heeft de sleutels,

Sluit men hier ’t wereldkoninkrijk

Van onzen Heer, in kille kerken.

Men scheidt geloof en leer van ’t leven,

En niemand streeft naar ’t ware wezen;

Men tracht zich geestlijk te verheffen,

Maar niet voluit en vrij te leven.

Voor zulk gedraai heeft men dan noodig

Een God, die zien kan door de vingers;…

Een God die grijs wordt als de menschen,

Een beeltnis met kalotje en manen …

Maar die God is de mijne niet!

De mijne is storm, de hunne wind,…

Onbuigzaam, waar de hunne is doof,…

Allievend, waar de hunne is stomp.

En jong is hij, als Herkules,…

Geen oude, grijze Grootpapa!

Zijn stem weerklonk als donderslag

Toen hij, in ’t brandend bosch, als vuur

Voor Mozes stond op Horebs top,

Gelijk een reus voor ’t dwergenvolk.

Stil stond de zon op zijn bevel

In ’t dal van Gibeon. Wondren veel

Deed hij, en zou hij nog wel doen,

Waar’ maar ’t geslacht niet laks als jij!

[132]

Ejnar (met een onzeker lachje).

Dus anders moet dat worden nu?

Brand.

Dat zal het, hoor, zoo zeker als

Ik weet, dat ik ter wereld kwam

Als dokter voor zijn ziekte en nood.

Ejnar (schudt het hoofd).

Doof niet de vlam, al mag zij walmen

Eer ’t licht je duidlijk wees den weg;

Wisch uit de taal niet de oude woorden

Eer je de nieuwe hebt gemaakt!

Brand.

’t Is mij niet om iets nieuws te doen.

Het recht van ’t eeuw’ge wil ’k alleen.

Geen dogma’s zijn het, en geen kerken

Die ’k hoog wil houden met mijn werken;

Want beiden hadden een begin,

En daarom kon het ook wel zijn

Dat er een eind aan beiden kwam …

Al wat eens werd moet eens vergaan;—

Het zij door wormen of door mot—

En volgens den normalen gang

Plaats maken voor een nieuwen vorm.

Maar daar is iets dat blijft bestaan;…

Dat is de nooit geschapen geest,

Verloren eens in ’t Paradijs,

Verlost door hem, die onvervaard,

In heilig gelooven, sloeg de brug

Van ’t vleesch naar de oerbron van den geest.

Nu is ook die verslapt, verpoend,…

Dank zij der menschen kijk op God;…

Toch moet uit deze zielestompen

Uit deze brokken van den geest

Uit deze hoofden, deze handen,

Weer een geheel ontstaan, dat God

Zijn man herkent, zijn mooiste werk,

Het stamhoofd Adam, jong en sterk!

Ejnar (afbrekend).

Vaarwel. Het best is dat wij nu

Maar afscheid nemen.

Brand.

Ga jij westwaarts,[133]

Dan ik naar Noord. Twee wegen leiden

Naar ’t doel, en beide even smal.

Vaarwel!

Ejnar.

Vaarwel.

Brand (keert zich om terwijl Ejnar daalt).

Scheid licht van damp.

Bedenk dat leven is een kunst.

Ejnar (afwerend).

Zet jij den boel maar op zijn kop;

Ik hoû mij bij mijn ouden God!

Brand.

Beeld jij hem maar met krukken af.

Ik ga hem stoppen in zijn graf! (gaat de hoogte over).

Ejnar (staat Brand zwijgend na te kijken).

Agnes (staat een oogenblik als wezenloos; dan schrikt zij in-eens op, kijkt onrustig rond en vraagt🙂

Is de zon weg?

Ejnar.

’t Is maar een wolk

Die haar verborg; nu schijnt zij weer.

Agnes.

De wind is koud.

Ejnar.

’t Was maar een vlaag,

Die over hoogen top heenjoeg.

Hier dalen we af.

Agnes (naar ’t zuiden wijzend).

Zoo zwart en hoog

Stond toch die berg daar straks hier niet.

Ejnar.

Je zag ’t toen niet door spel en zang,

Vóór hij je vrees en schrik aanjoeg.

Maar laat hem stil zijn gang maar gaan;

Wij nemen ’t oude spel weer op.

Agnes.

Neen, nu niet meer; ik ben zoo moe.

Ejnar.

Ja, eigenlijk ben ik dat ook,…

En bergaf gaat het niet zoo vlot,[134]

Als ginder op het vlakke veld.

Doch wacht maar, zijn we eens in het dal

Dan dansen wij nog eens zoo hard,…

Ja, tienmaal wilder nog dan ooit

Vóór hij ons in den weg kwam hier.

Kijk, Agnes, kijk eens daar, dat blauw

Waarop de zon zoo schittrend schijnt.

Dan ligt ’t gerimpeld, dan weer glad,

In zilverglans of ambergloed;

Dat is de groote frissche zee

Die je daar in de verte ziet!

En zie je ook den donkren rook

Die kronkelend opstijgt in de lucht?

En kan je zien die zwarte stip

Die nu juist ombuigt om de kaap?

Dat is de boot … van jou en mij!

Nu varen zij de fjord juist in!

Van avond varen zij weer weg

Naar zee, met jou en mij aan boord!…

Nu is ’t in nevel weer gehuld …

Zeg, Agnes, heb je wel gezien

Hoe prachtig zee en lucht zich kleurden?

Agnes (kijkt als starend recht voor zich uit en zegt🙂

Jawel. Maar zeg mij eens of …?

Ejnar.

Wat?

Agnes (zonder hem aan te zien en gedempt als in een kerk).

’t Was of hij groeide onder ’t spreken!

(Zij daalt het bergpad af. Ejnar volgt haar).

Een weg langs een vooruitspringenden bergwand met een woesten afgrond verder weg rechts. Boven en achter den berg ziet men hooge toppen en sneeuw.

Brand (komt het pad op, begint te dalen en blijft halfweg staan op een vooruitspringend rotsblok en kijkt in de diepte).

Ja, de plaats herken ik weer!

Ieder boothuis, iedre hut,[135]

Hellingen en berkaanplanting,

En het oude bruine kerkje,

Elzenboschjes langs het water …

Alles kan ik mij herinren.

Maar veel grauwer lijkt mij alles,

Kleiner ook, dan toen ’k een kind was;

En het sneeuwdak op den berg ginds

Hangt nog lager over ’t dorp,

Heeft van den benepen hemel

Nog een streepje weggenomen,

Neigt en dreigt, maakt duister, dringt,…

Steelt nog meer weg van de zon.

(gaat zitten en kijkt ver voor zich uit).

En de fjord. Was die toen ook

Al zoo leelijk en zoo nauw?

’t Weer is buiig. Voor den wind.

Loopt een schip met volle zeilen.

Zuidwaarts, achter boot en steiger

Zie ik in de grauwe schaduw

Aan het strand, een roodbruin huis!…

’t Is de hoeve van de weduw’!

Oude hoeve! Eens mijn thuis.

Heel ’t verleden dringt zich op.

Daar aan ’t zeestrand tusschen steenen

Leefde een kinderziel vereenzaamd …

Op mij drukt het als een last

Van beklemming, dat ook ik

Ben verwant nog met den geest die

D’aarde zoekt, niet ’t innigst wezen.

Wat ik heerlijks heb gewild

Zweeft als in een nevel nu.

Moed en kracht zijn mij ontnomen,

Machtloos is mijn ziel, mijn greep;

Hier zoo dicht bij ’t oude huis weer

Zie ’k mijzelf aan als een vreemdling,…

Zoo ontwaakt getemd, geketend,

Simson in Dalila’s schoot.

(kijkt weer in de diepte).

Wat is daar toch voor een drukte?

Overal uit huis en hoeven[136]

Stroomen vrouwen, mannen, kindren …

Achter hellingen en rotsen

Schuiven voort de lange rijen,

Komen weer te voorschijn plots …

Allen voort naar ’t oude kerkje.

(staat op).

O, ik ken je zoo van buiten,

Lakse zielen, traag van geest!

Heel je Onze-Vader bidden

Houdt niet in zich zóóveel wilskracht,

Ja, niet zóóveel zieledrang,

Dat daarvan ten hemel stijgt

Klankrijk als een stem moet klinken,

Iets meer dan de vierde smeekbee!

Die toch is de leus van ’t volk,

Die de strijdkreet thans geworden.

Diep gegrift in alle harten,

Uit ’t verband gerukt, is die nu

Als een door den storm gehavend

Wrak van jullie heele geloof!…

Weg hier uit dien duffen boel!

Weeë lijklucht heerscht in ’t rond hier …

Hier kan nooit een vlaggedoek

Vrijuit, frisch en vroolijk wapp’ren!

(wil weggaan, een steen wordt van boven af gegooid en rolt het pad af tot vlak voor zijn voet).

Brand (roept naar boven).

Hei-dáár! Wie gooit met steenen daar?

(Gerd, een vijftienjarig meisje, loopt boven op den bergrug, haar schort vol steenen).

Gerd.

Ik raakte ’m! Há! (gooit weer).

Brand.

Kind, staak dat spel!

Gerd.

Daar zit hij waarlijk ongedeerd

Te wieglen op een dorren tak! (gooit weer en schreeuwt).

Daar komt hij weer, ellendig dier!

Help! Huuh! Hij slaat zijn klauwen uit!

Brand.

In ’s hemelsnaam …!

[137]

Gerd.

Stil! Wie ben jij?

Sta stil! Sta stil! Nu vliegt hij weg.

Brand.

Wie vliegt?

Gerd.

Zag je dien havik niet?

Brand.

Hier? Neen.

Gerd.

Dien woesten vogel niet?

Dien, met zijn kuif als uitgestreken,

En oogen rood en geel omrand!

Brand.

Waar ga je heen?

Gerd.

’k Ga naar de kerk.

Brand.

Dan kunnen wij wel samen gaan.

Gerd.

Wij samen? Neen, mijn weg gaat dáár. (wijst naar boven).

Brand (wijst naar beneden).

Maar dáár ligt toch de kerk?

Gerd (kijkt hem verachtelijk lachend aan en wijst naar beneden).

Die dáár?

Brand.

Ja zeker. Kom.

Gerd.

Daar is ’t benauwd!

Brand.

Benauwd? Waarom?

Gerd.

’t Is er zoo klein.

Brand.

Waar heb je een grootere gezien?

Gerd.

Een groot’re? O, die weet ik goed.

Vaarwel! (gaat de hoogte op).

Brand.

Ga je dáárheen ter kerk?

Dat leidt naar hoogen wilden top.

[138]

Gerd.

Ga met mij mee, dan zal je zien

Een kerk gebouwd van ijs en sneeuw!

Brand.

Van ijs en sneeuw! Nu weet ik ’t al!

Als jongen hoorde ik er van.

Daar tusschen steile toppen in

Moet er een ijsgrot zijn te vinden.

De ijskerk, meen ik, werd ’t genoemd.

Daarvan werd allerlei verteld;

De grond is een bevroren meer,

Het dak is van lawinesneeuw

Gespannen wijd, van wand tot wand,

Als een gewelf er over heen.

Gerd.

Ja, ’t ziet er uit als ijs en rots …

Mij goed … een kerk is het toch.

Brand.

Ga daar niet heen; één windstoot maar

Dan breekt de korst; ’t gewelf stort in;

Een kreet, een schot is al genoeg …

Gerd (zonder naar hem te luisteren).

Kom mee, een rendierkudde is

Daar afgegleden, komt pas vrij

In ’t voorjaar, met de groote dooi.

Brand.

Ga daar niet heen, daar dreigt gevaar!

Gerd (wijst naar beneden).

Ga daar niet heen; daar is ’t benauwd!

Brand.

God zij met je!

Gerd.

Ga liever mee!

Lawine en waterval zingt daar,

De wind preekt over ’t ijsveld luid,

Dat heet je wordt en dan weer koud.

En nooit komt er de havik in;

Hij strijkt neer op den Zwarten Top,…

Daar zit hij dan, dat galgenaas,

Als ’t haantje op de torenspits.

[139]

Brand.

Wild is je pad, en wild je ziel,…

Als klank van een gebarsten luit.

Wat slecht is blijft slecht, kort en goed,…

Kwaad kan in goed verkeeren soms.

Gerd.

Daar hoor ik weer zijn wiekgeruisch!

Nu ga ik weg en gauw naar huis!

Daar in die kerk ben ’k welbewaard …

Vaarwel! Daar komt hij, woedend weer!

Ga weg! Ik gooi met steenen, hoor!

Sla jij naar mij, dan sla ’k weerom! (vlucht den berg op).

Brand.

Dat was nu ook een kind der kerk.

In ’t dal,… of boven, wie doet ’t best?

Wie stuift vooruit met woeste vaart,

Wie zwerft het verst van huis en haard,…

Lichtzinnigheid met groen omkranst,

Die spelend langs den afgrond danst,

Of laksheid traag maar sukk’lend voort,

Omdat ’t nu eenmaal zoo behoort,…

Of dwaling wild en verregaand,

Dat zij het kwade goed haast waant?…

Welaan, ten strijd, ten bittren strijd,

Die Driebond zij ten dood gewijd!

Ik zie mijn roeping, schittrend, fier,

Als zonlicht vallend door een kier!

Ik ken mijn taak; die Driebond moet

Vernield, en ’t wereldwee geboet.

Als die ten grave is gebracht

Wijkt ’s werelds pest van dit geslacht!

Op ziel! Grijp ’t blanke zwaard! Met kracht

Ten strijd voor ’t hemelsch nageslacht!

(hij daalt af naar het dorp).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

[140]

[Inhoud]

TWEEDE BEDRIJF.

Beneden aan de door steile bergwanden ingesloten fjord. Op een kleine hoogte dicht bij de fjord, ligt het oude vervallen kerkje. Er komt een onweer op.

Volk, mannen, vrouwen en kinderen, gedeeltelijk op het strand, gedeeltelijk op de hoogten in groepen verzameld. De Baljuw zit op een steen in hun midden. Een klerk staat hem bij in het verdeelen van koren en levensmiddelen. Ejnar en Agnes staan iets verder weg, omringd door een troep menschen. Enkele booten liggen op het door de ebbe droog geloopen zand. Brand komt van den kerkheuvel aaf zonder door de menigte te worden opgemerkt.

Een Man (werkt zich door het gedrang heen).

Op zij!

Een Vrouw.

Ik kwam het eerst!

De Man (duwt haar op zij).

Ga weg!

(dringt vooruit naar den baljuw).

Kijk hier; geef gauw wat in mijn zak!

De Baljuw.

Geduld.

De Man.

Onmooglijk; ’k moet naar huis;

Daar snakken er wel vier of vijf!

De Baljuw (schertsend).

Weet je niet eens precies ’t getal?

De Man.

Eén lag te sterven toen ik ging.

[141]

De Baljuw.

Maar wacht. Sta jij wel op de lijst? (bladert in zijn papieren).

Neen;… ja, toch wel. Dat ’s je geluk. (tegen den klerk).

Geef nommer dertig eens zijn deel …

Ja, goede menschen, hebt geduld!

Nils Snemyr?

Een Man.

Ja!

De Baljuw.

Je krijgt van daag

Maar driekwart van wat je anders kreeg.

Er zijn er minder nu.

De Man.

Jawel,…

Juist gistren stierf mijn vrouw Ragnhild.

De Baljuw (noteert).

Een minder. Dat is altijd wàt. (tegen den man die weg gaat).

Maar ga nu niet zoo daadlijk weer

Een tweede huwlijk aan!

De Klerk (gichelt).

Hi, hi!

De Baljuw (scherp).

Waar lacht u om?

De Klerk.

Ik lach omdat

Mijnheer zoo grappig is van daag.

De Baljuw.

Zoo grappig is ’t hier anders niet;

Maar scherts verdrijft wel eens een traan.

Ejnar (komt met Agnes uit de menigte naar voren).

’k Heb al mijn zakken leeggemaakt.

Mijn beurs, mijn zakboek, alles leeg!

’k Kom als een bedelaar aan boord,

Geef mijn horloge maar als pand.

De Baljuw.

Ja, u kwam daar te goeder ure.

Wat ’k in kon zaamlen is niet veel;

Dat reikt niet ver, kan u wel denken,

Waar ’n leege hand, een mond halfvol,

Nog moeten afstaan van hun beetje

Aan wie er niets te bikken heeft.

[142]

(krijgt Brand in ’t oog en wijst naar hem).

Nog iemand! Welkom! Hoorde u al

Van hongersnood en overstrooming,

Maak dan uw beurs en randsel open.

Wij nemen gaarne alles aan.

De voorraad is haast uitgeput;…

Vijf vischjes maken nog geen maal

In deze armoed-woestenij.

Brand.

Tienduizend korven uitgedeeld

In naam eens afgods, baten niet.

De Baljuw.

Om woorden heb ’k u niet gevraagd.

Voor ’n leege maag zijn woorden steen.

Ejnar.

Je weet niet wat het volk hier leed

Zoo lang in bitt’ren hongersnood.

Een jaar vol rampen, Brand, en wee,

Er liggen dooden …

Brand.

’k Zie het wel;

Uit al die ingevallen oogen

Spreekt ’t straffend oordeel van omhoog.

De Baljuw.

En daarbij blijft u hard als steen!

Brand (treedt tusschen de menigte en zegt met nadruk).

Toen ’t leven kalm hier was en schraal,

En traag verliep met daagsch bezwaar,

Had ’k meelij met ’t gezwoeg om brood.

Wie op zijn knieën kruipen moet

Voelt ’t dier ontwaken in zijn ziel.

Vergaan de dagen dof en stil

Als ’n lijkstoet, langzaam, stap voor stap,

Gaat men licht denken: och, wij zijn

Uit ’t boek des Heeren uitgeschrapt.

Maar u betoonde hij zich juist goed,

U joeg hij doodsangst in het bloed,…

En geeselt u met vrees en schrik;

Wat hij u gaf, neemt hij terug …

Verscheidene Stemmen (vallen hem dreigend in de rede).

[143]

Hij spot met onzen angst en nood!

De Baljuw.

Hoont hij ons, die u gaven brood?

Brand (schudt het hoofd).

O, kon ’k met al mijn hartebloed

U laven als een levensbron,

Ik liet het vloeien als een stroom,

Tot droog en leeg was iedre aâr.

Maar zonde waar’ ’t te helpen hier!

God wil u heffen uit het slijk;…

Een waar volk,… zij ’t verspreid en zwak …

Put ook uit onheil merg en kracht;

De geest wordt helder, heft zich op,

’t Gesluierd oog wordt scherp van blik,

De slappe wil wordt sterk en flink,

Ziet de overwinning in ’t verschiet;

Maar baart de nood geen eedlen zin,

Is ook het volk zijn heil niet waard!

Een Vrouw.

Een onweer komt op over zee,

’t Is of zijn woord ’t heeft aangelokt!

Een Andere.

Hij tergt den Heer! Wat ik je zeg!

Brand.

Neen, uw God doet geen wondren meer!

De Vrouwen.

Kijk ’t weêr eens! Kijk!

Stemmen in de menigte.

Jaagt hem toch weg

Met steenen! Slaat hem dood, den beul!

(Het volk dringt dreigend op om Brand. De Baljuw treedt tusschen beiden. Een vrouw, verwilderd, met gescheurde kleeren, komt haastig van de hoogte af).

De Vrouw (roept tegen de menigte).

In Jezus naam, wie staat mij bij!

De Baljuw.

Wat is er? Zeg wat er aan scheelt …

De Vrouw.

Ik wil geen geld of brood nu meer!

Mij trof het allerergste lot!

De Baljuw.

Wat dan? Spreek toch! dan? Spreek toch!

[144]

De Vrouw.

Dat kan ik niet!

Waar vind ’k een priester?… Hulp en troost!

De Baljuw.

Hier is er geen …

De Vrouw.

Verloren, God!

O, dat ik nooit geboren waar’!

Brand (komt nader).

Een geestlijke is er mooglijk toch.

De Vrouw (grijpt zijn arm).

Laat hem dan komen, talm toch niet!

Brand.

Zeg wat je scheelt, dan komt hij wel.

De Vrouw.

Ginds over ’t water …

Brand.

Wel?

De Vrouw.

Mijn man …

Drie kindren hongrend … niets in huis,…

Zeg neen, zeg neen,… hij ’s niet verdoemd!

Brand.

Spreek eerst.

De Vrouw.

Mijn borst was leeg … verdroogd;

Ons hielp geen mensch, ons hielp geen God.

Het jongste worstlend met den dood …

Hij droeg ’t niet langer … sloeg het dood …!

Brand.

Sloeg ’t dood …!

Het Volk (ontzet).

Zijn kind!

De Vrouw.

Maar toen, terstond

Zag hij met afschuw op zijn daad!

’t Berouw steeg als een vloedgolf op;

En aan zich zelf sloeg hij de hand …

Kom, red zijn ziel, trots storm en stroom!

Hij kan niet leven, vreest den dood,

Met ’t lijkje in de armen ligt hij daar

En schreeuwt en roept den Booze aan!

[145]

Brand (stil).

Ja, dàt is erg.

Ejnar (bleek).

Hoe kàn ’t bestaan!

De Baljuw.

De man hoort niet tot mijn district.

Brand (kort tegen het volk).

Maakt los een boot en zet mij over!

Een Man.

Nu, in dit weer! Dat waagt geen mensch hier!

De Baljuw.

Een pad loopt om de fjord …

De Vrouw.

Neen, neen,…

Dat is nu niet begaanbaar meer;

Ik kwam er langs, maar ’t water sloeg

Vlak achter mij den vlonder weg!

Brand.

Maakt los de boot.

Een Man.

Het kan niet meer;

De vloed slaat over rots en strand!

Een tweede Man (wijst naar den anderen oever).

Daar komt al een stuk berg omlaag!

Vol stof en rook de heele fjord.

Een Derde.

’t Is noodweer, donderslag en storm,

De Proost zelf spreekt u vrij van plicht!

Brand.

Een zondaarsziel, den dood nabij,

Wacht niet op weer, of wind, of tij! (gaat naar beneden in de boot en haalt het zeil op).

Waag je de boot er aan?

De Eigenaar.

Jawel …

Brand.

Goed. Wie waagt nu zijn leven ook?

Een Man.

Ik ga niet mee.

Een Andere.

En ik ook niet.

[146]

Verscheidenen.

Je waagt je rechtstreeks in den dood!

Brand.

Och, jullie God helpt niemand voort;

Maar die van mij is mee aan boord!

De Vrouw (handenwringend).

Hij sterft in zonde!

Brand (roept uit de boot).

Eén enkel man,

Die ’t water uitschept, ’t zeil hanteert,

Is al genoeg. Kom, geef nog meer

Dan je al deedt, geef je eigen zelf!

Verscheidenen (terugwijkend).

Eisch zoo iets niet!

Een enkele (dreigend).

Kom uit de boot!

Dat is te érg den Heer verzoeken!

Verscheidene Stemmen.

’t Wordt erger nog!

Anderen.

De lijn knapt af!

Brand (klampt zich vast met de bootshaak en roept tegen de vreemde vrouw).

Goed; kom jij dan; maar kom dan gauw!

De Vrouw (terugwijkend).

Ik! Als geen een hier …!

Brand.

Laat hen staan!

De Vrouw.

Ik kan niet!

Brand.

Niet?

De Vrouw.

Mijn kindren thuis …

Brand (lacht).

Zand is de grond waarop je bouwt!

Agnes (keert zich met gloeiende wangen snel tot Ejnar, legt haar hand op zijn arm en zegt:)

O Ejnar, hoor je ’t?

Ejnar.

Hij is sterk!

[147]

Agnes.

Godlof! Dan ken je ook je plicht! (roept tegen Brand).

Kijk! Hier is iemand! Hij is ’t waard

Met u te gaan voor ’t heilig werk!

Brand.

Kom dan!

Ejnar (bleek).

Ik!

Agnes.

Ga! Ik geef je weg!

’k Was blind eerst, helder zie ik nu!

Ejnar.

Eer ’k jou ontmoette had ik graag

Mijzelf met hem ten dood gewijd …

Agnes (bevend).

Maar nu …?

Ejnar.

Is ’t leven te veel waard;…

Ik kàn nu niet!

Agnes (terugwijkend).

Wàt zeg je? Niet?

Ejnar.

Ik mag niet!

Agnes (met een kreet).

Door dat woord, o God!

Is tusschen ons met stormgeweld

Een woeste wereldzee ontstaan! (tegen Brand).

Ik kom bij u!

Brand.

Goed; ga dan mee!

De Vrouwen (ontsteld terwijl zij in de boot springt).

Help Jezus!

Ejnar (grijpt in wanhoop naar haar).

Agnes!

De heele menigte (komt toeloopen).

Halt! Terug!

Brand.

Waar ligt je huis?

De Vrouw (wijst).

Daar, heel aan ’t eind,…[148]

Ginds, hoog, achter die zwarte klip!

(De boot stoot van land).

Ejnar (schreeuwt haar achterna).

Denk aan je moeder, allen thuis!

O, red je!

Agnes.

God is mee aan boord!

(De boot zeilt uit. Het volk groepeert zich op de hoogten en kijkt haar na in groote spanning).

Een Man.

Hij klaart den hoek al!

Een Tweede.

Neen!

De Eerste.

Jawel!

Hij heeft ’m al achter zich aan lei!

De Tweede.

Een valwind! Ha, die pakt hen net!

De Baljuw.

Kijk! Die gaat strijken met zijn hoed!

Een Vrouw.

Als ravenzwarte vlerken slaan

Zijn natte haren in den wind!

De Eerste Man.

En alles kookt en dampt!

Ejnar.

Wat was

Die kreet, die door den storm heen sneed?

Een Vrouw.

’t Kwam van de bergen.

Een Tweede (wijst naar de hoogte).

Daar staat Gerd,

Zij lacht en juicht van boven af!

Eerste Vrouw.

Nu blaast zij op een bokkehoorn!

En gooit met steenen naar beneê!

Tweede Vrouw.

Daar gooit zij weer den hoorn weg

En toetert door haar holle hand!

Een Man.

Ja, blaas en schreeuw maar, wilde heks,

Die man weerstaat jouw kunsten wel!

[149]

Een Tweede.

Met hem aan ’t roer, durf ik voortaan

In erger weer wel mee te gaan.

De Eerste (tegen Ejnar).

Wat is hij?

Ejnar.

Geestlijke.

De Tweede.

Wat hij

Dan wezen mag,… hij is een man!

In hem steekt moed en kracht en trots.

De Eerste.

Dàt zou voor ons een leeraar zijn!

(Zij verspreiden zich over de hoogten).

De Baljuw (zoekt zijn boeken en papieren bij elkaar).

Onvormlijk is ’t in elk geval

Zich te bemoeien met die zaak,

En zonder noodzaak in te grijpen,

Zijn leven in gevaar te stellen,…

Ik doe waarachtig ook mijn plicht,…

Maar altijd binnen mijn district.

(af).


Buiten de hut op de hooge landtong. Het is helder dag. Het water ligt stil en blank.

Agnes zit beneden aan het strand. Even later komt Brand de deur uit.

Brand.

Hij is dood. Verlost van allen

Schrik en angsten voor het Oordeel,

Ligt hij nu met kalme trekken

Rustig en verlicht daar neer,

Hoe kan toch een ijle illusie

Nacht in zulk een dag herscheppen

Van zijn helsche misdaad zag hij

Enkel maar den buitenkant,…

Dat, wat uit te spreken is,…

Dat, wat handen kunnen grijpen,…[150]

Wat zijn naam een brandmerk opdrukt,…

Zijn vergrijp aan ’t doode kindje.

Maar de twee, die vol van angst

Starende met groote oogen,

Als ineengedoken vogels,

In den schoorsteenhoek gehurkt …

Enkel zagen hoe hij deed

Zonder te begrijpen wàt,…

Zij, wier ziel daar werd een vlek

Ingebrand, nooit uit te wisschen,

Die niet uitslijt door den tijd,

Ook al worden ze eenmaal grijsaards,…

Zij wier levensstroom moet vloeien

Uit die vreeslijke herinring,…

Die in schaduw van zijn wandaad

Moeten groeien, worden mensch,…

Nooit ’t afgrijselijk visioen

Uit hun hersens kunnen branden …

Aan die twee kon hij niet denken,…

Niet aan hen, wie hij zijn erfdeel,

’t Onheilvolle, achterliet …

En van hen gaan wellicht uit

Velen nog tot zonde en schuld …

Waarom? Ondoorgrondlijk woord:

Zij zijn kindren van zijn bloed!

Wat wordt uitgewischt in stilte?

Wat met zachte hand vereffend?

Waar begint toerekenbaarheid

Voor der oudren geestlijk erfdeel?

Welk een rechtsdag, welk een rechter,

Als eens komt de dag des Oordeels!

Wie zal richten, wie getuigen,

Waar een ieder schuldig is;

Wie durft daar vertoonen ’t oude

Uitgesleten document?

Wordt dàn ’t antwoord aangenomen:

Alle schuld ligt bij mijn vader?…

Duizelingwekkend donkre raadsels,

Niemand weet u op te lossen!

Maar de massa zonder denken,

Danst op ’t randje van den afgrond.

Alle zielen moesten beven,…[151]

Maar niet één uit duizend ziet er

Welk een berg van schuld zich ophoopt

Uit het kleine woordje: leven.

(Enkele mannen uit het volk komen van achter het huis te voorschijn en naderen Brand).

Een Man.

We ontmoeten hier elkaar dus weer.

Brand.

Hij heeft geen hulp van noode meer.

De Man.

Zelf is hij nu verlost, gered;

Maar binnen zitten er nog drie …

Brand.

En dan?

De Man.

Van ’t beetje dat ons zelf

Bedeeld werd, is hier wat voor hen …

Brand.

Gaf je alles ook,… maar niet je leven,

Zoo weet, dan heb je niets gegeven.

De Man.

Zoo hij die nu gestorven is,

Van daag gebrek geleden had,

Om hulp geroepen uit zijn boot,

Mijn leven had ’k voor hem gewaagd.

Brand.

Maar zielenood is dat niet waard?

De Man.

Wij zwoegen hard, bedenk dat wel.

Brand.

Keer dan je heele ziel maar af

Van zonneschijn en sterrenglans;

Kijk niet, als nu, met ’t linkeroog

Omhoog, terwijl je ’t rechter keert

Naar ’t slijk, waar met gebogen rug

Je ’t juk zelf op je schouders drukt.

De Man.

Ik dacht dat u ons raden zou

Ons te bevrijden van het juk.

Brand.

Ja, als ’t maar kon!

[152]

De Man.

’t Staat in uw macht.

Brand.

Ik zou …?

De Man.

Zoovelen spraken al

En toonden vroeger ons den weg;…

Zij wezen, maar u ging dien weg.

Brand.

Je meent dat …?

De Man.

Duizend woorden niet

Zooveel uitwerken als een daad.

Wij komen hier uit naam van ’t dorp;…

Wat ons ontbreekt is juist een man.

Brand (onrustig).

Wat wil je dan …?

De Man.

Kom hier bij ons

Als onze leeraar.

Brand.

Ik?

De Man.

U weet

Toch vast wel dat wij zonder zijn?

Brand.

O ja, ’t is waar …

De Man.

In vroeger tijd

Was ’t dorp hier groot, nu is het klein.

Ellende kwam met misgewas,

Door ziekten stierf èn volk èn vee,

En armoe sloeg er allen neer;

De nood zong iedre ziel in slaap.

Toen werd hier ’t eten schaarsch en duur …

En raakten we onzen leeraar kwijt!

Brand.

Vraag wat je wilt, alleen dit niet!

Een zware plicht rust er op mij.

Voor mij, des levens druk bewegen,

Voor mij, der wereld open ooren.[153]

Wat moet ik hier? Hier tusschen rotsen

Gekerkerd, heeft de stem geen macht.

De Man.

Waar ’t woord weerkaatst wordt door de rotsen

Klinkt zijn geluid nog langer na.

Brand.

Wie sluit zich op in donkre groeve

Waar ’t wijde land hem lokt en wenkt?

Wie gaat er zand en steen beploegen

Waar vruchtbaar land ligt voor de hand?

Wie wil van pitten vruchten oogsten,

Waar jonge boomen staan vol ooft?

Wie tobt zich af in daaglijksch zwoegen,

Waar ’t licht eens Zieners in hem gloort?

De Man (schudt het hoofd).

Uw daad begreep ik,… niet uw woord.

Brand.

Vraag mij niets meer! Aan boord, aan boord! (wil gaan).

De Man (treedt hem in den weg).

Is u het werk waarnaar u tracht,

De roeping die daarginds u wacht

Zoo dierbaar dan?

Brand.

Mijn leven zelf

Is mij dat werk!

De Man.

Blijf dan bij ons! (met nadruk).

Gaf je alles ook,… maar niet je leven,

Zoo weet, dan heb je niets gegeven.

Brand.

Iets is er dat men niet kan schenken;

Dat is zijn innigst eigen zelf.

Men mag den stroom niet binden, leiden,

Niet stuiten ’s geestes roepingsdrang,…

Die wil voort, naar de groote zee.

De Man.

Al loopt die dood in een moeras,…

Als dauw bereikt hij toch de zee.

Brand (kijkt hem scherp aan).

Wie leerde je aldus te spreken?

De Man.

Dat deed u zelf in ’t stormgebulder,[154]

Toen wild de zee sloeg over ’t land,

U, storm en zee trotseerend, ’t leven

Vertrouwde aan een dunne plank,

Voor ’n arme zondaarsziel in nood.

Toen heeft er meen’ge ziel getrild,

Dan koud, dan warm, als zon en wind;

Toen was ’t als wekkend klokgelui …

Misschien is ’t alles morgen weg;

Dan halen wij de feestvlag in,

Die u voor ons geheschen heeft.

Brand.

Waar kracht ontbreekt kan niets ontstaan. (hard).

Wie niet kan wezen wat hij moet,…

Zij dan in ernst maar wat hij kan;

Zij dan geheel man van deze aard’.

De Man (kijkt hem een oogenblik aan en zegt:)

Wee u, die weggaand, dooft het licht;

Wee ons, wien even ’t licht opging!

(Hij gaat weg; de anderen volgen hem zwijgend).

Brand (kijkt hen lang na).

Zwijgend, met gebogen nekken,

Gaat de stille troep naar huis.

Zwaar de hoofden, loom de voeten,

Sleepend moe en droef zich voort;

Ieder als belast met droefheid,

Loopt als met een roe bedreigd,

Loopt als aller menschen vader,

Eens verjaagd uit ’t Paradijs,…

Loopt, als hij, met schuldig voorhoofd,

Staart, als hij, in duisternis,…

Draagt, als hij, verworven kennis …

Van zijn blindheid het gemis;

Menschen wilde ik, overmoedig,

Scheppen nieuw en heel en rein;…

Dát … een beeld van schuldbewustheid,

Niet van God … heb ’k voortgebracht …

Weg naar wijder horizonnen,

Voor een held is hier geen ruimte!

(hij wil gaan, maar blijft staan als hij Agnes aan het strand ziet zitten).

Zie haar luisterend daar zitten,[155]

Of zij hoorde harpetonen.

Luistrend zat zij in de boot ook,

Toen die door de branding heensneed,…

Luistrend hield zij vastgeklampt zich,

Luistrend schudde zij het spattend

Zeeschuim van haar reine voorhoofd,

’t Is of zij niet met haar ooren

Maar met de oogen zit te luistren. (nadert haar).

Zijn het, meisje, soms de bochten

Van de fjord, die je oogen volgen …?

Agnes (zonder om te kijken)

Noch van ’t strand hier, noch van ’t water;

Aan mijn oog zijn beide onttrokken.

Maar een grootre wereld zie ik,

Klaarblank tegen ’t blauw zich koeplend.

Zeeën zie ik, breede stroomen,

Zonneschijn door nevel scheemrend;

Zie om wolkomfloersde toppen

Purpervlammen spelend lichten;

Zie een eindloos dorre vlakte,…

Hooge palmen buigen wuivend

Groene kruin in scherpe windvlaag,

Werpen donkre schaduw van zich.

Nergens leven … woest verlaten,

Als een wereld, nieuw, in wording;

En ’k hoor woorden luid-op klinken,

Ik hoor stemmen tot mij spreken:

’t Geldt je dood of je verlossing;…

Voer het uit wat ik je opdraag:

Deze wereld te doen leven!

Brand (meegesleept).

Zeg wat zie je méér nog!

Agnes (legt de handen op haar borst).

In mij

Voel ik krachten gistend dringen,

Voel ik bronnen bruisend zwellen,

Zie ’k een nieuwen dag aanbreken.

Als een wijde wereld breidt zich

Uit mijn hart, naar alle kanten,

En ’k hoor stemmen mij bevelen

Déze wereld te doen leven.

Al mijn denken dat zal worden,[156]

Iedre daad die ’k doen zal, leeft er,

Fluistert, ademt, blij ontwakend,

Of het barensuur voorbij was;

En ik voel, méer dan ik zie ginds,

Hem daarboven zich verheffen,

Liefdevol met diepe smart;

Licht en zacht als ’t ochtendblozen,

En bedroefd tot in den dood toch;

En ’k hoor woorden luid-op klinken:

Scheppen moet je en zelf herleven;

’t Geldt je dood of je verlossing …

Voer het uit, wat ik je opdraag!

Brand.

In je, in je! Ja dàt is het!

Dáárheen wijst het. Dat ’s de richting,

’t Eigen hart,… dàt is de wereld,

Die, herboren, rijp voor God is;

Waar des willens gier moet sterven,

Nieuwe Adam ’t licht aanschouwt.

Laat de wereld dan haar gang gaan,

Onder zwoegen of gezang;…

Maar als wij in botsing komen …

Als mijn arbeid zij bedreigt,…

Dan, bij God, dan sla ik toe!

Plaats op heel de wijde aarde

Om geheel zich zelf te zijn,…

Dat mag ieder mensch toch eischen,

En ik vraag geen ander recht!

(denkt een oogenblik na en zegt dan:)

Om geheel zich zelf te zijn!…

Maar zijn erflijke belasting? (staat op en kijkt uit).

Wie is zij die ginder aankomt

Stromplend over ruige hoogten,

Krom en stram, het hoofd gebogen?

Even blijft zij hijgend staan,

Steunt zich om niet òm te vallen,

Grijpt er met de schrale vingers

Haastig in haar diepe zakken,

Of een schat zij bij zich draagt.

Om haar mager, dor gebeente

Slingert slap, als veeren, ’t kleed;

Krom als klauwen zijn haar handen;[157]

Lijkt een arend, vastgespijkerd,

Hangend aan een voorraadschuur.

(plotseling angstig).

Welk een ijskoû van herinring,

Welk een sfeer van ’t droef verleden

Trilt verkillend om die vrouw daar,…

Trilt verkillender nog in mij …?

Groote God! Het is mijn moeder!

Brands Moeder (komt naar boven, blijft op den berg staan, half zichtbaar, houdt de handen beschuttend voor de oogen en kijkt rond).

Hier moet hij wezen. (komt nader). Hè, dat zonlicht!

De duivel haal ’t … ’t maakt mij half blind.

Zoon, ben jij daar?

Brand.

Ja.

De Moeder (knipt met de oogen).

Huuh, die zon,

Die brandt en steekt de oogen uit;

Je kunt geen mensch meer onderscheiden.

Brand.

Toen ’k thuis was zag ik nooit de zon,

Van ’t najaar tot de koekoek riep.

De Moeder (lacht stil).

Neen, daar is ’t goed. Daar vriest het lekker,

Een ijsklomp wordt je er zelf bijkans;

Dat maakt je sterk, en wàt je ook durft

Dat doe je en vindt dat ’t ook wel mag.

Brand.

Gegroet. Vaarwel. Mijn tijd is kort.

De Moeder.

Ja, jij bent altijd kort geweest.

Als jongen liep je hier van daan …

Brand.

Dat ’k weg ging dunkte u ook het best.

De Moeder.

Ja, ’t was wat anders toen of nu;

’t Was noodig dat je priester werdt.

(bekijkt hem nauwkeuriger).

Nu, hij ’s groot en sterk opgegroeid.

Maar ’k bid je, let nu op mijn woord,…

Pas op je leven!

[158]

Brand.

Anders niet?

De Moeder.

Je leven, ja? Wat dan nog meer?

Brand.

Ik meen: is u voor dezen raad

Alleen gekomen?

De Moeder.

Weet je er meer,

Zoo volg ze. Maar bewaar je leven

Voor mij; ik heb ’t je toch gegeven. (boos).

’t Is wijd bekend wat je gedaan hebt;

En ’t heeft dood-angstig mij gemaakt.

Op zee van daag! Roekloos te wagen

Wat jij voor mij bewaren moest.

Jij bent van ons geslacht de laatste.

Jij bent mijn zoon, mijn vleesch en bloed.

Jij bent de sluitsteen van ’t gebouw,

Dat ’k stuk voor stuk heb opgetrokken.

Sta vast, wees sterk; hoû vast aan ’t leven

Bewaar het goed! Vergeet je niet!

’t Is voor een erve plicht te leven,…

En jij zult eens de mijne zijn …

Brand.

Zoo? Moest u daarvoor hierheen komen,

En mij met volle zakken lokken?

De Moeder.

Zoon, ben je dol! (wijkt terug).

Blijf waar je bent!

Kom niet hierheen! ’k Sla met mijn stok! (kalmer).

Wat wou je daarmee zeggen?… Hoor!

’k Word oud, en ouder ieder jaar;

Dat is per slot de weg naar ’t graf;

Dan krijg jij al wat ik bezit;

Het ligt geteld en afgewogen …

Ik heb niets bij mij!… Thuis ligt alles

Wat ’k heb. En heel veel is het niet;

Maar wie het krijgt is toch geen beedlaar …

Blijf waar je bent! Kom niet hierheen!…

’k Beloof je dat ’k niets zal verstoppen

In spleten, of begraven zal

Op plekken die er niemand kent,…[159]

Of tusschen steenen, onder vloeren,

In muren, iets verbergen zal …

Jij erft, mijn zoon, geheel alleen,

Het heele erfgoed, zonder deelen

Brand.

Op welke voorwaarde?

De Moeder.

Op ééne,

Verspil niet roekeloos je leven,

Dat ’t goed kan gaan van zoon op zoon;

Ik eisch er voor geen ander loon.

En zorg er voor dat niets verkwist wordt;…

En niets verdeeld of losgemaakt wordt;…

Vermeerder je bezit of niet;

Maar waak er over, jaar op jaar!

Brand (na een korte pauze).

Eén ding wou ’k opgehelderd zien;

Van jongs af was ’k met u in strijd;…

Gij waart geen moeder, ik geen zoon,

Tot dat u oud was en ik man.

De Moeder.

Ik vraag van jou geen liefgedoe.

Wees wat je wilt; het deert mij niet,

Wees hard, wees ruw, zoo koud als ijs;…

Het raakt mijn koude kleeren niet;

Hoû maar alleen je erfdeel vast …

Als dat maar blijft in ons geslacht!

Brand (komt een stap naderbij).

En als ’k integendeel van plan was

’t In alle winden uit te strooien?

De Moeder (tuimelt achteruit).

Dat wat mij menig zwoegend jaar

Den rug kromde en vergrijsde ’t haar!

Brand (knikt langzaam).

Uitstrooien, ja.

De Moeder.

Dan strooi je ook

Mijn ziel in alle winden uit!

Brand.

En als ik het nu toch eens doe?

Als ’k bij uw bed eens ’s avonds sta,

En kaarsen om uw doodsbed branden,[160]

Als u, met ’t psalmboek in de handen,

Den eersten nacht uw doodsslaap slaapt,…

Als ’k dan ga grabb’len, snuflen, zoeken,

En voor den dag haal heel den schat,…

Als ’k dan den brand er eens in steek …?

De Moeder (komt in spanning naderbij).

Hoe kom je aan die gedachte, zeg?

Brand.

Hoe? Zal ik ’t zeggen?

De Moeder.

Ja! Zeg op!

Brand.

Door wat me als kind eens overkwam,

En ’k nooit daarna vergeten kon;

Dat in mijn ziel drong en er bleef

Als de ijzeren pijlpunt in een wond.

’t Was herfst en avond. Vader dood.

U ziek. Ik sloop naar binnen stil,

Waar hij lag, bleek, bij kaarsenschijn.

Ik stond en staarde uit een hoek

Naar hem, met ’t psalmboek in de hand;

Het vreemdste vond ik ’t diepe slapen,

En zijn zoo dun geworden polsen;

En ’k rook den geur der kille lijkwâ;…

Toen hoorde ik loopen op ’t portaal,…

Een vrouw kwam binnen, zag mij niet,…

Liep rechtstreeks op het doodsbed toe.

En grabb’lend ging zij toen aan ’t zoeken;…

Eerst opgelicht ’t hoofd van den doode,

Daar kwamen pakken onderuit,…

Zij telde, fluistrend: meer toch, meer!

Toen groef zij uit de beddekussens

Een pak, met touwen dichtgebonden.

Zij scheurde, trok, met woeste rukken,

Beet met haar tanden ’t touw aan stukken.

Toen groef zij weer. Zij vond nog meer,…

Doch telde fluistrend: meer toch, meer!

Zij schreide, klaagde, vloekte, bad,

Steeds zoekend naar een spoor van meer …!

En vond ze iets,… met een jubelkreet

Schoot ze als een valk los op haar prooi.[161]

Op ’t laatst was iedre schuilhoek leeg.

Als een verdoemde sloop zij heen,

Haar schat geborgen in haar schort.

En steunend zacht: dàt ’s alles dus!

De Moeder.

Groot was mijn vordring, schraal mijn vondst,

En die had ’k meer dan duur betaald.

Brand.

Toch kwam ’t u duurder nog te staan,

Mijn kinderhart ontstal het u.

De Moeder.

Nu ja. Zoo is van ouds ’t gebruik.

Men koopt zijn goed met ziel en bloed.

’k Betaalde een hoogen prijs terstond;

Mijn jonge leven zette ik in.

Ik gaf iets dat nu is verwelkt …

Iets vluchtigs, dunkt me, als zonneschijn,…

Onnoozel ook, maar toch zoo mooi;…

Ik gaf wat ’k nauwlijks nu meer weet,…

’k Geloof dat het liefde werd genoemd …

Ik weet ’t nog goed. Mijn strijd was zwaar;

En ’k weet ook goed nog vaders raad:

Vergeet dien jongen; neem den andren,

Wat deert ’t al is de vent wat oud;

De kerel heeft een goed stel hersens,

Verdubb’len kan hij zijn bezit!…

Ik nam hem, maar kreeg stank voor dank.

Zoo ver heeft hij het nooit gebracht.

Maar ik heb jaren lang gezwoegd,

Zoodat ’t er nu wel bijna is.

Brand.

Bedenkt gij ook, zoo dicht bij ’t graf

Dat gij uw ziel daarbij verkocht?

De Moeder.

Dat ’k dàt bedacht blijkt uit het feit

Dat ik jou priester worden liet.

Als de ure komt, zorg voor mijn heil,

In dank voor wat ik achterlaat.

Mijn is het zuur verdiende goed,

En jij hebt macht en ’t troostend woord.

Brand.

Hoe wijs ook, hebt ge u toch vergist,[162]

Gij zaagt mij nog als eertijds thuis.

Met ouderliefde van die soort

Gaan velen met hun kindren om.

Zij zien in ’t kind maar een beheerder

Van al hun nagelaten rommel.

Een bleeke straal van de eeuwigheid

Gaat langs hun denken nu en dan.

Daar grijpen zij dan naar en denken

Dat zij hem al te pakken hebben;

Dat dood en leven dan vereend zijn

Als ’t erfgoed in ’t geslacht bewaard blijft,

En de eeuwigheid, als som, hun deel wordt

Van de opgelegde reeksen jaren.

De Moeder.

Vorsch niet naar wat je moeder denkt,

Maar neem op tijd je erfgoed aan.

Brand.

En dan de schuld?

De Moeder.

Schuld? Welke schuld?

Er is geen schuld.

Brand.

Nu goed; maar als

Er schuld was,… moest ’k die overnemen

En alles afdoen, en vereff’nen.

Een zoon moet op zijn moeders graf

Aan alle vordringen voldoen;

Waar’ ’t huis ook leeg als ik ’t betrok,…

Toch erfde ik uw schuldenboek.

De Moeder.

Dat eischt geen enkle wet.

Brand.

Niet een

Geschreven wet met pen en inkt;

Maar in elk eerlijk kinderhart

Staan andre wetten ingegrift,…

En aan die wetten zal ’k voldoen.

Verblinde vrouw, o leer toch zien!

Gods tempel hebt ge in u vernederd,

Uw zieleleen hebt gij verdaan.

Het aardsche beeld, dat hij u schonk,

Met slijk en schimmel oversmeurd;[163]

De geest, die eenmaal was gevleugeld,

Hebt gij gekortwiekt in ’t gedrang.

Dàt is uw schuld. Waar wilt gij heen,

Als God de Heer het zijne opeischt?

De Moeder (schuw).

Waarheen ik wil? Waarheen?

Brand.

Vrees niet;

Uw zoon neemt al uw schuld op zich.

Gods beeltenis, die gij vertrapt hebt,

Zal in mij, klaar, verreind, verrijzen!

Ga kalm maar rusten bij de dooden,

Mijn moeder zal met schuld niet slapen;…

Ik delg de schuld.

De Moeder.

Mijn schuld en zonden?

Brand.

Uw schuld alléén. Let op mijn woord.

Uw zieleschuld zal ’k op mij nemen;

Maar voor uw zonden komt gij op.

’t Bedrag van ’t menschelijke Wezen,

Dat onderging in ’t aardsche sloven,

Kan door eens andren goeden wil

Volledig worden afbetaald;

Maar dàt het onderging is zonde;

Alleen berouw helpt daar … of sterven!

De Moeder (onrustig).

Het beste ben ik toch maar thuis

In schaduw van mijn gletscherdak;

Hier in dien zwoelen zonneschijn

Ontkiemen giftige gedachten,

Wier geur een mensch al duiz’lig maakt.

Brand.

Zoek maar de schaduw; ga naar huis.

En voelt ge uw laatste ure komen,

En wilt ge dat ’k u licht zal brengen,

Zend dan om mij, en ik zal komen.

De Moeder.

Ja, jij, met je verdoemingswoorden!

Brand.

Neen, warm als zoon, als priester zacht,

Weer ’k schrik en angsten van u af.[164]

En aan uw sponde, met gezang,

Doof ik den koortsgloed in uw bloed!

De Moeder.

Beloof je mij dat op je woord?

Brand.

Ik kom in de ure van berouw.

(dichter bij haar).

Maar ook één voorwaarde heb ik.

Van wat u nog aan de aarde bindt,

Moet gij vrijwillig afstand doen,

En zonder iets ten grave gaan.

De Moeder (slaat wild naar hem).

Gebied den gloed van ’t vuur te scheiden,

De sneeuw van vorst, van water vocht!

Brand.

Gooi in de fjord al uw bezitting,

En bid dat God die daad moog’ zeegnen.

De Moeder.

Eisch wat je wilt; eisch honger, dorst,…

Maar niet wat ’t allerzwaarste weegt!

Brand.

Wordt ’t zwaarste offer niet gebracht

Dan baat ook ’t mindre iemand niet.

De Moeder.

’k Geef zilver in het offerblok!

Brand.

Alles?

De Moeder.

Is veel dan niet genoeg.

Brand.

Voor u geen andre boete dan

Als Job te sterven, arm en naakt.

De Moeder (handenwringend).

Mijn tijd verspild, mijn ziel verdoemd,

Mijn geld en goed weldra verstrooid!

Naar huis dan, en aan ’t hart gedrukt

Al wat nù nog mijn eigen is!

Mijn goed, mijn smartekind, mijn goed,…

Voor jou reet ik mijn borst aan bloed;…

Naar huis nu, waar ’k met moederklacht

Bij ’t zieke kindje houd de wacht.

Waarom werd ik in ’t vleesch geboren[165]

Als gaat, door ’t vleesch mijn ziel verloren?…

Blijf in mijn buurt, zoon! ’k weet nog niet

Wat ’k doen zal als mijn ure komt.

Moet ’k bij mijn leven ’t àl verliezen,…

Dan wil ’k toch tot het laatste wachten, (af).

Brand (kijkt haar na).

Ja, je zoon zal bij je blijven,

Wachten op het boete uur,

Zal verwarmen je oude, koude

Hand, als zij wordt uitgestrekt.

(gaat naar Agnes toe).

De avond lijkt niet op den morgen,

Toen was heel mijn ziel vol strijdlust,

Verweg hoorde ik krijgsgezangen,

’t Zwaard des toorns wilde ik zwaaien,

Leugens dooden, ’t kwaad verstikken,

Ja, verpletteren heel de wereld!

Agnes (heeft zich omgekeerd en kijkt hem aan met helderen blik).

’t Ochtenduur was bleek voor mij

Toen ik leugen wilde en spel;

Wilde winnen, wilde scheppen,

Wat gewin was te verliezen!

Brand.

Hooge droomen, mooie droomen,

Vlogen aan als wilde zwanen,

Hieven mij op breede wieken.

Verweg zag ’k mijn levensbanen,

Als der menschen schuldbedwinger

In het drukke wereldwoelen.

Zag processies’ vrome pracht,

Hymnen, wierook, zijden vanen,

Gouden schalen, zegezangen,

’t Juublend roepen van zoo velen,

Schittrend om mijn levenstaak.

Alles lag zoo lokkend, rijk;…

Doch het was maar een visioen,

Maar een lichtend vergezicht,

Half in zon- en weerlichtschijn …

En nu sta ’k waar de avond neerdaalt

Lang vóór nog de dag ten eind is,…[166]

Tusschen hoogen berg en fjord,

Afgesloten van de wereld,

Met een enkel streepje hemel,…

Maar ’k sta op geboortegrond.

’t Zondagslied is uitgezongen;

Afgezadeld wordt mijn strijdros;

Doch ik zie een hooger doel,

Dan een kamp met ’t ridderzwaard,…

Slovend dagwerk, daagsche plicht

Word’ tot Zondagswerk geadeld

Agnes.

En die God die vallen moest?

Brand.

Vallen zal hij even goed,…

Maar nu heimlijk, stil verborgen,

Niet in ’t openbaar voor allen.

Duidlijk zie ’k nu dat ik dwaalde,

Toen ’k langs dien weg heil verwachtte.

Geen luidruchtig, machtig handlen

Brengt het menschdom tot bekeering.

Eigenschappen, rijk, te ontwikk’len

Baat niet voor zijn zielekwalen.

’t Is de wil hier die het doen moet!

Willen doodt of kan bevrijden,

Willen, gansch, in alle dingen,

In het zware, als in het lichte …

(keert zich om naar den kant van het dorp, waarover de avondschaduwen al beginnen te vallen).

Komt dan mannen, moeizaam schrijdend

Door de donkre enge dalen;…

Nauw vereend in samenwerking

Laat ons ’t loutringswerk beproeven,

Halfheid neerslaan, leugen smoren,

Jongen, sterken wil opwekken!

Slaat de hand aan hak of zwaard,

Beide is eervol, mannen waard;

Eén is ’t doel,… wij moeten worden

Taaf’len, waarop God kan schrijven.

(Wil weggaan. Ejnar komt hem tegen).

Ejnar.

Wacht, en geef wéér wat je nam!

[167]

Brand.

Meen je haar? Daarginder zit zij.

Ejnar (tegen Agnes).

Kies nu tusschen lichte ruimten

Of dit somber droefheidsoord!

Agnes.

’k Heb geen keuze meer te doen.

Ejnar.

Agnes, Agnes, luister toch!

Denk wat ’t oude spreekwoord zegt:

Licht te heffen, zwaar te dragen.

Agnes.

Al je lokken kan niet baten;

Dragen moet ik tot het einde.

Ejnar.

Denk aan allen die je liefhebt!

Agnes.

Groet mijn moeder, allen thuis;

’k Schrijf zoodra ik woorden vind.

Ejnar.

Buiten op de blanke waat’ren

Zeilen vlugge schepen uit;…

Als verlangens, droomgedachten,

Jagen, vlieden hooge stevens,

Schuimbesprenkeld, om te landen,

Verweg, in een sprookjesland!

Agnes.

Zeil naar ’t Westen of naar ’t Oosten;…

Denk aan mij als waar ’k begraven.

Ejnar.

Agnes, ga mee als mijn zuster!

Agnes (schudt het hoofd).

Tusschen ons zijn wereldzeeën.

Ejnar.

Naar je moeder dan … naar huis!

Agnes (stil).

Weg van leeraar, broer en vriend …?

Brand (komt een stap nader).

Jonge vrouw, bedenk je wel.

Tusschen bergen ingeklemd,

Onder schaduwdak van rotsen,

In der spleten halfnacht-duister,[168]

Zal mijn leven voortaan wezen

Als een sombre winterdag.

Agnes.

’t Duister angstigt mij niet langer,

Sterren breken door de wolken.

Brand.

Weet dat ’k streng ben in mijn eischen,

Alles vorder ik of niets.

Als je afwijkt van den weg,

Is je leven als verong’lukt.

Hoop niet mij iets af te dwingen,

Geen toegeeflijkheid voor zonde;…

Kan het leven niet volstaan,

Moet je ook dàt vrijwillig off’ren!

Ejnar.

O, ontvlucht dat wilde spel!

Vlied den man dier sombre leer,

Leef zooals je leven kunt!

Brand.

Kies;… je staat nu op het kruispunt. (af).

Ejnar.

Kies nu tusschen storm of stilte!

Gaan of blijven is de keus.

Kies nu tusschen vrede en zorgen,

Kies nu tusschen nacht en morgen,

Dood of leven zij je keus!

Agnes (staat op en zegt langzaam).

In den nacht. En door den dood …

Ginds ver schemert morgenrood.

(Zij volgt den weg dien Brand ging).

(Ejnar kijkt haar een oogenblik als verloren na, buigt dan het hoofd en gaat den weg die naar de fjord voert weer af).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

DERDE BEDRIJF.
Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.

Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.

Agnes.

Mijn lieve man, alweder dwaalt

Je oog zoo angstig naar de fjord …

Brand.

Ik wacht bericht.

Agnes.

Je bent onrustig!

Brand.

Van moeder wacht ik steeds bericht.

Drie jaar heb ik nu al vertrouwend

Bericht gewacht, dat nooit nog kwam.

En morgen zoo werd mij gezegd,

Is mooglijk wel haar uur geslagen.

Agnes (zacht en liefdevol).

Je moest maar op geen boodschap wachten.

Brand (hoofdschuddend).

Berouwt zij hare zonden niet

Dan heb ik ook geen woord van troost.

Agnes.

Zij is je moeder.

Brand.

En zou ik daarom

In haar afgoderij aankweeken?

[170]

Agnes.

Brand, je bent hard!

Brand.

Voor jou?

Agnes.

O, neen!

Brand.

’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.

Agnes (glimlacht).

Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.

Brand.

Jawel, het is hier scherp en koud;

Je wangen worden smal en bleek;

Je bent te teer voor dit klimaat.

Niets kan gedijen om ons huis,

Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.

Agnes.

Zooveel te veil’ger ligt het hier.

Zóó ver reikt al de gletscher nu

Dat hij in ’t voorjaar, voortgestuwd

Naar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,

En ongedeerd ons huis blijft staan,

Als in een welvend waterhol.

Brand.

En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.

Agnes.

Dat danst daar toch zoo warm en blij

En tintlend op den bergrug ginds.

Brand.

Drie weken, ja … als ’t zomer is,…

Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.

Agnes (kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)

Er is iets dat je angstig maakt!

Brand.

Neen, jou!

Agnes.

Neen jou!

Brand.

Je hebt een angst,

’n Geheimen angst.

[171]

Agnes.

En jij ook, Brand!

Brand.

Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!

Spreek toch! Wat is ’t?

Agnes.

Ik beef somtijds … (houdt op).

Brand.

Je beeft! Voor wie dan wel?

Agnes.

Voor Alf.

Brand.

Voor Alf?

Agnes.

Brand, jij ook!

Brand.

Somtijds, ja!

Maar neen, dat doet God ons niet aan!

God is toch goed! Mijn kleine vent

Groeit sterk en flink er wel doorheen.

Waar is hij nu?

Agnes.

Hij slaapt.

Brand (kijkt naar binnen).

Och, kijk,

Hij droomt niet van ellende en smart;

Zijn handje is mollig, dik en rond.

Agnes.

Maar bleek.

Brand.

Ja, bleek; maar dat gaat over.

Agnes.

Wat ligt hij rustig nu te slapen.

Brand.

God zegen je! Slaap je gezond!

(sluit de deur).

Met jou en hem, kwam vrede en licht,

Verlichtend al mijn daaglijksch werk.

Wat moeilijk was, elk droevig uur,

Werd met je beiden licht en blij.

Bij jou ontviel mij nooit de moed,

En kracht gaf mij zijn kinderspel.[172]

Als martlaar nam ’k mijn roeping op,

Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,

Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …

Agnes.

Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,

Je hebt gestreden en ontbeerd,

Geduld, geleden, je afgetobd;

’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …

Brand.

’t Is zoo … maar alles leek mij licht;

Met jou trok hier de liefde binnen,

Als warme voorjaars-zonneschijn.

Die had ik nooit nog leeren kennen,

Noch vader gaf mij die, noch moeder.

Liefst doofden zij het enkle sprankje

Dat nu en dan uit de asch opglom.

Het was of al de schat van warmte,

Die ’k stil verborgen in mij droeg,

Was opgespaard tot glorieschijn,

Om hem en jou, mijn lieve vrouw!

Agnes.

Niet om ons beide alleen … om allen

Die nu tot de onzen hier behooren;

Wie droevig is, in nood verkeert,

Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,

Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,

Door wat hun biedt je rijke ziel.

Brand.

Maar toch door jou en hem. Den geest

Van goedheid, zachtheid, bracht je mij.

Geen ziel kan allen liefde geven,

Die niet één enkle liefhad eerst;

’k Moest zóó lang smachten en ontberen,

Dat heel mijn hart werd als een steen …

Agnes.

En nòg … je liefde is nog niet zacht;

Je liefkoozing wordt vaak een slag.

Brand.

Voor jou ook, Agnes?

Agnes.

Neen, mijn liefste;

Licht was wat jij mij gaf te dragen;…[173]

Maar menigeen, verliet je al,

Om ’t: niets of alles, dat je eischt!

Brand.

Wat er zoo liefde wordt genoemd,

Dat wil ik niet en ken ik niet.

Gods liefde ken ik maar alleen,

En die is zoomin week als zacht;

Die is als doodsverschrikking hard,

En als die liefkoost wordt ’t een slag.

Welk antwoord gaf God in den hof,

Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:

Neem weg dien drinkbeker, mijn God!

Ontnam hij hem dien smartkelk toen?

Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.

Agnes.

Ach, met zulk een maat gemeten

Kan geen enkle ziel bestaan.

Brand.

Geen mensch weet wien verdoemnis treft.

Toch staat in vlammend schrift geschreven:

Wees trouw tot de allerlaatste proef,

Geen halfheid wint de levenskroon!

’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,

De vuurproef zelf moet gij doorstaan.

Dat gij ’t niet kunt wordt u vergeven,

Maar nimmermeer dat gij niet wilt.

Agnes.

Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.

O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;

O, leid mij naar je hooge sferen;

Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.

Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,

En moe en aardtraag sleept mijn voet.

Brand.

Kijk, Agnes, voor een ieder geldt

De eisch: geen halfheid laf en slap!

Veroordeeld is àl wat je doet

Als ’t half maar is, of voor den schijn.

Tot wet moet deze leer je worden:

Met woorden niet, maar met het leven.

Agnes (valt hem om den hals).

Waar jij gaat, volg ik op den voet![174]

Voor twee is er geen rots te steil.

(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).

De Dokter.

Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekken

Op deze woeste, grauwe rotsen?

Agnes.

Mijn oude dokter, is u hier?

O, kom toch binnen!

(loopt naar beneden en opent het hek).

De Dokter.

Neen, dàt niet!

Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!

Gaan wonen hier, op zulk een plek,

Waar sneeuw en ijs en winterstorm

Een mensch door ziel en lichaam snijdt …

Brand.

Niet door de ziel.

De Dokter.

Zoo, niet? Och kom!

’t Is waar, het ziet er haast naar uit,

’t Lijkt waarlijk of je snel verbond

Op hechten, vasten grondslag rust;

Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,

Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.

Agnes.

Een zonnekus, een klokkenklank

Kan wekken soms een zomerdag.

De Dokter.

Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.

Brand.

Mijn moeder?

De Dokter.

Ja. Gaat u soms mee?

Brand.

Nu niet.

De Dokter.

Was u er al?

Brand.

Nog niet.

De Dokter.

U is wel hard. Door wind en sneeuw[175]

Kwam ik over den berg gezwoegd,

Ofschoon ik weet dat er van haar

Geen hongerloontje overschiet.

Brand.

God zeegne uw kennis en uw vlijt.

Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.

De Dokter.

Gods zegen op mijn wil; ik kwam

Zoodra ’k in nood geroepen werd.

Brand.

Zij zond om u; maar niet om mij;…

Ik wacht, en wacht in zieleangst.

De Dokter.

Wacht langer niet!

Brand.

Vóór ze om mij zendt

Heb ik daar ginder niets te doen.

De Dokter (tegen Agnes).

Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwd

Aan zulker harde handen macht!

Brand.

Ik bèn niet hard.

Agnes.

Hij gaf zijn bloed

Als ’t voor haar ziel vergifnis bracht!

Brand.

’k Nam als haar zoon en erfgenaam

Vrijwillig al haar schulden op mij.

De Dokter.

Delg uw eigen schuld!

Brand.

Voor God kan

Wel één de schuld van velen delgen.

De Dokter.

Maar niet door één, die zelf een beedlaar,

Tot over de ooren steekt in schulden.

Brand.

Of rijk, of beedlaar;… ’k wil geheel,…

En meer dan dàt behoeft er niet!

De Dokter (kijkt hem strak aan).

Ja, van uw wil het quantum satis

Staat mooi en duidlijk wel geboekt,…[176]

Maar, Brand, uw conto caritatis

Dat is een onbeschreven blad. (af).

Brand (volgt hem een oogenblik met de oogen).

Geen woord werd ooit zoo neergesleurd

In leugens, als men ’t liefde doet;…

Dat leggen zij met Satanslist

Als sluier over slappen wil;

Bedrieglijk dekken zij daarmee

Hun wuft en ijdel levensspel;

Is smal het pad en glad en steil,

In liefde wordt u dat verkort;

Gaat men den breeden zonde-weg

Blijft hoop op liefde toch bestaan,…

Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …

Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;

En dwaalt gij, beter wetend toch,…

In liefde vindt ge een toevluchtsoord!

Agnes.

Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moet

Mij vaak afvragen: is het zoo?

Brand.

Eén ding vergeet je; eerst de wil

Voldoet den dorst der wet naar recht.

Eerst willen moet je, niet alleen

Wat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,

Niet enkel waar er aan de daad

Veel moeite vast is en bezwaar,…

Neen, willen moet men sterk en blij,

Door allen schrik en angsten heen.

Niet dàt is martlaarschap, in pijn

Aan ’t kruishout stervend te vergaan,

Maar ’t willen van dien dood aan ’t kruis,

Te willen al dien angst en nood,

Te willen al die zielepijn,

Dat eerst brengt je verlossing aan.

Agnes (vlijt zich dicht tegen hem aan).

Komt eens voor ons de zware proef,…

O spreek dàn, jij, mijn sterke man!

Brand.

Na zulk een zege van den wil[177]

Komt dan der liefde heerlijkheid,

Dan daalt zij neer als witte duif

Met een olijftak, levensboô.

Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,

Is de allerbeste liefde haat! (verschrikt).

Haat! Haat! Een wereldstrijd te willen

Ligt in dit ééne korte woordje!

(gaat haastig het huis binnen).

Agnes (kijkt door de open deur).

Nu knielt hij bij zijn kleinen vent

En wiegelt ’t hoofd als schreide hij;

Hij drukt zich tegen ’t bedje aan

Als iemand die geen uitkomst weet …

O, wat een schat van liefde woont

Er in die sterke manneziel!

Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kind

Is nog door zonde niet besmet. (ontzet opspringend).

Op springt hij … wringt de handen … O!

Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!

Brand (buiten op de trap).

Kwam niemand nog?

Agnes.

Neen, nog geen mensch.

Brand (kijkt achterom in het huis).

Zijn huid is gloeiend heet en droog;

Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!

Niet bang zijn, kind!

Agnes.

O, die gedachten!

Brand.

Neen, vrees maar niets … (roept over den weg).

Daar zie ik iemand!

Een Man (door het tuinhek).

Nu moet u komen!

Brand.

Daadlijk, ja!

Wat is je boodschap?

De Man.

’k Weet niet recht;

Zij zat in bed op, boog voorover

En zei: ga nu den priester halen;

Mijn half bezit is voor de kerk

[178]

Brand (terugwijkend).

De helft maar! Neen! Zeg neen!

De Man (hoofdschuddend).

Dan zou

’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.

Brand.

De helft! De helft! ’t Moest alles zijn!

De Man.

Dat kan wel zijn; maar luid en klaar

Zei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.

Brand (grijpt zijn arm).

Durf je op den Oordeelsdag getuigen

Voor God, dat zij die woorden zei?

De Man.

Ja.

Brand (vast).

Ga, en breng dit antwoord over,…

Geen priester komt, geen sacrament.

De Man (kijkt hem onzeker aan).

U heeft mij vast niet goed begrepen,

’t Is van uw moeder dat ik kom.

Brand.

Ik weet van geen tweeledig recht

Voor vreemden of voor eigen volk.

De Man.

Dat woord is hard.

Brand.

Zij weet het wel,

’t Was alles offeren of niets.

De Man.

O!

Brand.

Zeg dat ’t kleinste klompje goud

Toch evenzeer een afgod blijft.

De Man.

Zoo zacht als ’k eenigszins maar kan

Breng ’k haar dit geeslend antwoord over.

Haar blijft tot troost dit ééne dan:

Dat God niet zóó hard is als u! (af).

Brand.

Ja, deze troost blies vaak genoeg

Zijn pestlucht door de wereld heen.[179]

Met jammerklacht van ach en wee

Snoert men den rechter dan den mond.

Natuurlijk! Zoo behoort het ook!

Men kent hem immers al zoo lang;…

Men weet zoo goed hoe te allen tijd

Den oude zich beknibb’len laat.

(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).

Brand.

Nieuw bericht?

Eerste Man.

Ja.

Brand.

Wat dan nu?

De Tweede.

’t Zou negen tienden dan nu zijn.

Brand.

Niet alles?

De Tweede.

Neen.

Brand.

Ik zei het al:

Geen priester en geen sacrament.

De Tweede.

Zij heeft geleden en geboet …

De Eerste.

Kom mee, zij is uw moeder toch!

Brand (knijpt de handen samen).

Ik màg niet met twee maten meten …

Eén maat voor eigen volk en vreemden.

De Tweede.

De zieke lijdt in angst en nood,

Kom, zend haar een verzoenend woord.

Brand (tegen den eerste).

Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:

Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.

(De mannen gaan heen).

Agnes (vlijt zich tegen hem aan).

Soms beef ik voor je levenslot:

Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.

Brand (met tranen in zijn stem).

Staat heel de wereld dan ook niet[180]

Vijandig tegenover mij,

En wondt mijn ziel ten bloede toe

Met al haar koppig, laks verzet?

Agnes.

Zwaar zijn de eischen die je stelt.

Brand.

Stel, als je durft, er zachtre voor.

Agnes.

Meet met dien maatstaf wien je wilt

En zie of iemand kan voldoen.

Brand.

Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.

Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,

Is ’t heele menschdom tegenwoordig.

Vermaakt iemand bij wilsbeschikking

Doch ongenoemd, zijn geld en goed,

Men prijst hem daadlijk hemelhoog.

Neem weg den naam van menig held,

Laat hem alleen wat hij volbracht,

Doe keizers, vorsten ’t zelfde aan

En zie wat er dan overblijft.

Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijk

Zijn schoonheidsvogels laten glippen,

Dat niemand denk’ dat hij hun gaf

Een stem en gulden veerendos …

Grijp groenen of wel dorren tak:

Opoff’ring vindt men bij geen een.

Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…

Elk klampt in wilden angst zich vast

Aan ’t zwakke rankje van zijn leven.

Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …

Klauwt hij met nagels zich nog vast.

Agnes.

En zulk een diep gevallen volk

Roep je nog toe; het al of niets!

Brand.

Wie zege wil, moet daarvoor strijden;

Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …

(zwijgt even; met veranderde stem).

En toch, wanneer ik aan een ziel

Den eisch stel om zich op te heffen,

Is ’t mij als of ik op de golven[181]

In stormweer ronddreef op een wrak.

Stil schreiend beet ik heimlijk vaak

Mijn tong stuk, die kastijden moest,…

En hief tot slaan ik soms den arm,

Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…

Ga nu eens kijken naar den kleine;

Zing zoete droomen in zijn slaap;

Een kinderziel is klaar en rein

Als ’t meer in zomerzonneschijn;

Een moeder kan daarover strijken

Als ’n vogel, die in lichten vlucht,

Zich spiegelt in zijn diepste diep.

Agnes (bleek).

Wat is er, Brand, dat je gedachten

Waarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?

Brand.

O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.

Agnes.

Geef mij een antwoord.

Brand.

Forsch?

Agnes.

Neen, zacht.

Brand (omarmt haar).

Wie zonder schuld is, die zal leven.

Agnes (kijkt hem helder aan, en zegt:)

Eén ding,… màg God niet van ons eischen!

(gaat het huis in).

Brand (kijkt stil voor zich uit).

Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischt

Leert “Abrams offer” van weleer.

(schudt die gedachte van zich af).

Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,

’k Deed afstand van mijn levensdroom,

Om als de rommelende donder

De slapers hier op aard’ te wekken.

Neen! Daarin lag geen offer meer:

’t Viel weg toen over was de droom,

’k Door Agnes werd gewekt—om mét mij

Te werken samen in ’t verborgen.

[182]

(kijkt uit over den weg).

Wat draalt de zieke ginder lang

Eer zij tot boete-doen besluit,

Dat alle schuld te niet zou doen,

Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!

Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,

Welwillend, luchtig, rond, gezond,

De handen in zijn beide zakken,

Als haakjes om een parenthees.

De Baljuw (door het tuinhek).

Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,

En ’k kom misschien wel ongelegen …

Brand (wijst op het huis).

Ga binnen.

De Baljuw.

Dank u; ’t gaat hier ook;

En als mijn woord maar ingang vindt,

Dan denk ik stellig dat het ook

Wel voor ons beiden goed zal zijn.

Brand.

Laat hooren dan.

De Baljuw.

Uw moeder moet,

Naar ik verneem, haast stervend zijn;…

Dat doet mij leed.

Brand.

’k Betwijfel ’t niet.

De Baljuw.

Het doet mij zeer véél leed.

Brand.

Welnu!

De Baljuw.

Maar zij is oud; en, lieve Heer,

Wij gaan toch allemaal dien weg,

En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,

Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaan

Om ’n enkel woord met u te spreken.

Om kort te gaan, ik heb vernomen

Dat u met haar, sinds u hier kwam,

Geleefd heeft in oneenigheid …

Brand.

Oneenigheid?…

[183]

De Baljuw.

Men zegt dat zij

Erg vasthoudt aan haar eigendom.

Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.

Men wil toch elk zijn eigen voordeel.

Zij is in ’t onverdeeld bezit

Van heel uw vaderlijke erfdeel …

Brand.

In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,

De Baljuw.

Zoo komt het dan allicht tot twist.

En daar ik wel vermoeden kan

Dat u haar einde naadren ziet

Met groote kalmte van gemoed,

Wil ’k hopen dat u zonder wrok

Mij hooren wil, zij dan de tijd ook

Niet erg geschikt.

Brand.

Nu, of wel later.

Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.

De Baljuw.

Nu, dan ter zake, zonder meer.

Zoodra uw moeder dood zal zijn,

En rustig slaapt onder den grond,…

En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …

Brand.

Rijk, denkt u?

De Baljuw.

Denk? Neen, ’k weet het zeker.

In alle hoeken heeft zij grond,

Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.

Ik zeg u, rijk!

Brand.

Ook na de scheiding?

De Baljuw (glimlacht).

Wat zou die hier? Er valt te scheiden

Waar vele erfgenamen zijn:

Maar hier wordt niemands deel bedreigd.

Brand.

En als nu toch eens iemand kwam

En van haar goed zijn erfdeel vroeg,

En zei: mij komt het rechtens toe?

[184]

De Baljuw.

Dat moest de duivel zelf dan zijn!

Ja, kijk mij nu maar aan … geen mensch

Heeft ’n enkel woord hierin te spreken;

Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.

Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,

Een rijk man zelfs; in dezen uithoek

Hoeft u dus waarlijk niet te blijven;

Voor u staat open ’t heele land.

Brand.

Zoo. Is eigenlijk dier woorden zin

In ’t kort niet dit: trek elders heen?

De Baljuw.

Zoowat. Dat waar’ misschien het beste

Voor iedereen. Als u aandachtig

De menschen gâ slaat, voor wie u

De tolk is van Gods heilig woord,

Moet u toch zien, hoe u hier tusschen

Past als een wolf in een troep ganzen.

Begrijp mij goed! U heeft de gaven

Om nut te stichten in het groot.

Maar voor dit volk van bergbewoners,

Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,

Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.

Brand.

Wat wortels voor een boom zijn, is

Voor een man ’t geboortedorp;…

Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,

Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.

De Baljuw.

In de eerste plaats komt ’t er op aan

Met ’s lands behoefte mee te gaan.

Brand.

Maar die vertoont zich van de hoogte

Niet zoo, als in ’t benauwde dorp.

De Baljuw.

Dat is taal voor verlichte menschen,

Niet voor de arme dalbewoners.

Brand.

Och wat, u met dat grensverschil

Van bergen en het lage land!

U wil de rechten van den rijke,[185]

Maar aan zijn plichten u onttrekken;

En denkt, als u maar hardop roept:

Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.

De Baljuw.

Er is een tijd voor alle dingen,

En elk geslacht heeft eigen plicht.

Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfje

Tot der geschiedenis groote kas.

Dat was, natuurlijk, lang geleden;

Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.

Nu is het dorp maar onbeduidend,

Toch leeft zijn roem in sagen voort;

Zijn vroegre grootheidsdagen vallen

In koning Beles’ levenstijd;…

Nog hoort men menigmalen noemen

De dappre broeders Wolf en Thor;

Met vele wakkre mannen, die

Naar Bretlands kust heentogen om

Al plundrend af te loopen ’t land.

Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,

God, help ons tegen hun geweld!

En die geweldnaars waren toch

Ontwijfelbaar echt, lui van hier.

En hoe zij zich dan konden wreken

Met moord en doodslag, brand en plundring!

Ja, één is er, van wien de sage

Vertelt dat hij ten kruistocht wou;…

Doch dat hij uittoog meldt men niet …

Brand.

Er stamt voorzeker van dien held

Een heele bende zoons?

De Baljuw.

Jawel;

Maar hoe weet u …?

Brand.

O, omdat mij

Die heldentroep bekend voorkomt,

Belofte-helden van het heden,

Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.

De Baljuw.

Ja, dat geslacht is uitgebreid.

Maar bij vorst Beles waren wij![186]

Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;

Toen brachten wij aan bloedverwant

En buur, met bijlslagen bezoek.

Het veld vertrapt, de oogst verwoest,

In brand gestoken kerk en huis,

Zoo vlochten we ons een heldenkrans.

Op al het toen vergoten bloed

Werd later wel wat veel gesnoefd.

Maar, na wat ik nu heb gezegd

Geloof ik, met bescheidenheid,

Op onze macht te mogen wijzen

In heldentijden, lang geleden

En zeggen dat ons dorp eertijds

Zijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,

Tot der ontwikling worstelstrijd.

Brand.

Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraad

Aan ’t woord: dat adeldom verplicht,…

Alsof met egge, hak en ploeg

U Beles’ erfgoed stil begraaft.

De Baljuw.

In geenen deele. Kijk maar eens

Bij een gemeentelijk diné,

Waar ik, de koster en de rechter

Op eereplaatsen mee aanzitten.

Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,

Dat Beles nog niet is vergeten.

Met klinken, heildronken, gezang,

In toasten kort en toasten lang,

Gedenkt men hem, laat men hem leven.

Ik zelf heb vaak den drang gevoeld

In mij, om van gedachtenspinsel

Voor hem te weven ’n bloemrijk kleed,

En dat heeft menigeen gesticht.

Ik houd wel van wat poëzie.

Dat doen wij trouwens allemaal

Hier in ons dorp;… doch steeds met mate …

Het leven mag die nooit beheerschen,…

Alleen zoo tusschen acht en tien

Uur ’s avonds, als men moe van ’t werk,

En vrij weer van de daagsche taak,

Naar wat verheffing wel verlangt.[187]

Wat u van ons verschillen doet

Is dat u ploegen wil en maaien

Terzelfder stond, en met geweld.

U wil, zoo meen ik te begrijpen,

Dat één zijn zal idee en leven,…

U wil, met ’t zwoegend land-bebouwen

Den strijd voor God vereenigd zien,

Zóó innig één, als kool, salpeter,

En zwavel zich tot kruit vereent.

Brand.

Zoo ongeveer.

De Baljuw.

Maar dat ’s onmooglijk.

In wijder kringen gaat dat beter;…

Ga daarheen met uw hooge eischen

En laat ons land en zee beploegen.

Brand.

Ploeg allereerst in zee maar onder

Uw pralen op den roem der vaad’ren;

Een dwerg wordt er niet grooter door

Of hij al stamt van Goliath.

De Baljuw.

Er ligt kracht in herinneringen.

Brand.

Ja … als zij één met ’t leven worden,

Maar u gebruikt hun graf alleen

Om eigen traagheid te verstoppen.

De Baljuw.

Mijn eerste blijft mijn laatste woord;…

U deed het best met heen te gaan.

Hier zal uw arbeid niet gedijen;

Uw levensleer wordt niet begrepen.

Verheffing, die soms noodig zijn kan,

Het beetje troost dat hij behoeft,

Die dag aan dag in arbeid zwoegt,

Zal ik hun voortaan trouw bezorgen.

Gedurende mijn heele loopbaan

Hier, deed ik steeds mijn plicht;

Het volksaantal is ruim verdubbeld,

Ja, het staat haast als drie tot een,…

Terwijl ik meer dan één bedrijf

Aan deze fjord-streek heb verbonden.[188]

In strijd altijd met ’t ruw klimaat,

Zijn we als met stoom vooruit gegaan:…

Hier loopt een weg, daar ligt een brug..

Brand.

Maar tusschen g’loof en leven niet …

De Baljuw.

Die fjord en gletschersneeuw verbindt.

Brand.

Maar niet de daad met de idee.

De Baljuw.

Eerst zorgen voor een goed verkeer,

Dat men elkaar bereiken kan,…

Daarover waren allen ’t eens

Eer u, als leeraar, hierheen kwam.

U heeft in ons vaal schemerlicht

Een Noorderlichtschijn hel doen flikk’ren;

Wie kan in ’t valsche licht nu zien

Wat er verkeerd is en wat goed,

Wat straf is, en wat boete of smart?

U heeft het àl dooreen gehaspeld;

En ’t volk, dat één, moest overwinnen,

Gesplitst in twee vijand’ge kampen.

Brand.

Toch blijf ik hier, uw wensch ten trots.

Men kiest de plaats niet voor zijn werk.

Hij, die zijn doel voor oogen heeft

Zag eens in vuur’ge letters staan,

Het Godswoord: hier is uwe plaats!

De Baljuw.

Blijf dan, maar binnen eigen grenzen;

Ik zie u graag de menschen zuivren

Van zonde en kwaad, als voorkomt hier;

God weet dat ’t dikwijls noodig is!

Maar maak van iedren arbeidsdag

Geen Zondag,… en vertoon geen vlag

Alsof God zelf was mee aan boord

Op ieder jacht in onze fjord.

Brand.

Kon ’k mij uw raad ten nutte maken,

Zou ik mijn ziel moeten verzaken.

Maar ’t geldt hier juist zich zelf te wezen,

Zijn eigen roeping te volbrengen,[189]

En dat zal ’k doen ten einde toe,

Dat om mijn huis een lichtschijn straal!

Dit volk, dat ingedommeld is

Door uw bestuur, wek ik weer op!

Al lang is hem, door nood en dwang,

Zijn laatste oerkracht afgekweld;

Uit uwer kleinheid hongerkuur

Komt elk te voorschijn mat en slap;

Zijn beste bloed is afgetapt,

Het merg geschraapt hem uit zijn moed;

Aan flarden iedre ziel gescheurd,

Die pal als brons had moeten staan;

Maar nog kan wel een oproerskreet

U in de ooren dondren: strijd!

De Baljuw.

Strijd?

Brand.

Strijd!

De Baljuw.

Als u hen roept te wapen

Zal u als eerste offer vallen!

Brand.

Eens zal ’t wel blijken zonneklaar

Dat nederlaag hier zege was!

De Baljuw.

Bedenk je, Brand, je staat op ’t kruispunt:

Zet alles niet op ééne kaart.

Brand.

Toch zal ik ’t doen!

De Baljuw.

Wordt ’t spel verloren,

Dan is uw leven ook verwoest.

U heeft al wat u kan begeeren,

Is de erve van een rijke moeder,

U heeft een kind om voor te leven,

Een lieve vrouw;… geluk en vreugde

Wordt u met milde hand gereikt!

Brand.

En als ’k nu toch den rug toekeer

Aan wat u noemt geluk en vreugde?

Als ik nu moet?

De Baljuw.

’t Is al verloren[190]

Als u, in dezen uithoek hier,

Uw wereldstrijd beginnen wil.

Trek zuidwaarts naar de rijke stranden,

Waar ’n man geheel zich zelf kan wezen.

Dáár kan uw licht u laten schijnen

En de gemeente laten bloeden;

Ons offer is geen bloed, maar zweet,

In broodstrijd tusschen rots en ijs.

Brand.

Hier blijf ik toch. Hier is mijn thuis,

En van mijn thuis uit voer ik strijd.

De Baljuw.

Denk wat op ’t spel staat als het misloopt;…

En allermeest wat u laat varen!

Brand.

Mijzelf verlies ik, als ’k mocht wijken.

De Baljuw.

Brand, vruchtloos strijdt een eenzaam strijder.

Brand.

Mijn troep is sterk; ik heb de besten.

De Baljuw (glimlacht).

Wel mooglijk, ja … maar ik de meesten. (af).

Brand (kijkt hem na).

Daar gaat een volbloed volksman, heel

Rechtschapen denkend, heel welwillend,

Op zijn wijs werkzaam, warm en billijk …

En toch een geesel voor zijn land.

Geen aardverschuiving, storm of vloed,

Geen hongersnood, geen vorst of pest,

Bewerkt er half het ongeluk

Als zoo een doet, jaar-in, jaar-uit.

Die rampen deren maar het leven;…

Maar hij …! Hoeveel blijmoedig willen,

Hoeveel gedachten dooft hij uit,

Hoe menig krachtig lied versmoort er

Door zulk benauwd, kleinzielig doen!

Hoe menig glimlach om de lippen,

Hoe menig lichtstraal in een ziel,

Hoeveel verheffings-vreugd en smart,

Heeft hij verstard, gedoofd, gedood!

(plotseling angstig).

Waar blijft de bode!.., komt er niemand?[191]

Ja, de dokter! (snelt hem te gemoet).

Mijn moeder? Spreek!

De Dokter.

Nu staat zij eindlijk voor haar rechter.

Brand.

Dood!… Boetvaardig?

De Dokter.

Dat g’loof ik niet;

Zij hing aan ’t hare hier op aard’

Totdat het uur van scheiden sloeg.

Brand (kijkt stil bewogen voor zich uit).

Is hier ’n verdoolde ziel verloren?

De Dokter.

Misschien is wel het oordeel zacht,

Niet volgens recht, maar bij genade.

Brand (zacht).

Wat zei zij nog?

De Dokter.

Zij mompelde:

God is zóó hard niet als mijn zoon!

Brand (zinkt in droefheid neer op de bank).

Met schuld belast, in stervensnood,

Klampt aan die leugen elk zich vast!

(verbergt zijn gezicht in de handen).

De Dokter (komt naderbij, kijkt hem aan en schudt het hoofd).

U wil een lang vervlogen tijd

In alles weer herleven doen.

U g’looft nog dat ’t aloud verbond

Van God en menschen nog bestaat;…

Maar elk geslacht heeft eigen wijs;

Het ònze vreest niet meer de hel,

Verdoemenis en bakerpraat;…

Het hoofdgebod is: wees humaan!

Brand (kijkt op).

Humaan! Ja, juist, dat slappe woord

Klinkt door de heele wereld heen!

Daarmee slaat iedre hals je dood

Als hij niet durft, of kan of wil;

Daarmee omhult zich iedre stumper[192]

Als hij niet alles durft te wagen;

Daardoor beschermd verbreekt men thans

Iedre gelofte alras betreurd;…

Gij dwergenzielen maakt ten slot

Van ieder mensch een humanist!

Was jegens Christus God humaan?

Had toen uw God ook geregeerd

Waar’ Jezus niet aan ’t kruis genageld.…

En heel ’t verzoeningswerk werd dan

Een handig diplomatenstukje!

(verbergt het hoofd en zit neer in stomme smart).

De Dokter (zacht).

Raas uit, raas uit, o ziel in opstand;…

Het beste waar’ dat je kon schreien.

Agnes (is op de trap verschenen, bleek en angstig, fluistert zij tegen den dokter).

Och toe! Kom mee!

De Dokter.

Je maakt mij angstig,

Wat is er kind?

Agnes.

Een koude doodsangst

Sloeg mij zoo even om het hart …!

De Dokter.

Wat is er?

Agnes (trekt hem mee).

Kom!… het kind, o God!

(zij gaan het huis in; Brand bemerkt het niet).

Brand (stil in zich zelf).

Dood, onverzoend. Dood, als zij leefde.

Is dat geen vingerwijzing Gods?

Van mij wil hij den tol nu heffen,

Dien zij verzuimd heeft te betalen;…

Nu driewerf wee mij, als ik wijk! (staat op).

Onwankelbaar van nu af aan,

Als uitverkoren strijder kampen,

Dat geest verwinnen moog’ het vleesch.

God gaf mijn tong de kracht van ’t woord,

Ontstak zijn toorngloed in mijn ziel;…

Nu sta ik in mijn volle macht,

Nu durf, nu kan ik rotsen breken!

[193]

De Dokter (gevolgd door Agnes, komt snel de trappen af en roept).

Ruim op je boel en trek er uit!

Brand.

Al beefde de aard’ toch bleef ik hier!

De Dokter.

Dan is je kind ten dood gedoemd.

Brand (ontzet).

Alf! ’t Kind! Mijn Alf! Wat meent u toch?

Welk spook bedreigt mijn kind! (wil het huis in).

De Dokter.

Neen, blijf!…

Hier is geen licht, hier is geen zon,

De lucht is scherp als Noordpoolwind,…

Hier hangt een nevel klam en zwaar;…

Eén winter nog op deze plek

En ’t teere leven is verwelkt.

Vertrek, dan is uw kind gered;

Maar doe het gauw, liefst morgen al.

Brand.

Van daag, van avond nog, terstond!

O, hij wordt sterk weer en gezond;…

Geen gletschersneeuw, geen scherpe wind,

Zal meer zijn borstje kwellen hier.

Kom, Agnes, neem hem zachtjes op!

Dan vluchten wij in aller ijl!

O, Agnes, ’t is de dood die spint

Zijn valen sluier om ons kind!

Agnes.

Wel vreesde en beefde ik voor gevaar,…

Toch waande ik het niet zoo nabij.

Brand (tegen den dokter).

Vlucht kan hem redden? Dat bezweert u?

De Dokter.

Een leven dat door vaderliefde

Wordt welbewaakt, loopt geen gevaar.

Wijd u aan hem, en vrees maar niet,

Dra wordt hij weer gezond en frisch.

Brand.

Dank! Dank! (tegen Agnes).

Pak hem vooral goed in;

De avondwind waait langs de fjord.

[194]

(Agnes gaat het huis in).

De Dokter (neemt Brand zwijgend op, die onbewegelijk door de deur naar binnen kijkt, gaat dan naar hem toe, legt de hand op zijn schouder, en zegt:)

Voor ’t arme menschdom onbarmhartig,

En voor zichzelf zoo heel teerhartig!

Voor andren geldt niet veel of weinig,…

Alleen het alles dan, of niets;

Maar eigen moed is ras geweken,

Zoodra het lot als offerlam

Zijn eigen schat heeft aangewezen.

Brand.

Wat wil u zeggen?

De Dokter.

Harde woorden

Heeft u uw moeder toegebulderd,

Verdoemd, als alles zij niet gaf,

Als naakt zij niet daalde af in ’t graf.

En ’t zelfde woord klonk menigmaal

Waar veel en diep geleden werd!

Nú drijft uw eigen boot in storm

Op noodlotsgolven rond in zee,

Nu werpt van de omgeslagen kiel

U snel den schuldbrief over boord,…

Weg, over boord, het zware boek,

Waarmee u zelf de broeders sloeg;

Nu is de zaak, in stijve bries

Te zoeken heil voor eigen telg.

Snel weg van hier, van storm en fjord,…

Snel weg zelfs van uw moeders lijk,…

Snel weg van zielezorg en werk;…

Nu staakt de priester zijn bedrijf!…

Brand (grijpt in vertwijfling naar zijn hoofd om zijn gedachten te verzamelen).

Ben ik nù blind? Wàs ik het eerst?

De Dokter.

U doet als vader stellig goed.

Denk niet dat ’k afkeur wat u doet;…

Voor mij is u, gebroken nu,

Veel grooter dan de sterke held …

Vaarwel! Ik hield u vóór den spiegel;[195]

Kijk er eens in, en zucht: mijn God,

Zoo ziet een Godsgetuige er uit! (af).

Brand (staart een oogenblik voor zich uit, barst dan plotseling uit).

Waar tastte ik mis? Nu, of te voren?!

(Agnes komt de deur uit met een mantel om de schouders en het kind op haar arm; Brand ziet haar niet. Zij wil spreken maar blijft als verlamd van schrik staan, als zij de uitdrukking van zijn gezicht ziet. Op hetzelfde oogenblik komt er een man haastig door het tuinhek binnen. De zon gaat onder).

De Man.

Brand, hoor, u heeft een vijand hier!

Brand (drukt de handen op zijn borst).

Ja, hier!

De Man.

Wees voor den Baljuw op uw hoede.

Al vruchtbaar werd uw werken hier,

Tot hij ’t vergiftigde met praatjes!

Al dikwijls heeft hij uitgestrooid

Dat gauw uw huis wel leeg zou staan,…

Zei dat u ons zou gaan verlaten,

Zoodra uw rijke moeder stierf.

Brand.

En als ’t zoo was?

De Man.

Ik ken u immers

En weet waarom hij dat vertelt;

U staat toch tegenover hem,

Heeft voor zijn wil nog nooit gebogen …

Dàt is de reden van zijn wrok …

Brand (weifelend).

Misschien dat hij de waarheid zei.

De Man.

Dan heeft dus u ons steeds belogen?…

Brand.

Ik?

De Man.

Ja. Heeft u ons niet gezegd

Dat God zelf u verkoren had

Om hier te wonen onder ons;[196]

Dat u uw strijd hier voeren zou,

Dat niemand mag zijn taak verzaken,

Dat hij moet staan, maar nimmer wijken?

Die taak is de uwe! Warm en licht

Gloort al uw vuur in menig borst.

Brand.

Neen, ’t oor der menigte is doof;

Haast ieders ziel is dof en loom!

De Man.

U weet wel beter;… ’t hemelsch licht

Breekt hier in meen’ge ziel al door.

Brand.

Maar in de meesten is ’t nog nacht.

De Man.

U is als ’t licht dat schijnt bij nacht.

Doch laat het wezen zoo het wil;

Het komt hier niet op tellen aan;

Want hier sta ik, een eenig man,

En zeg: ga heen dan als u kan!

Mijn ziel is vol, al weet ik weinig

Van alles wat staat in de boeken,

U heeft uit ’t niet mij opgeheven,…

Zie of u nu mij los mag laten!

U kan het niet; ik houd u vast;

’k Verloor mijn ziel, gaf ’k prijs mijn greep!…

Vaarwel! ’k Verwacht getroost ’t bericht!

Noch u, noch uw God laat mij los! (af).

Agnes (schuchter).

Je wang is wit, je mond is bleek,

Alsof je pijn hadt in je ziel.

Brand.

Elk klinkend woord dat ’k eertijds sprak

Slaat als een echo nu terug.

Agnes (komt een stap nader).

Ik ben bereid.

Brand.

Bereid? Waartoe?

Agnes (met kracht).

Tot wat een moeder mag en wil!

(Gerd loopt voorbij op den weg en blijft bij den tuinmuur staan).

[197]

Gerd (klapt in de handen en roept wild en blij:)

Hoorde je ’t al? Weg vloog de priester!…

Uit de bergen, op de rotsen

Wemelt het van bergkabouters,

Zwarte, woeste, groot en klein,…

Hoeh, wat sloeg de bende d’r op …!

Rukten de oogen mij haast uit,

Half mijn ziel viel hun ten buit;…

Och, ’k kan ’t met de helft wel stellen

’k Heb van ’t wrak genoeg nog over!

Brand.

Kind, je raaskalt, zie je niet

Dat ik hier vlak vóór je sta?

Gerd.

Jij? Jawel, maar niet de priester!

Van den Zwarten Top mijn havik

Vloog rechtuit, de helling langs,

Boos en wild, met tuig en zadel,

Sneed hij blazend d’ochtendwind;

En een man zat op zijn rug …

Dat was hij, dat was de priester!

Nu staat leeg de kerk van ’t dorp,

’t Slot dicht en de boom er voor.

’t Is gedaan met ’t nare kerkje,

En nu komt mijn kerk tot eere,

Waar mijn priester preekt en zingt,

Sterk en groot, in ’t witte miskleed

Door den wintervorst geweven;…

Wil je ’m zien? Kom dan maar mee,

Woorden spreekt mijn priester, die

Klinken heel de wereld door!

Brand.

Ong’lukskind, wou je mij lokken

Met verdwaasde afgoderijen?

Gerd (komt het tuinhek in).

Wat zijn dat, afgoderijen?

’n Afgod? O, ik weet het al;

Somtijds groot en somtijds klein;

Altijd goud en mooi en kleurig.

’n Afgod! Hoor eens, zie je háár daar?

Kan je onder ’t kleed herkennen[198]

Kinderhandjes, kinderbeenen?

Zie je niet hoe mooi en kleurig

Al die windsels iets omhullen?

’t Lijkt een kind dat rustig slaapt,

Angstig wijkt zij … dekt het toe!

’n Afgod? Man, dàt is een afgod!

Agnes (tegen Brand).

Heb jij tranen en gebeden?

Angst heeft ’t àl bij mij verjaagd!

Brand.

Agnes,… wee! Ik meen te voelen

Dat een hoogre macht haar zond!

Gerd.

Hoor nu, alle klokken luiden

Boven op den wilden top!

Kijk eens wat een troep daar heen trekt,

Naar mijn kerk in ’t ijsgewelf!

Zie je wel al die kabouters,

Die de priester joeg in zee?

Zie je wel die dwergen allen,

Die tot nu begraven lagen?

En den steen had hij verzegeld.

Zee noch graf kan hen meer houden,

Zie ze koud en kil krioelen;…

Kindren, schijndood, zie ik schreien,

Van zich wentlen rotssteenblokken.

Vader! Moeder! schreeuwen zij!

Mannen, vrouwen schieten toe.

Kijk, de dorper loopt in ’t midden

Van een heelen stoet van zonen;

En zijn vrouw legt ’t doode kindje

Aan haar borst om het te laven;…

Nooit nog droeg zoo hoog zij ’t hoofd

Toen zij hield het kind ten doop.

Priester weg … toen kwam er leven!

Brand.

Wijk van mij! Ik zie welhaast

Erger spoken …

Gerd.

Hoor! Hij lacht,

Hij, die aan den weg daar zit,

Hij, die opstijgt naar den top,[199]

En hij schrijft er in zijn boek

Iedre ziel die opwaarts toog;…

Ha, hij heeft ze bijna allen;

’t Kerkje staat ginds immers leeg,

’t Slot dicht en de boom er voor,…

Op den havik vlood de priester!

(springt over het tuinmuurtje en verdwijnt tusschen de rotsen).

(een stilte).

Agnes (komt nader en zegt gedempt:)

Laat ons gaan; nu is het tijd.

Brand (staart haar aan).

Waarheen gaan wij? (wijst eerst op het tuinhek, dan op de huisdeur).

Daar?… of daar?

Agnes (wijkt verschrikt achteruit).

Brand, je kind!…

Brand (volgt haar).

Wat was ik eerder

Zeg mij, dienaar Gods of vader?

Agnes (wijkt verder terug).

Al stelde mij God zelf die vraag …

Beslissen zal ik nimmermeer!

Brand (volgt haar weer).

Spreek als moeder: màg ik gaan?

Jij hebt hier het laatste woord!

Agnes.

’k Ben je vrouw, mocht je bevelen,

Zal ’k gehoorzaam zijn en buigen.

Brand (wil haar arm grijpen).

Neem dien kelk der keus van mij!

Agnes (wijkt achter den boom).

Dan zou ik geen moeder zijn!

Brand.

’n Oordeel ligt er in dat woord!

Agnes (met kracht).

Vraag je zelf af: hèb ik keus?

Brand.

Sterker nog het oordeel klinkt!

Agnes.

Voel je je als door God verkoren?

[200]

Brand.

Ja! (grijpt haar hand vast).

En nu moet jij ook zeggen

’t Woord van leven of van dood!

Agnes.

Ga den weg, dien God gebiedt!

(Pauze).

Brand.

Laat ons gaan; nu is het tijd.

Agnes (toonloos).

Welken weg dan?

Brand (zwijgt).

Agnes (wijst naar het tuinhek en vraagt).

Dien?

Brand (wijst naar de huisdeur).

Neen,… dien!

Agnes (heft het kind in haar armen hoog omhoog).

God! Dit offer dat gij eischt

Hef ik trotsch ten hemel op!

Leid mij nu door ’s levens nacht! (gaat naar binnen).

Brand (staart een poos voor zich uit, barst in tranen uit, slaat de handen boven zijn hoofd in elkaar, laat zich op de trap neervallen en roept uit:)

Jezus! Jezus! Geef mij licht!

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

[201]

[Inhoud]
VIERDE BEDRIJF.
Kerstavond in de pastorie. De kamer is donker. Deur in den achtergrond. Aan den éénen kant een raam, aan den anderen een deur.

Agnes, in het zwart gekleed, staat bij het raam en kijkt uit in de duisternis.

Agnes.

Nog altijd niet! Nog altijd niet!…

O, hoe zwaar is het te wachten,…

’t Om hem roepend zielsverlangen

Te doen zwijgen, zonder antwoord!

Zacht en dicht valt stil de sneeuw,

Heeft als met een kleed van dons

Wit omhuld het oude kerkje … (luistert).

Wacht! Daar hoor ik ’t grind toch knarsen!

Vaste stappen; ’n mannestap;

(snelt naar de deur en maakt die open).

Brand, ben jij ’t? O, kom gauw hier!

(Brand komt binnen, besneeuwd, in reisjas, die hij onder het volgende aflegt).

Agnes (slaat de armen om hem heen).

O wat lang ben je uitgebleven!

Niet meer weg gaan! Niet meer weg gaan!

Ben ’k alleen dan kan ’k de zwarte

Sombre spoken niet ontkomen!

Wat een nachten, wat een dagen

Zijn die twee voor mij geweest!

Brand.

Kind, nu ben ik toch weer bij je! (steekt een enkel licht aan dat een zwak schijnsel in de kamer werpt).[202]

Je bent bleek.

Agnes.

En moe en dof.

’k Heb verlangd en uitgekeken …

En wat groen bijeen gebonden,…

’n Beetje! wat ik zelf gekweekt heb,

En bewaard nog, van den zomer,

Om den kerstboom te versieren.

’t Struikje was voor hem bestemd;

En hij kreeg ’t dan ook … als krans! (barst in tranen uit).

Kijk, nu ligt de sneeuw al hoog op

Hem … o God …

Brand.

Op ’t kerkhof ginder.

Agnes.

O, dat woord!

Brand.

Droog nu je tranen.

Agnes.

Ja, och ja … maar wees geduldig;

Heel mijn ziel is nog als bloedend

Van een pas geslagen wond,

Al mijn kracht van wil verzwond;…

O, het zal wel beter worden;

Als deez’ dagen maar voorbij zijn

Zal je nooit meer klachten hooren.

Brand.

Moet je zóó Gods feestdag eeren?

Agnes.

Neen, och neen … maar wees geduldig!

Denk toch hoe ’t verleden jaar was,

En van ’t jaar al weg gedragen …

Naar het … (huivert om het woord uit te spreken).

Brand (vast).

Naar het kerkhof ginder.

Agnes (met een kreet).

Noem het niet!

Brand.

Uit volle borst juist

Moet ik ’t noemen als je ’t vreest!

Noemen moet ik ’t, dat het klinke[203]

Als een golfslag tegen ’t hout!

Agnes.

Zelf meer dan je wel wilt weten

Lijdt je onder ’t wreede woord;

Op je voorhoofd zie ’k de sporen

Van het zweet dat het je kost.

Brand.

Deze druppels op mijn voorhoofd

Zijn maar schuim van ’t zilte water.

Agnes.

Is de druppel in je oog ook

’n Sneeuwvlok, dalend van de hoogte?

Neen, o neen, die is te warm;

Je eigen boezem is de bron!

Brand.

Agnes, vrouw, kom laat ons beiden

Sterk zijn, strijden tegen ’t leed,

Met vereende krachten trachten

Te overwinnen, langzaam aan.

O, ik was een man ginds buiten!

’t Water sloeg over de klippen,

Angstig dook de zeemeeuw onder,

Hagel teisterde mijn bootje,

Joeg ons voort in ’t ziedend water,

Mast en touwwerk kraakten fluitend,

Fokzeil scheurde aan flarden, woei

Ver in ’t schuim weg van de vaargeul,

Iedre spijker kraste en knarste;…

Telkens donderden lawinen

Van de hoogte, aan beide kanten;

Roerloos zat het achttal mannen,

Riemen stil, als lijken vóór mij.

O, toen voelde ik mij weer groeien,

Ik was ’t die aan ’t roer bevel gaf,

’k Voelde dat God zelf mij wijdde

Tot mijn werk, het duurgekochte.

Agnes.

Licht is ’t pal te staan in storm,

Licht te strijden in gevaar;

O, maar denk aan mij, die hier zit

Stil, met droef heids treurig kweelen,

Die niet weet den tijd te dooden[204]

Of ik ’t nog zoo graag ook wil;

Denk aan mij, van strijd verstoken,

Door geen daden aangevuurd;

Denk aan mij, wie maar een simple,

Kleine taak is opgelegd;

Denk aan mij: ’k kan niet vergeten,

Zit alleen … mag niet herdenken!

Brand.

Een geringe taak maar, jij?

Nooit was die zoo groot als nu.

Hoor, ik zal je eens iets zeggen

Dat in smart mij overkwam.

Dikwijls wordt mijn oog beneveld,

Stil mijn denken, zacht mijn ziel.

Dan is ’t of er schuilde vreugde

In te kunnen schreien, schreien.

Agnes,… kijk dan zie ik God

Zoo nabij, als nooit te voren,…

Zoo nabij, dat het mij schijnt

Of ik rechtstreeks hem kon naadren.

En ik smacht om mij te werpen

Aan zijn boezem, als zijn kind;

Om mij vast omkneld te voelen

Door zijn sterken vaderarm.

Agnes.

Brand,… o, zie hem altijd zoo,…

Als de God je zoo nabij …

Minder Heer, maar meer als Vader!

Brand.

’k Mag niet, Agnes; niet versperren

Voor zijn eigen werk den weg;

Ik moet groot hem zien en sterk.

Reuzengroot … dat eischt het heden,

Juist omdat het zelf zoo klein is.

O, maar jij kunt hem zoo zien,

Als een vader zacht en teer,

In zijn arm je hoofd neervlijen,

Rusten, rusten, ben je moe,

En verlicht weer van hem gaan,

Met zijn glans nog in je oogen,…

Breng tot mij zijn glorieschijn[205]

Waar ik lijdend, strijdend sta.

Zie je, Agnes, zóo te deelen

Is de kern van ’t ware huwlijk;

De één moet strijden, zich verweren,

De andre alle wonden heelen;

Dàn eerst kan met volle recht

’t Heeten dat de twee zijn één.

Sedert jij het wereldsch leven

Opgaf, om mijn vrouw te worden,

Je eigen leven vrij te leven,

Rust er op jou deze taak;

Ik moet strijden, of ’k ook val;

Op ten kamp, in zonnehitte,

Staan op wacht in nacht en koude,…

Jij moet reiken mij den vollen

Liefdebeker, laafnis biedend,

Hullen mij in teerheid zacht

Onder ’t pantser, als een vacht;…

O, je taak is géén geringe!

Agnes.

Al wat ik zoek te volbrengen

Is te zwaar voor mijne krachten;

Al mijn denken, al mijn zinnen

Trekt zich samen om dat eéne.

Alles is nog als een droom.

Laat mij klagen, laat mij schreien.

Help mij zoo om weer te vinden

En mij zelf, èn ook mijn plicht …

Brand, van nacht toen ik alleen was

Kwam hij in mijn kamer hier;

Frisch en blozend was zijn wang;

Luchtig in zijn dunne kleedje

Kwam hij aangetrippeld daar,

Naar mijn bed, waarop ik rustte;

Strekte naar mij uit zijn armpjes;

Riep zijn moeder met een lachje,…

Maar alsof hij smeekte om warmte!

Ja, ik zag het! ’k Rilde er van!

Brand.

Agnes!

Agnes.

Ja,… het kind leed koû![206]

Och, dat moet ook wel daar buiten,

Op die koude planken liggend!

Brand.

’t Lijk ligt onder sneeuw begraven;

’t Kind zelf steeg op naar den hemel.

Agnes (wijkt terug).

O, wat woel je in de wonde

Onbarmhartig, onmeedoogend!

Dat, wat ruw jij ’t lijk noemt, is nog

Altijd voor mijn hart mijn kind.

Ziel en lichaam vielen beiden,

En ik kan niet, zooals jij,

Van elkaar die beiden scheiden;

Eén zijn deze twee te zamen;

Alf, daar onder ’t sneeuwdek slapend,

Is mijn Alf ook van daarboven!

Brand.

Meen’ge wond nog moet er bloeden

Eer je smart genezen zal.

Agnes.

Ja, maar heb dan ook geduld;…

Leid mij zacht, maar wil niet drijven.

Sta mij bij en steun mij, Brand!

Zeg de dingen zacht, als ’t kan!

Jij, die als Gods donder spreekt soms

In een hooge, plechtige ure,

Als een ziel zelf aan moet dragen

Steenen voor zijn levenskroon,…

Heb jij ook geen zachte tonen

Om het scherpe leed te dooven?

Met een enkel woord dat opwekt,

Een, dat wijst naar lichter dagen?

God, dien jij mij leerde kennen,

Is een koning in zijn burcht;

Hoe zou ik hem durven naadren

Met mijn kleine moedersmart?

Brand.

Denk je makk’lijker te naadren

Tot den God, dien je eertijds kende?

Agnes.

Nooit meer, nooit meer ga ’k terug!

En toch is het vaak, alsof ik[207]

Een verlangen voel, daarheen,

Waar het licht is, waar de zon schijnt,

“Licht te heffen, zwaar te houden”,

Klonk niet zoo de oude leuze?

Al te groot zijn mij je rijken,

Alles is mij hier te groot,

Jij, je werk, je doel, je wezen,

Al je willen, al je doen,

’t Overhangend, rotsgevaarte,

En het àl afsluitend water,

Winterduister, strijd en droefheid,…

’t Kerkje alleen is veel te klein.

Brand (getroffen).

’t Kerkje? Alweer die gedachte!

Zweeft die thans hier in de lucht?

Hoe te klein?

Agnes (schudt droevig het hoofd).

Hoe kan ik zoeken

Naar een reden, met verstand.

Komt niet stemming over iemand

Als een geur’ge ademtocht?

Waar van daan? En waarheen gaat ze?

’t Is genoeg dat ’k haar gewaar word.

En ik weet en voel het duidlijk …

Veel te klein is hier ons kerkje.

Brand.

Droomen allen van hetzelfde?

Al zoovelen die ’k ontmoette

Waren vol van die gedachte;

Zelfs bij haar, die half waanzinnig

Rondloopt, stond die ook geschreven,

“’t Is benauwd daar, want ’t is klein”

Klonk het; ook zij kon geen reden

Vinden voor wat zij er voelde.

Tal van vrouwen zeiden later:

Veel te klein is onze dorpskerk!

Deze klacht uit vrouwenmonden

Op behoefte aan ruimte wijst …

Agnes,… o, ik zie ’t zoo goed,

Jij bent van God uitverkoren

Tot een engel op mijn pad;…[208]

Stil en zeker, in den blinde

Weet je juist den weg te vinden,

Waar ’k alléén het spoor verlies.

Nooit kon dwaallichtschijn je lokken;

D’eersten dag heb je al gewezen

Waar mijn ware rijk moest liggen,…

Hield terug mij, die wou stijgen

Hoog naar ’t blauwe luchtgewelf;

Deed mij kijken in mij zelf,

Diep, in ’t diepste van mijn wezen …

Agnes, weer heb je gezegd

’t Woord dat insloeg als een flits,…

Mij geleid, waar ’k dwalend ging,

Op mijn werk het licht doen vallen.

Klein maar is des Heeren kerk hier;…

Goed; dan maken wij die groot!

Nooit zag ik zoo duidelijk nog

Wat mijn Schepper me in jou gaf.

Daarom smeek ik, net als jij:

Ga niet van mij weg, ik bid je!

Agnes.

’k Zal mijn droefheid van mij wegdoen,

’k Zal mijn tranen drogen nu,

’k Zal al mijn herinneringen

Sluiten als in ’t donker graf;

En vergeten, als een zee,

Zal er stroomen overheen;

Ik zal ieder spoor uitwisschen

Van mijn eens gedroomde wereld,

Vrouw zijn voor jou, en niets meer.

Brand.

Opwaarts gaat de weg naar ’t hooge!

Agnes.

O, maar drijf mij niet met strengheid!

Brand.

Door mijn mond gebiedt een Hoog’re.

Agnes.

Een, van wien je zelf eens zei,

Dat den goeden wil hij aanneemt,

Ook waar soms de kracht ontbreekt. (wil gaan).

[209]

Brand.

Waarheen, Agnes?

Agnes (glimlacht).

’t Huislijk werk mag

’k Niet verzuimen, heden ’t minst.

’t Vorig jaar, je weet nog wel,

Zei je dat ik was verkwistend.

’t Licht was op in alle luchters;

Groen was ’t hier, en speelgoed hangend,

Met nog meer moois, aan den kerstboom;

Hier klonk blij gezang en lachen.

Brand, ook nu zal ’k weer ontsteken

Alle lichten voor den feestdag;

Worden zal ’t zoo mooi als ’t kan,

Voor het plechtig stille feest,

Gluurt dan God de kamer in,

Zal hij zien gestrafte kindren,

Die deemoedig en gedwee,

Volgzaam weten en begrijpen

Dat zij, moog’ hun vader toornen,

Niet zijn feest verzuimen mogen.…

Zie je nu nog iets van tranen?

Brand (drukt haar aan zijn hart en laat haar dan weer los).

Kind, steek licht aan; dat ’s jouw opdracht!

Agnes (glimlacht droevig).

Bouw jij dan een kerk, een groote;…

Doe het gauw … nog vóór de lente! (Af.)

Brand (kijkt haar na).

Zoo gewillig in haar droefheid,

Midden in het vuur der pijn;

Zinkt haar kracht, ontvliedt de geest haar,

Wil zij ’t offer brengen toch.

Heer o sterk haar, geef haar kracht!

En onthef mij van de opdracht

Haar door bittre wetsbetrachting,

Als door hongrig woeste gieren

’t Warme bloed doen uit te zuigen,

Van ’t gemarteld moederhart.

Ik ben krachtig, ik heb moed;

Leg op mij den last voor beiden,…

Wees voor haar alléén barmhartig!

[210]

(Er wordt geklopt aan de gangdeur. De Baljuw komt binnen).

De Baljuw.

Hier ziet u een geslagen man.

Brand.

’n Geslagen man?

De Baljuw.

Als zoo een kom ik.

U weet wel, toen ik van den zomer

U drijven wilde uit het land,

Voorspelde ik u niet juist het beste

Van ’t nieuwe strijdplan tusschen ons …

Brand.

Nu ja?

De Baljuw.

Maar ondanks al mijn recht,

Wil ik niet langer vijandschap.

Brand.

Waarom?

De Baljuw.

Omdat u heeft de meesten.

Brand.

Heb ik?

De Baljuw.

Dat weet u toch wel zelf;

U zoekt het volk van heinde en ver;

Hier is, althans de laatste maanden,

Een geest gekomen over ’t dorp,

Die, God weet ’t, niet de mijne is.

En daaruit trek ik het besluit

Dat die van u is uitgegaan.

Hier is mijn hand, wij sluiten vrede!

Brand.

Een strijd als de onze eindigt niet

Vóór één van ons verslagen is.

De Baljuw.

Wat wil u meer dan vrede nog

En minnelijke schikking, zeg?

Ik sla geen verz’nen tegen prikkels;

Ik ben maar een gewone man;

Als op zijn borst de punt gericht is

Van ’s vijands speer, geeft men het op;

Daartegen baat geen stok alleen;[211]

Dan ruimt men beter gauw het veld,

En staat als strijder men verlaten

Dan is ’t verstandigst maar te wijken.

Brand.

Twee dingen zijn hier wel te onthouden:

Eerst dat u mij den sterkste noemt;

Ik heb de meesten …

De Baljuw.

O, beslist!

Brand.

Ja, mooglijk nu nog; maar als ’t ooit

Tot ’n groot en ernstig offer komt …

Wie heeft de macht in handen dan?

De Baljuw.

Een ernstig offer? Lieve God,

Dat zal u hier wel nooit beleven!

In ’t ergst geval komt ’t dáárop neer

Dat zij eens tasten in de zakken.

De tijden zijn humaan en willen

Geen offer meer van andre dingen.

En ’t hinderlijkst in deze zaak is

Dat ’k zelf behoor tot ’t aantal, dat

’t Humane op den voorgrond drong,

En daardoor de offerzucht verzwakte,

Zoodat men nu wel zeggen kan

Dat ik mij zelf ten offer bracht,…

In elk geval dat ’k bond het rijs

Tot ’n roe, waarmee men mij nu slaan wil.

Brand.

Dat u gelijk heeft, kan gebeuren.

Maar voor de rest begrijp ik niet

Dat u ’t nu al verloren geeft.

Of roe of geen roe, dat beduidt niets.

Een man is voor zijn taak gemaakt;

Zijn doel moet hem het Paradijs zijn!

En tusschen dàt en hem moog’ stroomen

Een zee,… ligt Satans land nabij,

Mag hij dan roepen: ’t gaat niet aan …

De weg ter helle is veel korter?!

De Baljuw.

Hierop moet ’k zeggen ja, en neen;

Een mensch moet ergens toch wel landen,…[212]

En ziet hij zijn vergeefsche pogen,

Dan zoekt hij andre wegen op.

’t Is eenmaal zoo, men wil vergoeding

Voor klein werk of voor grooten arbeid;

En wint men ’t niet met eerlijk strijden,

Dan tracht men slinksch er toch te komen.

Brand.

Maar nimmermeer wordt zwart toch wit!

De Baljuw.

Maar, lieve vriend, wat helpt het u

Om iets zoo wit als sneeuw te noemen,

Als allen zwart als sneeuw nu roepen?

Brand.

U roept misschien wel mee?

De Baljuw.

Och neen,…

Ik zeg niet zwart, maar liever grijs.

Humaan is ’t wachtwoord; ’t volk wil niet meer

Hardhandig worden aangegrepen.

Bedenk, wij zijn in een vrij land;

Hier mag een ieders meening gelden.

Hoe zou dan één man tegen allen

Doen uitspraak over zwart of wit?…

In ’t kort, omdát u heeft de meesten

Is u de man die bovenaan staat.

Ik sluit mij evenals de andren,

Nu bij u aan, zoo goed als ’t gaat,

En hoop dat niemand ’t euvel duide

Dat ik niet tot het uiterst streed.

’t Volk oordeelt nu, ik zie het best,

Mijn werk als onbeduidend, min;

Zij achten één ding nu méér noodig

Dan jaar op jaar d’ oogst te vermeerdren!

Niet meer gewillig draagt zijn deel

Een ieder bij waar ’t wezen moet,…

En als de wil niet mee in ’t spel is

Dan is een zaak van zelf verloren …

Het valt wel hard, dat kan u denken,

Het plan voor wegen en voor bruggen,

Het dempen van moerassen, plassen,

En nog veel meer, nu op te geven.

Maar, lieve God, wat zal men zeggen,[213]

Wie niet kan winnen moet maar wijken,

Geduldig wachten, wijslijk zwijgen,

En alles van den tijd maar hopen.

Nu,… ik verloor de gunst van ’t volk

Zooals ik die gewonnen had;

Dus moet ik nu langs andre wegen

Het mijne zien terug te krijgen.

Brand.

Maar was ’t dan om de gunst van ’t volk

Dat u die werken alle deed?

De Baljuw.

Neen, waarlijk niet, dat was het niet;

Ik wou ten algemeene nutte

Voor ’t dorp het beste, dat alleen.

Maar niet ontken ik, dat in ’t spel was

Ook hoop op weervergelding eens,

Voor welvolbracht werk, met ter tijd.

Zoo is het toch: een werkzaam mensch,

Met gaven en gezond verstand,

Wil vruchten van zijn werken zien,

Niet steunend door het leven gaan

Ter wille van een hoog idee.

Ik kan ook met den besten wil niet

Nalatig zijn voor eigen goed,

En andren off’ren al mijn kracht.

Ik zit tehuis op zware lasten;

Ik heb een vrouw, verscheiden dochters,

Die geldt mijn zorg het allermeest;…

Beginslen lesschen niemands dorst,

Beginslen stillen niemands honger,

Waar men, als ik, het huis zoo vol heeft;

En mocht mij iemand zijn verwondring

Daarover uiten, zeg ik dit:

Dat hij als huisvader niet deugt.

Brand.

En nu is dus uw plan?…

De Baljuw.

Te bouwen.

Brand.

Te bouwen, zegt u?

De Baljuw.

Juist, jawel,…[214]

Tot heil van ’t dorp en van mijzelf.

Eerst wil ’k mijn reputatie weer

Opbouwen, die ’k hier vroeger had;…

Verkiezingstijd staat voor de deur;

Dus neem ’k mijn toevlucht tot iets groots,

Ga ’t plan daarvoor vast kenbaar maken,

Dan word ik wel weer gauw het haantje,

En valt de keus wel weer op mij.

Nu heb ik zoo gedacht … men kan

Onmooglijk tégen stroom op roeien.

’t Volk wil, zooals ’t nu heet, verheffing;

Dat is iets waar ik toch niet bij kan;

Ik help het maar zoowat vooruit;

Maar zoo iets moet vriendschaplijk gaan,

En allen zijn nu tegen mij.

Kijk, daarom ben ’k na rijp beraden

Tot ’t plan gekomen, om als ’t gaat,

Den vloek der armoe te bestrijden.

Brand.

Uitroeien wil u die?

De Baljuw.

O neen;…

Die is toch een noodzaaklijk kwaad

Der maatschappij, en onvermijdlijk;

Doch wel te leiden, te beperken

Met handigheid, tot zeekre vormen,

Zoo wij maar tijdig er op letten.

Wij weten ’t, armoe is de mest

Die ’t best doet tieren alle kwaad;

En die bemesting wil ’k beperken.

Brand.

En hoe denkt u?

De Baljuw.

Kan u ’t niet raden?

Voldoende aan een diep gevoelde

Behoefte van de heele omgeving,

Bouw ’k voor de armoe hier een pesthuis;

Ja, ’n pesthuis, zeg ik, met bedoeling,

Daar het besmetting weren moet.

Aan dat gebouw, was mijn idee zoo,

Moest een arresthuis zijn verbonden,

Zoodat hier oorzaak en gevolg[215]

Te zamen worden opgesloten,

Doch door een tusschenmuur gescheiden.

En als ’k nu toch eens aan den gang ben,

Dacht ik ook nog er bij te bouwen

Een vleugel … onder ’t zelfde dak …

Met ’n zaal voor feesten, ’n bijeenkomst,

Voor ernst of kortswijl te gebruiken,

Met een katheder en veel ruimte,…

Een mooie, politieke feestzaal.

Brand.

Hard noodig is vooral het laatste;

Maar ’k weet iets, daar ’s nog meer gebrek aan.

De Baljuw.

Dacht u soms aan ’n asyl voor gekken?

Ja, zeker; dat ’s hard noodig ook.

Dat was aanvankelijk mijn gedachte,

Maar na wat overleg met andren

Kwam ’k van dat denkbeeld weer terug;

Want hoe aan middelen te komen

Voor zoo’n geweldig groot gebouw?

Want g’loof mij, zoo’n gesticht zou kosten

Een buitensporig groote som,

Als iedereen die ’t noodig heeft

Een onderkomen daar moet vinden.

Men moet vertrouwen op den tijd,

Niet enkel bouwen voor zich zelf,…

Met reuzenschreden ging ’t vooruit

Verleden jaar, dit jaar zoo niet;…

U ziet hoe alle volksbelangen

Verbazend al zijn uitgegroeid;

Met zevenmijlslaarze’, als behekst,

Ontwiklen krachten zich en gaven,

In alle mogelijke vakken.

’t Zou dus een al te dure grap zijn

Ons nageslacht plaats te bezorgen,

Voor zich, met kindren en met vrouwen.

En daarom zeg ik: lieve God,

Die tand, die trekken wij maar uit!

Brand.

En wordt eens iemand al te gek

Dan heeft u toch de groote zaal.

[216]

De Baljuw (tevreden).

Ja, die zal meestentijds toch leeg staan!

Die inval, Brand, was waarlijk snedig!

Als ’t bouwplan nu maar niet verong’lukt,

Dan krijgen wij ’t gesticht nog gratis,

Verzaamlen onder ’t zelfde dak,

Beveiligd door dezelfde vlag,

De wezenlijke elementen,

Die voor ons dorp kenmerkend zijn;

Daar hebben we onze armoedzaaiers,

Met heel den schurkentroep er bij,

Krankzinnigen, die los en vrij

Rondliepen zonder hulp of tucht,…

En dan de vrucht van onze vrijheid,

Verkiezingsstrijd met knappe reednaars,

Een raadzaal waar wij overleggen,

Wat dienen kan tot nut van ’t dorp,…

Een feestzaal, waar met volle glazen

Wij blij herdenken ’t voorgeslacht.

Als dus de zaak niet valt in duigen,

Krijgt hier de zoon der bergen alles

Wat hij met billijkheid kan eischen,

Om recht naar eigen zin te leven.

Helaas, de streek hier is niet rijk;

Maar staat eerst dat gemeenschapshuis,

Dan, denk ik, kan men ’t noemen hier

Met recht, een welbestuurd distrikt.

Brand.

Maar ’t geld …?

De Baljuw.

Ja juist, daar zit de knoop,

In deze zaak als in de meeste;

De lust is zwak om bij te dragen,

En zoo u mij uw hulp onthoudt

Dan kan ik ook de vlag wel strijken.

Maar steunt u met uw machtig woord

Mijn plan, dan zal het wel gelukken,…

En komt het dan eenmaal tot stand

Zal ik u waarlijk niet vergeten.

Brand.

Dus ’t is uw plan mij om te koopen?

[217]

De Baljuw.

Ik zou het liever anders noemen …

Voor beiden zou het, naar ik meen,

De tweedracht, die er als een kloof

Tot nu toe tusschen ons bestaan heeft,

Tot beider voordeel kunnen dempen.

Brand.

Dan heeft u slecht uw tijd gekozen …

De Baljuw.

Ach ja, ik weet wel, ’t groote leed,

Dat pas uw ouderhart gewond heeft;

Uw kalmte echter deed mij ’t wagen;

En de behoefte aan vasten steun …

Brand.

Zoowel in vreugde als in leed,

Ben ik bereid, waar ’t noodig zijn mocht;

Maar om een andre reden doet

U dezen keer vergeefsche moeite.

De Baljuw.

Die reden is …?

Brand.

Ik zelf wil bouwen.

De Baljuw.

Wat! Bouwen? Neemt u mij mijn plan?

Brand.

Niet heelemaal. (wijst naar buiten).

Kijk, ziet u ginds …?

De Baljuw.

Dáár?

Brand.

… Ja.

De Baljuw.

Dat groote houten huis?

Dat is immers uw koeienstal?

Brand.

Neen, dàt niet;… ’t kleine houten huisje.

De Baljuw.

Wat! ’t Kerkje!

Brand (knikt).

Dàt wil ik verbouwen.

De Baljuw.

Dat zal waarachtig niet gebeuren![218]

Aan ’t kerkje zal mij niemand raken;…

’t Is om den voet mij dwars te zetten;

Mijn plan is klaar en daar is haast bij;

Maar ’t uwe werpt mij uit het zadel;

En beide te gelijk, dat gaat niet,…

Geef toe dus …!

Brand.

Dàt deed ik nog nimmer.

De Baljuw.

Nu moet u ’t doen! Bouw mijn arresthuis

Met ’t pesthuis en de groote feestzaal,

In ’t kort, ’t gesticht … om zoo te zeggen,…

Wie vraagt dan naar ’t vervallen kerkje?

En waarom moet dat nu verbouwd?

Het was toch vroeger groot genoeg.

Brand.

Wel mooglijk; maar nù is ’t te klein.

De Baljuw.

Maar ik heb ’t toch nooit vol gezien!

Brand.

Een enkle ziel zelfs kan daarbinnen

Geen ruimte voor verheffing vinden.

De Baljuw (schudt verwonderd het hoofd).

Waarmee die enkle ziel ’t bewijs geeft

Hoe noodig hier mijn gekkenhuis is.

(op anderen toon).

Laat ’t kerkje staan, laat mij u raden;

Men kan het tot op zeekre hoogte,

Een oud eerwaardig erfstuk noemen.

Het is een erfstuk, onvervreemdbaar,…

En ’t wordt niet om een nuk vernietigd!

Al valt mijn bouwplan in het water,

Zal ’k, als een Phoenix uit zijn assche,

Herrijzen in de gunst van ’t volk hier!

Ik kom òp als de ridder koen,

Voor ’t monument hier op ons strand!

Hier was eertijds een offerplaats,…

Dat was in koning Beles dagen;

En daar verrees de kerk toen later

Uit vromer helden roof en buit.

Eerwaardig in haar simple pracht,[219]

Hoogheilig in haar oude dracht,

Stond trotsch zij tot in onze dagen …

Brand.

Maar wat getuigde eertijds van macht

Rust toch al lang in ’t zwijgend graf;…

Nu is daarvan niet veel meer over.

De Baljuw.

Dat is het juist! Zij is zoo oud,

Dat ze eig’lijk al niet meer bestaat;

Maar toen mijn grootvader nog leefde

Was in den muur een gat nog over!

Brand.

Een gat?

De Baljuw.

Wijd als een okshoofd wel!

Brand.

Maar dan de muur?

De Baljuw.

Ja, die was weg.

Kijk, daarom moet ik ronduit zeggen,

De kerk te sloopen is onmooglijk;…

Dat ware een schandlijke, een gruwlijk

Barbaarsche daad zonder gelijken!

En ’t geld,… waar komt dat dan vandaan?

Denkt u dat men hier zoo vrijgevig

Voor zulk een onvoldragen plan

Maar daadlijk in de beurs zal tasten,

Als met een beetje reparatie

Men de oude nog wel zóó kan stutten,

Dat zij het ònzen tijd nog uithoudt?

Maar gaat u zelf maar onderzoeken,…

Ik win mijn zaakje toch ten slotte.

Brand.

’k Ben niet van plan de luî te pressen

Om geld voor ’t nieuw te bouwen Godshuis.

Uit eigen midd’len wil ik bouwen;…

Mijn erfdeel, al wat ik bezit,

Stel ik beschikbaar voor dat doel.

Denkt u wellicht nu nog zoo driest

Dat ’k van gedachte zal verandren?

De Baljuw (met gevouwen handen).

Ik sta als uit de lucht gevallen![220]

Zoo iets komt nauwlijks voor in steden,…

En hier in ’t dorp … waar iedereen

Zoo vast de hand hield op den zak

Voor wat zelfs ’t dringendst noodig was,…

Hier komt u met een stortvloed aan

Die blinkt en fonkelt, sprankelt, schuimt …

Neen, ik moet zeggen, ’k sta verstomd!

Brand.

Al lang deed ’k in gedachten afstand

Van ’t geld.…

De Baljuw.

Ja, ’k hoorde wel eens spreken

Van dingen, die op zoo iets wezen.

Maar ’k dacht dat het maar praatjes waren.

Wie wil een dergelijk offer brengen

Waar ’t hem niet aanbrengt zichtbaar voordeel?

Maar dat ’s geheel uw eigen zaak;…

Gaat u nu vóór, dan volg ik u.

U is in ’t vuur nu, u kan werken,

En ik kom stapvoets er dan ook wel …

Brand, laat die kerk ons samen bouwen!

Brand.

Wat? Wil u ùw plan laten glippen?

De Baljuw.

De lieve God weet dat ik ’t wil!

Gek zou ik zijn, als ik ’t niet deed.

Wie heeft, denkt u, ’t volk op zijn hand,

Als de één het voeren, mesten wil,

En de ander melken, scheren, plukken?

Ja, om de bliksem doe ik mee!

Ik ben van ’t plan al gansch vervuld,

Bewogen, aangedaan, geroerd;

’t Was een gelukkig toeval dat

Mij naar uw huis toe dreef van avond;

Want zonder ’t mijne was misschien

Bij u het uwe niet ontstaan,…

Althans niet aan het licht gekomen.

Zoo is ’t dan toch mijn eigen werk

Het bouwen van die nieuwe kerk!

Brand.

Maar denk er aan, de statig oude

Ruïne kan niet blijven staan!

[221]

De Baljuw (kijkt naar buiten).

Bekeken zoo in ’t dubbel licht

Van maneschijn en verschen sneeuwval,

Ziet zij er erg vervallen uit.

Brand.

Wat zegt u?

De Baljuw.

Brand, ze is heusch te oud!

Het is mij waarlijk onverklaarbaar

Dat ik ’t nooit vóór van avond zag.

De hanebalken staan al scheef;

’t Gebruik wordt weldra hoogst gevaarlijk.

En waar is stijl, architectuur?

Noch in het dak, noch in den muur.

Hoe moet men zulke bogen noemen?

Een vakman zou: afschuwelijk! zeggen;…

En ’t groen bemoste dak kan óók niet

Uit koning Beles’ dagen stammen.

Neen, piëteit kan ook te ver gaan!

En iedereen moet toch begrijpen,

Dat zulk een wrakke, rotte kast

Een onding is, niets meer dan dat!

Brand.

Maar als nu ’t volk zich eens verzette,

En tegen slooping zich verklaarde?…

De Baljuw.

Wil niemand anders dan wil ik.

Ik zal terstond hoe eer hoe liever,

Nog alles reeglen en beschikken,

Dat ’t zaakje glad van stapel loopt.

’k Zal werken, schrijven, en mijn best doen.

Nu ja … u kent mij wel. Genoeg!

En kan ’k geen helpers samen drijven

Voor ’t sloopingswerk, uit ’t domme volk,

Dan pak ik aan met eigen handen,

En breek het plank voor plank zelf af.

Ja, moest ’k mijn vrouw en al mijn dochters

Doen helpen bij ’t vernielingswerk,

Waarachtig, ’k laat geen paal meer staan!

Brand.

Die toon klinkt zeker heel verschillend

Van dien, waarop u straks nog sprak.

[222]

De Baljuw.

Eénzijdigheid te niet doen

Dat leert ons de humaniteit;

En als de dichter het niet mis heeft,

Dan is het juist een heel mooi iets

Dat onze geest gevleugeld is,…

Met andre woorden … hij kan vliegen …

Adieu! (neemt zijn hoed)

Nu moet ik naar de bende.

Brand.

Naar wat?

De Baljuw.

Ja, denk eens, met ons beiden,

Vlak bij het dorp, heb ’k opgepakt

Een troep Zigeuners, leelijk volkje;…

Een stevig touw had ’k tot mijn hulp;

Nu zitten zij daarginds gevangen

In ’n huis aan ’t strand; maar ik mag hangen

Als er geen paar zijn weggeloopen …

Brand.

En pas is ’t kerstfeest ingeluid.

De Baljuw.

Wat doet dat duivelsvolk ook hier?

Maar ’t is ook waar, in zeekren zin

Behooren zij tot dit distrikt … (lachend)

Ja, en juist u! Hoor, een mooi raadsel,

Los dat eens op, als u het kan:

Er leven menschen, die bestaan

Door hèn, van wie uw leven uitging.

En toch bestaan zij, wederom,

Omdat zij van een andren stam zijn!

Brand (schudt het hoofd).

Och God, er zijn zoovele raadsels!

Men staart er op … kan ze niet raden.

De Baljuw.

Maar dit is nog al licht te raden.

U heeft toch wel eens hooren spreken

In ’t dorp, zoo hier of daar, een woord,

Van d’armen jongen, die hier woonde …

En zoo geleerd was als vier priesters, —

En om uw moeder aanzoek deed …

Brand.

Wat verder?

[223]

De Baljuw.

Om een schatrijk meisje!

Maar zij gaf hem den bons, natuurlijk,

Zoo als hij ook wel kon verwachten.

Maar weet u wat hij toen ging doen?

Hij werd van droefheid haast krankzinnig,

En trouwde eindlijk met een andre,

’n Zigeunerin;… en vóór zijn dood

Liet hij een spruit na aan de bende,

Die rondzwerft nu in zonde en nood.

Ja, een van die gemeene heksen

Mocht ons distrikt zoo waar behouden.…

’n Gedachtnis aan zijn mooie daad …

Brand.

En dat is …

De Baljuw.

Wel, de wilde Gerd.

Brand (gedempt).

Aha!

De Baljuw (vroolijk).

Wat? ’t Raadsel is niet kwaad!

Want zij bestaat toch krachtens haar,

Die u eertijds het leven gaf;

Want liefde tot uw moeder was

De drang, die háár het leven gaf.

Brand.

Is er geen middel, dat u weet,

Tot hulp voor die verdoolde zielen?

De Baljuw.

Die zitten ’t best maar achter slot.

Daar is geen goed meer aan te doen;

Wie hen wou redden zou bestelen

Den duivel, die failliet moet gaan

Als hij op aard’ zijn deel niet krijgt.

Brand.

’t Was toch uw plan een toevluchtsoord

Voor alle arme lui te bouwen?

De Baljuw.

Dat plan, zoodra het was gemaakt …

Werd daadlijk weer terug genomen.

Brand.

Maar als ’t nu toch …; het was toch mooi …

[224]

De Baljuw (glimlachend).

Die toon klinkt zeker heel verschillend

Van dien, waarop u straks nog sprak.

(klopt hem op den rug).

Laat dat maar dood zijn en vergeten;

Een man moet vast en zeker handlen.

Adieu! ik mag niet langer toeven;

’k Moet er op uit en gaan beproeven

Die paar ontsnapten op te sporen.

Tot weerziens dus. Een vroolijk kerstfeest

Wensch ik u toe. En groet uw vrouw! (af).

Brand (na een poos zwijgend denken).

O, boete, eindloos boete doen!…

Zoo wild, zoo bont dooreen verward

Zijn alle draden van het lot,…

Zoo liggen zonde en vrucht der zonde

Bijeen, verpestende elkander,

Dat hij die ’t aanziet moet erkennen

Dat goed en kwaad onscheidbaar zijn.

(gaat naar het raam en staart lang naar buiten)

Mijn kind, jij viel, arm schuldloos lam,

Als offer voor mijn moeders daden;

’n Verdoolde ziel kwam als gezant

Van hem, die boven wolken troont,

En deed de noodlotsteerling vallen;…

En deze arme ziel ontstond

Doordat mijn moeders ziel eens dwaald’!

Zoo houdt God met het loon der zonde

In evenwicht zijn eeuwig recht,

En slingert uit der heemlen hoogte

Bezoeking tot in ’t derde lid.

(wijkt verschrikt van het raam terug)

Ja, ’s Heeren wet rust op ’t geslacht!

Zijn eerste doel is evenwicht.

Tot ’t laten rijzen van de schaal

Heeft offervaardigheid de macht;

Maar ’t woord mag niet genoemd thans worden,

Want ’t menschdom beeft al bij het hooren!

(loopt een tijdlang op en neer door de kamer)

En bidden? Bidden? Och,… een woord,

Dat glad genoeg den mond ontrolt,…[225]

Waarmee een ieder gul genoeg is.

’t Beteekent om genade smeeken

Op duistre, raadselvolle wegen,

Om Christus’ tusschenkomst te beedlen,

En hoog te strekken beide handen …

In twijfel staand tot aan de knieën!

O ja, was dáár de zaak mee klaar,

Dan durfde ik, als een ander, ’t wagen

Te kloppen aan des Heeren poort,

Die “vreeslijk om te loven” is!

(blijft stil in gedachten staan)

En toch … in ergste droefheidsdagen

In ’t bangste uur van groote smart,

Toen, ingesluimerd voor het laatst,

’t Kind door geen kus van moeders mond

Meer tot een glimlach was te wekken;…

Wat wàs dat …? Bad ik dan niet toen?

Waar kwam die zoete roes van daan,

Die stroom van zang, die melodie,

Die kwam van ver, en weer verdween …

En hoog mij ophief, licht en vrij?

Bad ik? Was ’k in gebed verzonken?

Heb ik toen hier met God gesproken?

Verstond hij mij? En zag hij neer

Op ’t huis van droefheid, waar ik schreide?…

Wat weet ik! Nu is ’t donker weer

Rondom mij, alles weer gesloten,…

En nergens, nergens licht te vinden …

Ja, Agnes,… zij die ziet geblinddoekt!…

(roept angstig)

Licht, Agnes,… licht, o breng mij licht!

(Agnes opent de deur en komt binnen met de aangestoken kaarsen voor het feest; een helder licht straalt door de kamer).

Brand.

Licht!

Agnes.

Zie je ’t kerstlicht dat ik breng?

Brand (zacht).

Ha, ’t kerstlicht!

Agnes (zet de candélabre op tafel).

Bleef ik lang weg, liefste?

[226]

Brand.

Neen, neen!

Agnes.

Maar och, wat is ’t hier koud;

Je moet verkleumen …

Brand (krachtig).

Neen!

Agnes (glimlachend).

Je trots

Wil zelfs geen warmte of licht behoeven.

(stookt de kachel op).

Brand (loopt op en neer).

Hm, wil niet!

Agnes (stil in zich zelf, terwijl zij de kamer versiert).

Hier zet ik het licht,

Hoe blij naar ’t blinkend kaarslicht greep

Met kleine vingertjes mijn Alf.

Toen was hij nog gezond en flink,

En boog voorover uit zijn stoel

En vroeg of dit nu was een zon! (verzet het licht een beetje).

Nu valt het schijnsel van het licht

Naar buiten … over die plek dáár.

Nu kan hij door de ruiten zien

Den glans, van waar hij ligt en slaapt;

Nu kan hij gluren onbemerkt

In ’t feestlijk stralende vertrek …

Maar als van tranen dof, is ’t glas;…

Wacht, wacht, zoo aanstonds zal het lachen …

(droogt het glas af).

Brand (heeft haar met de oogen gevolgd en zegt zachtjes).

Wanneer zal ooit de storm bedaren

Dier zee van smart, zoo woest beroerd!

Die moet bedaren.

Agnes (in zich zelf).

Kijk, hoe licht!

Nu is ’t als viel de scheidsmuur weg,

Alsof de kamer grooter werd,

Alsof de harde, kille grond

Werd tot een zacht en lekker bedje,[227]

Waar ’t kindje zoet en zacht kan slapen.

Brand.

Wat doe je, Agnes?

Agnes.

Sst! Wees stil!

Brand (dichterbij).

Waarom is dat gordijn daar weg?

Agnes.

’t Was maar een droom; nu is ’t voorbij.

Brand.

Er schuilt in droomen groot gevaar.

Maak ’t dicht weer!

Agnes (smeekend).

Brand!

Brand.

Maak dicht! Maak dicht!

Agnes.

O, wees niet hard, dat is niet goed!

Brand.

Dicht! Dicht!

Agnes (maakt de luiken dicht).

Nu is dan alles dicht.

God zal wel niet beleedigd zijn

Als ’k in een oogenblik van droom

Dronk uit de bron van troost …

Brand.

O neen!

Hij is een zacht en meegaand rechter,

En zal ’t wel door de vingers zien

Als in den dienst, dien je hem wijdde,

Soms insluipt wat afgoderij.

Agnes (barst in tranen uit).

O, zeg mij, hoever gaan je eischen!

’k Ben moe, doodmoe,… mijn kracht bezwijkt.

Brand.

Ik heb gezegd: in zee geworpen

Is ’t offer dat niet alles geeft.

Agnes.

Maar ik gaf alles; ’k heb nu niets meer!

Brand (schudt het hoofd).

Jij moet nog veel meer offers brengen.

[228]

Agnes (glimlacht).

Eisch dan! Nu heb ’k den moed der armoê!

Brand.

Geef!

Agnes.

Neem! Och, Brand, je kunt niets vinden!

Brand.

Je smart en je herinneringen,…

Je zondig smachtende verlangen …

Agnes (in wanhoop).

’k Heb ook nog mijn gemarteld hart!

Ruk uit! Ruk uit!

Brand.

In gapende’ afgrond

En doelloos wierp je ’t offer weg,

Indien je treurt om wat je mist nu!

Agnes (rilt).

Je weg tot God is eng en steil.

Brand.

De vaste wil kent alleen dezen …

Agnes.

Dus geen genâ …?

Brand (afwijzend).

Alléén door offers.

Agnes (staart voor zich uit en zegt fel bewogen).

Nu opent als een afgrond wijd,

Zich ’t woord der Schrift, dat ’k nooit te voren

Geheel verstond.

Brand.

Welk is dat woord?

Agnes.

Hij, die Jehova ziet, moet sterven!

Brand (slaat zijn armen om haar heen en drukt haar vast tegen zich aan).

Verberg je, Agnes! Zie hem niet!

Doe je oogen toe …

Agnes.

Is dat je ernst?

Brand (laat haar los).

Neen!

[229]

Agnes.

Brand, je lijdt.

Brand.

Ik heb je lief.

Agnes.

Hard is je liefde.

Brand.

Al te hard?

Agnes.

Vraag niets; ik volg je waar je gaat.

Brand.

Denk je dat ik eens onberaden

Je jeugd onttrok aan spel en dans …

Dat ’k voor een halfheid je moest treffen

Met offerwilligheids gebod?

Wee ons, dan waar’ te duur, te zwaar

Het offer door ons hier gebracht.

Je bent mijn vrouw, je heele leven

Tot ’s Heeren dienst mag ik dus eischen.

Agnes.

Ja, goed, maar ga niet van mij weg.

Brand.

Ik heb behoefte aan stilte en rust,

De kerkbouw gaat nu gauw beginnen …

Agnes.

Mijn kleine kerkje viel in puin.

Brand.

Pleegde je daar afgoderij

Dan moest de storm het nederstorten.

(omhelst haar als in angst).

God zegen je,… en ook door jou

Mijzelf en wat het mijne is!

(gaat naar de zijdeur).

Agnes.

Brand, mag ik van het raam een beetje

De blinden losdoen? maar een kiertje?

Heel even maar? Toe, mag ik?

Brand (in de deur).

Neen. (gaat zijn kamer binnen).

Agnes.

Stijf toe! Stijf toe,… alles stijf toe![230]

Zelfs vergeten sluit hij af!

Klachten, zuchten, dicht gegrendeld,

Hemel, graf, versperd, op slot!

Ik wil weg; ik kan niet leven

Hier in eenzaamheid en smart!

Weg? waarheen? Zien niet van boven

Strenge oogen op mij neer?

Kan ik op mijn vlucht meenemen

Wat mijn hartsbezitting is?

Kan ’k ontkomen, als ik ’t wilde

Aan mijn angst, mijn doffe leegheid?

(luistert aan de deur van Brands kamer)

Hardop leest hij; tot zijn oor

Dringt mijn stem van hier niet door.

Nergens hulp! Geen raad, geen troost!

God de Heer heeft ’t veel te druk nu

Met te luistren naar der rijken,

Kinderrijken, gelukzaalgen,

Dank en zang en spel en dans.

Kerstmis is een tijd van vreugd.

Mij verlaten moeder, klagend,

Ziet hij niet, schenkt hij geen aandacht.

(gaat voorzichtig naar het raam).

Zal ’k de luiken openschuiven,

Dat het volle, heldre licht

’t Spook van angst en schrik verjaagt

Uit den nacht waarin hij sluimert?…

Neen, hij is niet meer daarginder!…

Kerstmis is der kinderen feest;…

Hierheen komen mag hij thans;

Mooglijk staat hij wel daarbuiten,

Reikt met de armpjes om te tikken

Op de dichtgesloten ruiten …

Hoorde ik daar niet schreien nu?

Alf, mijn kind, ik weet geen raad!

Dicht is ’t hier; dat deed je vader;…

Alf, ik mag niet open doen!

Een gehoorzaam kind ben jij,

Nooit deed jij of ik verdriet hem.

O, stijg gauw weer op ten hemel,

Daar is licht en daar is vreugde:

Daar is spel van kinderscharen.[231]

Maar laat niemand je zien schreien,…

Zeg niet dat je vader ’t huis sloot

Toen je aan de deur kwam kloppen.

’t Kindje kan nog niet begrijpen

Wat is groote-menschen-plicht.

Zeg dat treurend hij, en zuchtend

Bladen voor een krans geplukt heeft;

Zeg dat hij dien heeft gemaakt.

Kan je ’m zien? Die is van hem!

(luistert, bedenkt zich en schudt het hoofd).

Och, ik droom weer! Meer dan luiken

Staat als scheidsmuur tusschen ons.

In den gloed van ’t loutringsvuur

Valt eerst alle scheiding weg,…

Barst ’t gewelf en scheuren grendels

Knarsen kerkerdeuren-hengsels,

Springt er open ’t groote slot!

Veel, o veel moet nog gebeuren,

Vóór we elkander weerzien kunnen …

’k Zal in alle stilte werken,

Om zijn eischen te voldoen;

’k Zal mij harden, ik zal willen…

Maar van avond is het feest.

’t Vorig jaar was ’t wel heel anders!

Stil,… het feest wil ik toch vieren;

’k Haal te voorschijn al mijn schatten;…

Hoe oneindig veel mij waard,

Na ’t verlies van mijn geluk,

’n Moedersmart alleen kan ’t weten.

(Zij knielt neer bij de commode, trekt een lâ open en haalt er verscheidene dingen uit. Op datzelfde oogenblik doet Brand de deur open en wil iets tegen haar zeggen, maar als hij merkt wat zij van plan is, wacht hij en blijft staan. Agnes ziet hem niet).

Brand (zachtjes).

Altijd om het kerkhof zweven,

’t Zelfde spelen rondom ’t graf.

Agnes.

Dit ’s de sluier … en de mantel

Dien hij droeg toen hij gedoopt werd …

Hierin knoopte ik zijn jurkje …

[232]

(houdt het in de hoogte, kijkt er naar en lacht).

Och, wat stond hem dat toch lief!

Prachtig was mijn kleine vent

Toen wij in de kerk daar zaten …

Hier de sjerp en hier het kieltje,

Dat hij droeg den eersten keer

Toen hij mee mocht gaan naar buiten.

O, het was toen veel te lang,

Maar het werd hem gauw te klein al …

Dat zal ik maar hier neerleggen …

Wantjes, kousjes,… wat een beenen!…

En zijn nieuwe zijden hoedje,

Dat hij kreeg toen ’t winter werd …;

Mooi en frisch, en ongebruikt nog.

O, daar liggen nog de kleertjes

Waarin ’k hem gewikkeld had

Om te reizen, warm en licht;

Toen ik die weer weg moest leggen

Was ’k tot stervens toe vermoeid.

Brand (wringt de handen in smart).

Spaar mij, God! Ik kàn haar laatsten

Afgodstempel niet verbrijz’len;

Zend een ander, als ’t dan moet!

Agnes.

Hier zijn vlekken; heb ’k geschreid?…

Wat een schat! Bedekt met paarlen,

’n Tranenspoor van bange smarten,

Stralend van het wee der keus,

Heilig!—dat ’s de kroningsmantel

Dien hij droeg den dag van ’t offer!

O, wat ben ik toch nog rijk!

(Er wordt hevig aan de gangdeur geklopt; Agnes keert zich om met een kreet en ontwaart tegelijkertijd Brand. De deur wordt opengerukt, en een havelooze vrouw komt, met een kind op den arm, haastig binnen).

De Vrouw (ziet het kindergoed en roept tegen Agnes:)

Geef mij wat, jij rijke moeder!

Agnes.

Jij bent tienmaal rijker wel.

De Vrouw.

Jij bent er dus ook zoo een[233]

Met den mond vol mooie woorden!

Brand (komt nader).

Zeg mij wat je hier komt zoeken.

De Vrouw.

Jou niet, want jij bent een priester!

Liever in den storm daar buiten

Dan van boete hooren spreken;

Liever vluchten tot ik neerval,

Mij verdrinken, of verhongren,

Dan jou, zwartrok, aan te hooren,

Die mij naar de hel wil jagen!

Kan ik ’t helpen, voor den duivel,

Dat ik werd tot wat ik ben?

Brand (zacht).

Deze stem en dat gezicht …

Angstvermoeden wekken zij!

Agnes.

Rust, en warm je, als je ’t koud hebt.

Geef het kind wat ’t noodig heeft …

De Vrouw.

Een Zigeuner mag niet zitten

Waar het licht is, waar het goed is.

Voor ons zijn de buitenwegen,

Holen, bosschen, hei en bergen;

Huis en haard, die zijn voor jullie,

’k Moet naar buiten weer terstond,

Zij zijn achter mij als honden!

De politie, allemaal,

Krijgt die mij, dan word ’k gebonden.

Brand.

Hier is ’t veilig voor je.

De Vrouw.

Hier?

Onder ’n dak en tusschen muren?

Neen hoor; dan geeft winternacht

Beetre lucht nog voor ons beiden.

Maar iets om het kind te dekken!

Want zijn broer liep weg, die smeerlap,

Als een dief met al de vodden

Waarin ’k hem gewikkeld had.

Kijk, hij is zoo goed als naakt nu,

Blauw en nat en half bevroren[234]

In de sneeuwbui van daar straks.

Brand.

Vrouw, laat hier je kind bij ons,

Dat bij voor jouw lot bewaard blijv’.

Doe het voor zijn zieleheil;

Dan wordt ’t brandmerk weg genomen …

De Vrouw.

Ja, jij bent goed op de hoogte!

Zulk een wonder doet er niemand,…

Mag en moet zelfs niemand doen!

Strijd met hen, die hem verstieten!

Weet je waar hij is geboren?

Op den berm van den weg, ja!

Onder spel, gejoel en drank.

Werd gedoopt met modderspatten,

’t Kruis gemaakt met heete asch,

Uit de drankflesch ’t eerst gelaafd …

En juist toen hij werd geboren

Stonden ze om ons heen te razen;…

Waarom, denk je, zeg? God beter ’t!

Wie de vader van het jong was!

Brand.

Agnes?

Agnes.

Ja.

Brand.

Je kent je plicht.

Agnes (met schrik).

Brand! Aan haar! O neen, dat nooit!

De Vrouw.

Geef, o geef mij wat je hebt!

Oude lappen, zijden goed!

Niets is mij te slecht, te mooi,

Als ’t hem maar verwarmen kan.

Laat ontdooien hem toch eerst

Als hij dan van daag nog sterft!

Brand (tegen Agnes).

Wederom geeft God een teeken!

De Vrouw.

Er is ruim voor je eigen jongen …

Heb je voor den mijnen niets?

’t Zij wat kleeren, ’t zij een doodshemd?

[235]

Brand.

Hoor je niet hoe in haar woorden

Waarschuwing van boven klinkt?

De Vrouw.

Geef, geef!

Agnes.

Het is heiligschennis!

’n Misdaad aan mijn kleinen doode!

Brand.

Doelloos bracht je hem ten offer,

Als je op den drempel staan blijft.

Agnes (gebroken).

’t Zij dan zoo … je wil geschiede

’k Treed mijn bloedend hart met voeten.

Vrouw, kom hier, neem wat je wilt.…

’k Deel met je mijn overvloed …

De Vrouw.

Geef! geef!

Brand.

Deelen?… Agnes, deelen?

Agnes.

Liever ga ik dood, dan alles

Weg te stelen! ’k Ben geweken

Voet voor voet! Ik kan niet verder!

’t Is genoeg; meer is niet noodig!

Brand.

Was dan alles ook te veel

Toen voor jouw kind jij het kocht?

Agnes (geeft).

Vrouw, kom hier; neem dezen mantel,

Waar ’k mijn kind ten doop in hield.

Hier het jurkje,… sjerp en kieltje;

Dat is warm in winterweer.

Hier het zachte zijden hoedje …

Kou lijdt hij daaronder niet.

Neem het, neem nu alles toch …

De Vrouw.

Geef, o geef!

Brand.

Gaf je alles nu?

Agnes (weer gevend).

Vrouw, hier is de kroningsmantel,[236]

Dien hij droeg den dag van ’t offer!

De Vrouw.

Zoo! nu zijn de laden leeg;

En nu ga ik aan den haal!

Op de trap zal ’k hem wel kleeden;…

Gauw nu weg met al mijn lappen! (af).

Agnes (blijft in hevigen innerlijken strijd staan: eindelijk vraagt zij:)

Zeg eens, Brand, zou ’t billijk wezen

Om nòg meer te eischen nu?

Brand.

Zeg mij eerst, was het van harte

Dat je ’t zware offer bracht?

Agnes.

Neen.

Brand.

Dan heeft het ook geen waarde.

En er blijft nog meer te eischen (wil heengaan).

Agnes (zwijgt tot hij bij de deur is, dan roept zij:)

Brand!

Brand.

Wat is er?

Agnes.

’k Heb gelogen;…

Kijk, ’k betreur het, ’k ben gebogen.

Neen, je kon niet anders denken

Of ’k had alles nu gegeven.

Brand.

En?

Agnes (haalt een opgevouwen mutsje uit haar boezem).

Dit heb ik nog bewaard.

Brand.

Dàt?

Agnes.

Ja, nat van al mijn tranen,

Vochtig van ’t doodskille zweet,…

Heeft het op mijn hart gelegen!

Brand.

Blijf dan in je afgods macht. (wil heengaan).

[237]

Agnes.

Wacht!

Brand.

Wat wil je?

Agnes.

O, je weet het! (reikt hem het mutsje toe).

Brand (komt dichterbij en vraagt zonder het aan te nemen).

Is ’t van harte?

Agnes.

Ja!

Brand.

Geef hier dan.

De arme vrouw zit op de trap nog. (af).

Agnes.

Losgescheurd … verscheurd is alles …

’t Laatste wat mij nog aan ’t stof bond!

(staat een poos onbewegelijk stil; allengs gaat de uitdrukking van haar gezicht over in een stralende vreugd. Brand komt terug; zij ijlt hem jubelend te gemoet, valt hem om den hals en roept:)

’k Ben bevrijd, Brand! ’k Ben bevrijd!

Brand.

Agnes!

Agnes.

’t Duister is voorbij!

Alle angsten die er lagen

Loodzwaar drukkend op mijn borst,

Zijn in d’afgrond weggeslingerd!

Overwonnen heeft mijn wil!

Alle neev’len zijn verstoven,

Alle wolken weggevaagd;

Door den nacht aan de overzijde

Zie ik schijnen ’t morgenrood!

Doodenakker! Doodenakker!

’t Woord wekt nu geen tranen meer,

Scheurt de wond nu niet meer open;…

’t Kindje voer ten hemel op!

Brand.

Ja, nu heb je overwonnen!

[238]

Agnes.

Overwonnen heb ik, ja …

Graf en doodsangst, pijn en smart!

O, zie opwaarts, zie naar boven!

Zie je Alf staan voor Gods troon,

Lachend, blij, als in zijn leven,

Strekkend de armpjes naar ons uit?

En al had ik duizend monden,

En al mòcht ik en al kòn ik,

Geen zou ik er open doen

Om hem weer terug te vragen.

O, hoe groot, hoe rijk is God

In ’t bereiken van zijn doel.

’t Kind als offerlam gevallen,

Heeft mijn ziel gered ten leven;

’k Kreeg het om ’t weer af te geven,

Om de zege te bevechten!…

Dank dat jij mijn hand geleid hebt;

Trouw heb je voor mij gestreden;

O, ik zag wel hoe je leedt.

Nu sta jij in ’t dal der keus;

Weldra drukt op jou ’t gewicht

Van het alles dan, of niets!

Brand.

Agnes, kind, je spreekt in raadsels;…

Nu is alle strijd gestreden!

Agnes.

Heb je ’t woord der Schrift vergeten:

Die Jehovah ziet moet sterven!

Brand (wijkt terug).

Wee mij! Welk een licht ontsteek je!…

Neen! Neen! Duizendmalen neen!

Ik heb reuzensterke handen,

Van mij heengaan zal je niet!

Laat dan alles mij ontglippen,

Alles kan ik hier ontberen,

Maar niet jou, o neen, jou nooit!

Agnes.

Kies; je staat nu aan den kruisweg!

Doof het licht dat in mij gloeit nu,

Sluit de bron af dier gevoelens,

Geef mij weer mijn afgodsbeelden …[239]

Buiten zit die vrouw nog altijd;…

Laat opnieuw mij wederkeeren

Tot de dagen toen ik blind was,

Laat mij weer in ’t slijk verzinken,

Waar ’k tot nu toe leefde in zonde;

Alles kan je; ’t staat je vrij;

Tegen jou vermag ik niets;

Knak mijn vleugels, sluit mijn ziel op,

Leg op mij het lood der dagen,

Bind mij, trek mij weer omlaag,

Waar je zelf mij van omhoog hief,…

Laat mij leven als te voren,

Toen ik mij in ’t duister wrong!

Als je dit doen wilt en durft,

Ben ik als voorheen je vrouw;…

Kies; je staat nu aan den kruisweg!

Brand.

Wee mij! wee mij, als ik ’t wilde!

O, maar ver van deze plek,

Ver van droeve erinneringen

Vind je licht en leven weer!

Agnes.

Denk je niet dat hier je binden

’t Offer … en je roeping ook?

En vergeet je al de zielen,

Die je hier genezen moet?

Hen, die God je toevertrouwde

Om te leiden tot verlossing?

Kies! je staat nu aan den kruisweg!

Brand.

Mij is hier geen keus gelaten.

Agnes (valt hem om den hals).

Dank voor alles,… en ook dáárvoor!

Trouw gesteund heb je de zwakke!

’k Voel me moe nu en gebroken,…

Maar jij zult mij trouw bewaken.

Brand.

Slaap! Je dagwerk is gedaan.

Agnes.

Ja, gedaan, en ’t nachtlicht brandt.

De overwinning nam mijn kracht;

Nu ben ’k zwak en uitgeput;[240]

O, maar God wil ’k eeuwig loven!

Goeden nacht, Brand!

Brand.

Goeden nacht!

Agnes.

Dank voor alles. Nu ga ’k slapen (af).

Brand (drukt de handen tegen zijn borst).

Ziel, wees trouw tot ’t allerlaatste!

Hoogste zege is ’t àl verliezen.

Door verlies wordt eerst gewonnen;…

’t Eeuwig erfdeel is ’t verloorne!

EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.

[241]

[Inhoud]
VIJFDE BEDRIJF.
Anderhalf jaar later. De nieuwe kerk staat geheel gereed en versierd ter inwijding. De rivier loopt er vlak langs. Het is nevelig, vroeg in den morgen.

De koster is bezig kransen op te hangen buiten vóór de kerk; even later komt de schoolmeester.

De Schoolmeester.

Kijk eens aan, al op?

De Koster.

’t Is wel noodig.

Help eens ’n handje met dat groen hier.

Een haag moet ’t worden voor den optocht.

De Schoolmeester.

Daarginder aan de pastorie zag ’k

Iets in een ronde lijst ophangen …

De Koster.

Jawel, jawel!

De Schoolmeester.

Wat moet dat worden?

De Koster.

Een eereschild, zooals ze ’t noemen,

Met op een gouden grond, zijn naam.

De Schoolmeester.

Ja, ’t is een feestdag voor ’t distrikt!

Van alle kanten komen ze aan;

Van zeilen wit haast ziet de fjord.

De Koster.

Ja, nu is de gemeente wakker;

In vroeger dagen, vóór zijn tijd,

Wist niemand hier van twist of strijd;

Toen sliep je zelf, toen sliep je buurman;[242]

Ik weet al niet, wat is nu ’t beste.

De Schoolmeester.

Leven, vriend, leven!

De Koster.

Maar wij gaan

Langs ’t leven, onberoerd voorbij;

Hoe komt dat dan?

De Schoolmeester.

Dat komt omdat

Wij werkten tot de andren sliepen;…

En toen ze ontwaakten, sliepen wij,…

Want ons had niemand toen meer noodig.

De Koster.

Maar leven, was toch ’t best, zei u?

De Schoolmeester.

Dat zegt de proost en dominee;

En dan zeg ik niet graag wat anders,

Maar, enkel als de groote massa

Er ook zoo over denkt, dat spreekt.

Voor ons geldt nog een andre wet

Dan die hier voorgelezen wordt;

Wij beiden hier zijn ambtenaars

Van het distrikt, om trouw te steunen

De tucht der kerk en alle wetenschappen,

En die met hartstochten zich niet bemoeien,

In één woord: buiten de partijen staan.

De Koster.

Maar dominee staat niet er buiten.

De Schoolmeester.

Dat is nu juist zoo te betreuren.

Ik weet vast dat zijn superieuren

Niet over hem tevreden zijn,

En als zij voor het volk maar durfden,

Dan keerden zij ’m al lang den rug toe.

Maar hij is slim; hij ruikt de lont wel,

Hij weet genoeg wat er te koop is.

Hij bouwt de kerk. En alles staart zich

Hier blind, als er maar iets gedaan wordt.

Wàt er gedaan wordt, dat raakt niemand;

Dát iets gedaan wordt,… dat ’s de kwestie,…

Wij allemaal hier,… volk en leiders

Kan men met recht daadsmannen noemen.

[243]

De Koster.

U was een tijdlang afgevaardigd,

En moet dus volk en land wel kennen;

Maar iemand die hier door de streek trok,

Kort nádat de gemeente ontwaakt was,

Zei, vroeger waren zij hier slapers,

En nu, ontwaakt, gelofte-doeners.

De Schoolmeester.

Ja, met geloften zijn zij gul …

Doen àl te veel maar aan geloften,…

Het volk heeft zich zoo snel ontwikkeld,

Dat iedereen haast wat belooft.

De Koster.

U, die studeerde, zeg mij toch eens …

Ik heb er vaak op zitten peinzen …

Wat noemt men toch een volksgelofte?

De Schoolmeester.

Een volksgelofte? dat ’s niet maklijk

Te zeggen, zou wat ver ons voeren;

Maar ’t is iets waaromheen zich allen

Vereenigd scharen … om ’t idee;

Het is iets dat gebeuren moet,

Ver in de toekomst, welbegrepen.

De Koster.

Zoo, dank u, dat kan ik begrijpen;

Maar er is nog iets dat ik graag

Nog even van u hooren wou.

De Schoolmeester.

Zeg ’t vrij-uit maar.

De Koster.

Na hoeveel jaren

Komt dan wat men de toekomst noemt?

De Schoolmeester.

Wel!

Die komt nooit!

De Koster.

Komt nooit?

De Schoolmeester.

Welneen!

En dat ’s natuurlijk ook in orde.

Want kòmt zij, dan is zij geworden

Het heden,… is geen toekomst meer.

[244]

De Koster.

Ja, dat is zoo, dat zie ik in;

Daarover valt niet te krakeelen.

Maar hoe houdt men dan die belofte?

De Schoolmeester.

Maar ik heb immers juist gezegd,

Die heeft betrekking op de toekomst;

Wordt in de toekomst pas vervuld.

De Koster.

Ja goed; maar wanneer komt die dan?

De Schoolmeester (in zichzelf).

Dat is me een koster! (luid) Lieve vriend,

Moet ik herhalen wat ik zei,

Dat er geen toekomst ooit kan komen,

Want als die komt, bestaat zij niet meer.

De Koster.

Hm!

De Schoolmeester.

Achter elk abstract begrip

Ligt iets, dat veel lijkt op een draai,

Maar dat toch heel eenvoudig is,…

Dat is te zeggen dus, voor hen,

Die verder tellen dan tot tien.

Beloven is ten slot beliegen,

Mag wie belooft ook eerlijk zijn;

Tot nog toe heette ’t houden moeilijk;

Men kan wel zeggen glad onmooglijk,

Als men van logica wat afweet …

Kom laat ons dat maar laten varen.

Zeg, hoor eens?…

De Koster.

Stil!

De Schoolmeester.

Wat is er?

De Koster.

Stil toch?

De Schoolmeester.

Zoo waar, ik hoor daar iemand spelen

Op ’t nieuwe orgel.

De Koster.

Dat is hij.

[245]

De Schoolmeester.

Wat? Brand?

De Koster.

Jawel.

De Schoolmeester.

Wel sapperloot!

Die is vroeg bij de hand geweest!

De Koster.

Ik g’loof haast niet dat hij van nacht

Zijn bed ook maar heeft aangeraakt.

De Schoolmeester.

Wat?

De Koster.

Ja, dat loopt daar nooit goed af,

Hij wordt verteerd door heimlijk leed

Van dat hij weduwnaar werd af.

Hij wil ’t verbergen, dat is waar;

Maar nu en dan komt ’t voor den dag:

’t Is of hem ’t hart dan overloopt,…

Dan speelt hij. Hoor hoe iedre toon

Als schreien klinkt om vrouw en kind.

De Schoolmeester.

Het klinkt haast als een samenspraak …

De Koster.

Van een die troost en een die lijdt …

De Schoolmeester.

Hm,… als ik mocht werd ’k aangedaan!

De Koster.

Ja, als men niet was ambtenaar …

De Schoolmeester.

En vastgeklemd en ingesnoerd

In alles wat zijn stand betaamt!

De Koster.

Ja, als men durfde naar den duivel

Te jagen al die boekenpraat!

De Schoolmeester.

En dan niet zoo verstandig zijn,

Maar durven voelen, beste koster!

De Koster.

Vriend, niemand ziet ons,… laat ons voelen!

De Schoolmeester.

’t Waar’ onbetaamlijk af te dalen[246]

Tot ’t voelen van gewone menschen.

Een man moet, zoo leert onze priester,

Niet meer dan één ding willen zijn;

Zelfs wie ’t zou willen, kan niet wezen

Een mensch en tevens ambtenaar.

Men moet alleen … in allen deele …

Navolger van den baljuw zijn.

De Koster.

Waarom van hèm juist?

De Schoolmeester.

Nu, u weet

Toch wel toen daar die zware brand was,

Hoe hij ’t archief toen droeg naar buiten

En ’t redde?

De Koster.

Ja, dat was een nacht!

De Schoolmeester.

Een onheilsnacht! De baljuw zwoegde,

’t Was of hij veertiendubbeld leefde …

Maar binnen stond de duivel, lachend,…

Zijn vrouw, dien ziende, aan het jamren:

Je zieleheil, mijn lieve man!…

De booze staat je naar het leven!

Toen riep de baljuw in den gloed:

Mijn ziel? Laat die maar naar de hel gaan!

Help mij maar het archief te redden!

Kijk, hij is baljuw op end’ op,

Met huid en haar, met hart en ziel.

En daarom komt hij vast terecht eens

Waar loon naar werken hij zal krijgen.

De Koster.

En waar is dat?

De Schoolmeester.

Natuurlijk in

Der goede baljuws Paradijs.

De Koster.

Mijn knappe vriend!

De Schoolmeester.

Hoezoo?

De Koster.

Mij dunkt,

Dat ’k achter alles wat u zegt[247]

De teekens merk van groote gisting;

Want gisting is hier, dat staat vast;

Dat toont de scheuring overal

In d’eerbied voor aloud gebruik.

De Schoolmeester.

Wat schimmelt moet maar in den grond;

Wat rot, is voedsel voor het nieuwe,…

Het heden is een teringlijder,

En wordt geen versche lucht zijn deel,

Dan in de kist maar met den boel!

Ja, gisting is er, dat is zeker,

Dat is te zien, ook zonder kijker.

Den dag, toen ’t oude kerkje viel,

Was ’t of het alles met zich nam

Waarin ons leven tot dien tijd

Geworteld was, zijn voedsel vond.

De Koster.

Toen werden stil en bang de menschen.

Zij riepen eerst: haal neer! haal neer!

Maar ’t duurde niet heel lang, dat schreeuwen,

En menigeen kreeg ’t toch benauwd,

Keek schuw op zij en stond bedremmeld,

Toen ’t oude Godshuis van het dorp

In ernst nu storten zou in puin,…

Want menigeen leek ’t onaantastbaar.

De Schoolmeester.

Zij dachten wel dat sterke banden

Hen aan den geest van ’t oude bonden,

Zoolang nog niet de nieuwe kerk

In allen vorm was ingewijd;

En daarom werd in angst en spanning

Maar opgelet hoe ’t af zou loopen,

Uitkijkend naar den grooten dag,

Waarop in plaats van de oude vlag,

De nieuwe kleuren zullen wapp’ren;…

Doch al naar dat de toren rees

Werd ’t volk al banger, stil en bleek …

En nu,… ja nu is de tijd om.

De Koster (wijst op zij uit).

Kijk, wat een menschen! Klein en groot

Is saamgestroomd.

[248]

De Schoolmeester.

Bij duizendtallen.

Wat is het stil!

De Koster.

Toch hoor ik brommen,

Zooals de zee doet vóór een storm.

De Schoolmeester.

Dat is het hart des volks dat steunt;…

’t Is of ’t beseffen daar doorheen ging,

’t Begrijpen van ’t gewicht der tijden;

Is ’t niet als waren ze uitgetogen

Ten Thing om ’n nieuwen God te kiezen?

Waar is nu Brand? Ik heb ’t benauwd;…

Ik wou dat ’k mij verstoppen kon!

De Koster.

Ik ook, ik ook!

De Schoolmeester.

In zulk een uur

Kan men zijn eigen hart niet peilen:…

’t Gaat diep en dieper nog altijd;

Men wil, verzet zich, kan ’t niet laten!

De Koster.

Vriend!

De Schoolmeester.

Broeder!

De Koster.

Hm!

De Schoolmeester.

Spreek!… waarom draal je?

De Koster.

’k Geloof waarachtig dat wij voelen!

De Schoolmeester.

Wat? Ik niet, zeg!

De Koster.

Nou, ik dan óók niet!

En één getuignis geldt voor niemand!

De Schoolmeester.

Wij zijn toch mannen en geen wijven.

De schooljeugd wacht. ’k Wensch goeden morgen! (af).

De Koster.

Ik leek daarnet zoo waar wel dwaas;

Nu ben ik weer bekoeld en wijs,[249]

En blijf gesloten als een pot.

Aan ’t werk;… hier is ’t nu afgeloopen,

En ledigheid is ’s duivels kussen.

(af naar den anderen kant).

(De orgeltonen die onder het voorgaande gedempt geklonken hebben, bruisen plotseling machtig en vol, eindigend in een snijdenden wanklank. Even later komt Brand uit de kerk).

Brand.

Neen, ik kan den toon niet dwingen

Liefelijk en vol te klinken.

Alles wordt één jammerkreet;

Drukkend schijnen muren, bogen,

’t Hoog gewelf, zich neer te leggen

Op mijn zang, benauwend eng,

Als het hout, het harde, kille,

Nauw omsluitend mijne dooden!

’k Heb ’t beproefd zoo vele malen,

’t Orgel heeft zijn stem verloren.

Hardop zong ik mijn gebed;

’t Kwam terug als klank, gebroken,

Van een klok, gebarsten, roestig,

Als een dof en hol gesteun.

’t Was mij of God zelf daar stond,

Hoog op ’t koor daarboven tronend,

Of hij toornig met de hand sloeg,

Van zich wijzend mijne woorden!

Groot verrijzen zal Gods huis,

Zoo beloofde ik overmoedig;

Breken, vellen, welgemoed

Waagde ik alles neer te halen …

Nu is dan het werk voltooid.

Allen juichen nu in koor,

Roepen: och, hoe groot! hoe groot!…

Zijn nu zij ’t die beter weten,…

Of ben ik het die ’t niet zien kan?

Is het groot? Is nu dit huis

Waarlijk dat wat ik gewild heb?

Is hierdoor, wat ’t deed ontstaan,

’t Smachten van mijn ziel, bevredigd?

Lijkt het op dat beeld eens tempels,[250]

Dat mij voor den geest gezweefd heeft,

Overwelvend alle smarten?…

O, als Agnes was gebleven

Ware ’t anders wel geworden;

’t Groote in ’t kleine kon zij zien,

Licht bracht ze in mijn twijfelnacht,

Aarde en hemel zou ze omvangen,

Als een loofdak over stammen.

(bemerkt de toebereidselen voor het feest).

Groene kransen, vlaggedoek,

Uit de scholen klinkt gezang;

En mijn pastorie loopt vol,

Iedereen wil mij begroeten;…

Prijkt mijn naam daar niet in ’t goud?

God geef licht,… of anders stort mij

Diep in donkren afgrond neer!

Nog een uur; dan gaat ’t beginnen;

Allen denken slechts aan mij nu,

Mijn naam is op aller lippen!

Hun gedachten, o ik ken ze,

En hun woorden voel ik branden,

O, hun loflied gaat verkillend

Als een ijsstroom door mijn hart heen.

Kon ’k … o kòn ik als een roofdier

In een hol mijn hoofd verbergen,

In vergetelheid mij hullen!

De Baljuw (komt in gala-costuum en groet, stralend van tevredenheid).

Hier is dan nu de groote dag,

De Sabbath die besluit de week;

Nu halen wij de zeilen in

En hijschen hoog de zondagsvlag,

Gaan met den stroom mee, zachtjes aan,

En zien hoe ’t al is kant en klaar.

Bravo, Brand, groot en edel man,

Wiens naam weldra weerklinkt door ’t land!

Bravo; ik ben geheel ontroerd,

En toch ook weer ontzettend blij!

En u …!?

[251]

Brand.

Mijn keel is toegesnoerd!

De Baljuw.

O kom, dat gaat aanstonds weer over.

U moet straks mooi en dondrend preeken;…

Geef ’t volk vooral de volle maat!

Naar ’t schijnt is hier een acoustiek,

Die allen, die ik sprak, ten hoogste

Verwondert …

Brand.

Zoo?

De Baljuw.

Ja, zelfs de proost

Was heel verwonderd en vol lof.

En wat een stijl vol harmonie!

Hoe groot, verheven, mooi van vorm

En lijnen …

Brand.

Heeft u dat gemerkt?

De Baljuw.

Gemerkt, wat?

Brand.

Lijkt de kerk u groot?

De Baljuw.

Niet enkel lijken,… neen, zij is ’t,

Van dichtbij evenals van ver.

Brand.

Ze is groot dus? Werkelijk? U vindt ’t?…

De Baljuw.

Ja, om de bliksem is ze groot,…

Te groot voor menschen hier in ’t Noorden.

In andre landen, weet ik wel,

Legt men een andren maatstaf aan;

Maar wij, die hier bekrompen wonen

Op schrale rotsen, brakke velden,

Op ’n strookje tusschen berg en fjord,…

Hier is zij groot, verbazend groot zelfs!

Brand.

Ja, ja; en voor de oude leugen

Kwam dus een nieuwe in de plaats.

De Baljuw.

Hoezoo?

[252]

Brand.

Wij gaven ’t volk voor ’t oude

Vervallen, wrakke monument

Een hoogen, een modernen toren.

Eerst teemde ’t koor: och, zoo eerwaardig!

Nu brullen zij: kijk toch, hoe groot!…

Zoo vindt men er geen tweede meer!

De Baljuw.

Mijn waarde vriend, ’k moet eerlijk zeggen,

Dat wie haar nu nog grooter wenscht

Van hoogmoed niet is vrij te pleiten.

Brand.

Maar iedereen moet toch begrijpen

Dat, wat daar staat, een kleine kerk is;

Dat te verhelen zou zijn liegen.

De Baljuw.

Neen, hoor,… laat zulke grillen varen!

Wat moet dat nu? Waarom blameeren

Wat men met moeite zelf gebouwd heeft?

De menschen zijn zoo recht tevreden,

Zij vinden alles prachtig, rijk,

Omdat nog geen ooit zoo iets zag;…

O, laat hen in dien waan toch blijven!

Waarom de stakkers op te porren,

En met geweld licht gaan ontsteken

Waarvan niemand gediend wil zijn?

’t Komt alles neer op hun geloof.

En ’t doet er heelemaal niet toe

Al was de kerk een hondenhok,

Als ’t volk maar rustig gelooven kan

Dat zij is groot, geweldig groot.

Brand.

Altijd en overal hetzelfde!

De Baljuw.

Van daag zijn bovendien, met ’t feest,

Die zielen hier bij ons te gast;

En ’t zou hoogst onwelvoeglijk wezen

Ware alles nu niet op zijn best.

En ’t allermeest nog voor u zelf

Zou ’t onverstandig zijd, te raken

Aan ’t straks genoemd waarheidsgezwel.

[253]

Brand.

Waar doelt u op?

De Baljuw.

Dat zal ’k u zeggen.

Vooreerst is door den Raad besloten

Een zilvren beker u te schenken;

Gaat u nu aan de grootheid tornen,

Dan heeft wat dáárop staat geen zin meer.

En ’t vers dat daarbij is geschreven,

En de aanspraak die ik houden wil,

Die zouden beiden even dwaas zijn,

Als ’t bouwwerk nu niet groot meer was.

U ziet dus, ’t is zaak zich te schikken

En de ooren maar stijf toe te houden.

Brand.

Ik zie wat ’k al zoo vaak gezien heb …

Een leugenfeest als prijs voor leugens.

De Baljuw.

Maar lieve hemel, beste vriend …

Wat groote woorden zegt u daar!

Doch dit zij dan een zaak van smaak.

’k Heb nog een ander argument …

Was ’t eerste zilver, dit is goud.

Want weet, u is nu in de gratie,

Is liev’lingskind nu van ’t geluk,

In ’t kort … u krijgt een decoratie!

Van daag nog zal u ’t ridderkruis

In glorie op uw borst zelf hechten!

Brand.

Ik heb een zwaarder kruis te dragen;

Neem’ dàt van mij af, wie het kan.

De Baljuw.

Wat ’s dat? U schijnt niet erg getroffen

Door ’t gunstbewijs van hooger hand?

U is mij absoluut een raadsel!

Maar, ’k bid u, denk toch even na …

Brand (stampvoetend).

Al dat gepraat geeft niemendal;…

’k Ga even wijs weg als ik kwam;

U heeft niets van den zin gevat,

Die achter al mijn woorden lag.

Ik meende niet de grootheid, die[254]

Gemeten wordt bij voet en duimen;

Maar die terugstraalt, schoon verborgen,

Ons koud doorhuivert, heet doet gloeien,

Die lokt tot droomen en verwijlen,

Die opheft als een sterrennacht,

Die, die … laat mij alleen! ’k Ben moe;…

Bewijs, verklaar, praat tegen andren …

(gaat de hoogte op naar de kerk).

De Baljuw.

Wie daar nu toch uit wijs kan worden,

En hem begrijpen? Grootheid die

Zit in iets dat terug moet stralen,

Dat niet te meten is bij duimen?

En sterrennacht? Zoo zei hij immers?…

Had hij te goed gedéjeuneerd soms?… (af).

Brand (komt weer uit de kerk).

Zoo eenzaam in het woest gebergte

Was ik nog nooit, als ’k hier nu sta;

Op welke vraag ook, nooit een weerklank,

Maar dom gekwaak en leuterpraat.

(kijkt in de richting waar de baljuw heenging).

Hèm zou ik wel vertrappen willen!

Zoo dikwijls ik poog op te heffen

Zijn geest, uit laag geknoei en logen,

Spuwt hij mij nog zijn vuile ziel

Brutaalweg vlak in mijn gezicht!…

O, Agnes, waarom ging je heen?

Mij maakt dit onnut spel zoo moe.

Waar niemand wint en niemand wijkt,

Sta ik als strijder heel alleen!

De Proost (komt op).

O mijn kindren! O mijne lamren …!

O neen, pardon,… ik wilde zeggen:

Mijn ambtgenoot! Dat komt door ’t feest … ja …

Mijn preek spookt mij wat door het hoofd;

’k Heb die pas gistren bestudeerd …

Nu ligt zij mij zoo versch nog bij.

Doch al genoeg … Aan u mijn dank,

U, die zoo dapper brak het ijs,

Ging tusschen twist en praatjes door,

Neerhaalde wat reeds was vervallen,[255]

En groot en waardig ’t nieuwe bouwde.

Brand.

Zóó ver is ’t nog niet.

De Proost.

Zoo, mijn waarde,

Ontbreekt er meer nog dan de wijding?

Brand.

In ’t nieuwgebouwde huis behoort

Een weergeboren, reine geest.

De Proost.

Och, zoo iets komt ook wel van zelf.

Zoo’n groot en mooi versierd gewelf,

Zoo’n lichte ruimte brengt ook mee

Dat ’t volk zich wel wat reiner houdt.

En dan die mooie acoustiek,

Die ieder woord geeft dubb’le kracht,

Moet der gemeenteleden g’loof

Verhonderdvoudigen per hoofd.

Dat zijn in waarheid resultaten,

Zooals zelfs niet in groote steden

Er beter aan te wijzen zijn …

Dat alles danken wij aan u;

Neem daarvoor van een ambtgenoot

Den diepgevoelden dank, die wel

Aan het diner gevolgd zal worden,

Op dezen dag … uw eeredag!…

Door menig warm, geestdriftig woord

Van onze jongre geestlijkheid …

Maar, waarde Brand, wat ziet u bleek …

Brand.

Al lang ontzonk mij kracht en moed.

De Proost.

Geen wonder ook;… bij zooveel zorgen,

En alles zonder hulp en steun.

Maar nu is ’t ergste ook geleden,

En reeds loont ons een schoone dag.

Maar goeden moed; het zal wel gaan!

Zoo vele duizenden zijn hier

Uit verre streken saamgekomen;

Zeg zelf nu maar … Wie neemt het op

In reednaarsgaven tegen u?

Kijk, heel uw ambtgenooten-schaar[256]

Ontvangt u nu met open armen,

En der gemeenteleden harten

Zijn vol van warmen dank aan u!

En ’t bouwwerk dat zoo goed gelukt is!

En dat het hier zoo mooi versierd is!

En dan de dagtekst … hoe verheven!

En ’t ongeëvenaard diner!

Ik was juist in de pastorie

Toen daar voor ’t feest het kalf geslacht werd.

In waarheid, Brand, een prachtig dier!

Ik dacht zoo, dat heeft heel wat in

Om zulk een lekker stuk te vinden

In dezen moeielijken tijd,

Nu ’t vleesch zoo duur is tegenwoordig.

Maar laat ons dat tot straks bewaren.

Iets anders nog dreef mij hierheen.

Brand.

Spreek op maar; snijd, steek, scheur en kerf!

De Proost.

Mijn climax, vriend, is minder pijnlijk.

Doch kort zijn; veel tijd is er niet.

Er is een enkel punt, waarin

Van heden af u moet verandren,

En dat zal vast niet moeilijk zijn.

Ja, ik vermoed, dat u zoo half wel

Kan raden al, waarop ik zinspeel?

’t Betreft uw opvatting van ambtsplicht.

Tot nu toe heeft u niet genoeg

Gewoonte en gebruik ontzien;

En toch, die beide zijn ’t voornaamste,

Zoo al niet eigenlijk het hoogste.

Nu ja, och Heer, ’k wil niet berispen,

U is nog jong, een nieuweling,

U komt pas uit een groote stad,

Kan hier de toestanden niet kennen …

Maar nu, mijn waarde, is het noodig

De zaak wat juister op te vatten.

Tot nu toe ging u ’t meest ter harte

Wat iedre ziel voor zich behoeft;

Een grove fout … dit onder ons …

Men moet de massa samen wegen;

Scheer allen over ééne kam.[257]

Gerust, daar vaart u ’t beste bij!

Brand.

Verklaar u nader!

De Proost.

Kijk eens hier,…

U bouwde hier tot aller heil

Een kerk. Die is als ’t feestgewaad

Des vredes en van recht en wet;

Want in den godsdienst ziet de Staat

De macht, die ’t meest doet ter beschaving …

Het bolwerk van zijn vast vertrouwen,

En ’t richtsnoer der moraliteit.

Ziet u, de Staat is niet heel rijk,

En die wil waarde voor zijn geld.

Goed Christen, zegt men daar, goed burger

Denkt u dat die het geld verdoet

Voor ’t menschdom, en God ten believe?

En om ’t zich moeielijk te maken?

Neen, zoo gek is de Staat nu niet;

En ’t zag voor allen er slecht uit

Zoo, nauwgezet de Staat en streng,

Niet meer dan dàt voor oogen had.

Doch ’t doel bereikt de Staat alleen

Door middel van zijn ambtenaars,

In dit geval dus door den leeraar …

Brand.

Elk woord is wijsheid! Spreek!

De Proost.

Er blijft nu

Niet veel te zeggen meer. U schonk dus

Den Staat die kerk te zijnen bate,

En daaruit volgt dat thans uw arbeid

Tot steun van Kerk en Staat moet dienen.

In dezen geest zie ik het feest,

Dat wij zoo aanstonds zullen vieren;

Zóó zullen ook de klokken luiden,

Zóó leest men dan den schenkingsbrief.

En mèt de schenking, dus, belooft u,

Nu ook te doen wat ’k u gevraagd heb …

Brand.

Bij God, zoo was het niet bedoeld!

[258]

De Proost.

Ja, vriendlief, maar nu is ’t te laat …

Brand.

Te laat? Dat zullen wij eens zien!

De Proost.

’k Moet om u lachen! Wees toch wijs!

Waarover maakt u nu zoo’n drukte?

Wat u belooft, daar steekt geen kwaad in!

Geen enkle ziel die schade lijdt

Als tevens u den Staat wil dienen;

Twee vliegen kan u in één klap slaan,

Als u het maar verstandig aanlegt.

’t Is niet uw werk om Jan en Piet

Te redden van het vuur der hel,

Maar de gemeenteleden àllen

Aan de genadebron te laven.

Wordt ’t heele kerspel dan verlost,

Heeft dus ook ieder deel daaraan.

De Staat is, u zal ’t vast niet weten,

Precies republikeinsch ten halve;

Hij haat de vrijheid als den dood,

Maar ziet gelijkheid graag genoeg;

Gelijkheid vindt men echter nooit

Vóór, wat oneven is, geslecht wordt,…

En dàt is ’t juist wat u niet doet!

Integendeel u heeft bevorderd

Wat ongelijk en ongewoon is.

Eertijds kwam dat nooit zoo aan ’t licht.

Een ieder was lid van de Kerk.

Nu heeft elk een persoonlijkheid;

En dat komt niet den Staat ten goede.

En daarom gaat ’t dan ook zoo moeilijk

Gelijkheidsbijdragen te innen,

En andere gemeente-goedren,

Omdat de Kerk niet meer de hoed is

Die passen moet op alle hoofden.

Brand.

Welk een vooruitzicht opent zich!

De Proost.

Niet moedloos zijn; dat baat u niets;

Hoewel onloochenbaar hier heerscht

Een warboel, die een gruwel is.[259]

Maar waar nog leven is, is hoop.

En door de schenking komt te meer

Uw plicht uit, naamlijk om te werken

Voor ’t heil van Kerk en Staat nu beide.

Bij alles hoort toch regelmaat,

Zal niet verspreider krachten spel

Dol, als een ongetemd wild veulen,

Vernielen griend en haag en grenspaal

Van overleev’ring en gewoonte.

In iedre orde heerscht één wet,

Al draagt die ook een andren naam.

Men noemt haar “school” voor schoone kunsten;

Bij de soldaten, als ik mij

Nog goed herinner is ’t “de pas”.

Ja, dat is ’t woord, mijn waarde vriend!

Daar moet het heen, zoo meent de Staat.

Hij acht den “looppas” veel te snel;

“Markeert den pas”, niet snel genoeg;

Maar ieder in denzelfden pas,

En ieder even groote passen,…

Kijk, dat is ’t doel waarheen wij streven!

Brand.

De goot voor d’adelaar;… hoog boven

De wolken zweven, voor de ganzen!

De Proost.

Nu, dieren zijn wij, Goddank niet;…

Maar wil u poëzie en fabels,

Die vindt men in den bijbel wel.

Die is er vol van; wemelt zelfs

Van Genesis tot de Openbaring

Van vele leerrijke parabels.

Ik wijs bijvoorbeeld enkel op

Het bouwen van den Babeltoren!

Hoe ver kwam ’t arme menschdom daar?

En dat waardoor? Licht te verklaren,

Zij bleven niet in de geleed’ren,

Zij spraken elk hun eigen taal,

Niet samen trokken ze onder ’t juk …

Zij werden tot persoonlijkheden.

Dit is de ééne helft der kernen

Verborgen in der fabel schaal:

Wie zich van andren houdt gescheiden,[260]

Blijft eenzaam en komt licht ten val.

Wien God in ’s levens strijd wil neerslaan

Dien maakt hij tot individu.

En eertijds zeiden de Romeinen:

De goden roofden hem ’t verstand.

Maar gek en eenzaam dat is ’t zelfde,

En daarom moet wie eenzaam staat

Ten slotte ’t zelfde lot verwachten

Als hem,… dien David zond ten strijde

In ’t heetst gevecht,… Uria, trof.

Brand.

Wel mooglijk, ja; maar wat dan nog?

’k Zie in den dood geen ondergang.

En is u er zoo zeker van

Dat waren zij die bouwden één

Van taal geweest, en één van zin,

Het hun gelukt zou zijn den toren

Tot in den hemel op te trekken?

De Proost.

Tot in den hemel? Neen, volstrekt niet;

Tot in den hemel reikt er niemand.

Dàt is de andre helft der kernen

Verborgen in der fabel schaal:

Dat ieder bouwwerk komt ten val

Dat streven wil naar ’s hemels sterren.

Brand.

De Jacobsladder rees zoo hoog toch,

En ’t ziele-smachten reikt ten hemel!

De Proost.

Bedoelt u ’t zóó! Ja, lieve hemel!

Daarover valt niets meer te zeggen.

Natuurlijk is de hemel ’t loon

Voor ’n leven welbesteed en vroom.

Maar g’loof en leven te vermengen

Schaadt beiden; ’t één is niet het ander;…

Zes dagen zijn er om te werken,

De zevende is voor zielezorgen;

Stond heel de week het Godshuis open,

Wie zou er dan nog Zondags komen?

’t Verzwakt de loutringskracht van ’t woord,

Zoo u niet met verstand het spaart;

Want godsdienst, evenals de kunst[261]

Moet niet zich oplossen in damp.

U mag uw idealen zien

Van ’s kansels heilig toevluchtsoord …

Maar leg ze weg met ’t ambtsgewaad,

Zoodra u weer in ’t leven staat.

Zoo ’k zei, er is een wet in alles,

Die strenge zelfbeperking eischt,

En ’t is om dit in ’t licht te stellen …

Wat noodig was … dat ’k tot u sprak.

Brand.

Eén ding begrijp ik: voor mij passen

De staatsbegrippen van mijn ambt niet.

De Proost.

Jawel, vriend, u kan juist veel goed doen,…

Maar niet hier … u moet hooger op;…

In andre sfeer …

Brand.

Is ’t daarvoor noodig

Dat ’k eerst gesleurd word door het slijk?

De Proost.

Wie zich vernedert wordt verhoogd.

Zal ’t haakje pakken, moet men ’t buigen.

Brand.

U moet, wien u gebruikt eerst dooden!

De Proost.

God sta mij bij! Wat denkt u nu,

Dat ik zoo iets …?

Brand.

Jawel! Zoo is ’t!

Eerst iemand langzaam doen verbloeden!

Als een geraamte past men eerst

In jullie bloedloos bleek bestaan!

De Proost.

Ik zou geen kat nog ader laten,

Veel minder u, begrijp mij toch!

Ik dacht alleen dat het geen kwaad kon

Als ik u even wees den weg,

Waar langs ik ben vooruit gekomen.

Brand.

Beseft u ook wàt u verlangd heeft?

Dat ik bij ’t eerste haangekraai

Van ’t Rijk, verloochnen zal ál wat[262]

Mijn ideaal was waar ’k voor leefde!

De Proost.

Verloochnen, vriend? Wie eischt er dat?

Ik wees alleen maar op uw plicht;

Ik wil dat u op zij zal zetten

Wat uw gemeente niet tot nut is.

Bewaar het alles, als u wil,…

Maar hoû ’t hermetisch achter slot.

Dweep in uw binnenste als ’t dan moet,

Niet voor het volk, in ’t openbaar.

G’loof mij: het wreekt zich op den duur,

Als men stijfhoofdig blijft en tuchtloos.

Brand.

Ja, angst voor straf, hoop op belooning,

Als ’t Kaïnsmerk staat ’t op jouw voorhoofd;

En schreeuwt het uit, hoe wereldwijs jij

Den Abel in je ziel gedood hebt!

De Proost (in zichzelf).

Hij zegt waarachtig “jij” en “jou”;

Dat gaat te ver! (luid) Ik wil nu niet

Den strijd doen duren, maar ik moet

U nogmaals vragen in te zien,…

Gesteld dat u vooruit wil komen …

In wat voor land, in welk een tijd

U leeft; want niemand wint den strijd

Als hij niet meegaat met de strooming.

Kijk naar de artisten, naar de dichters:

Verachten die der tijden plichten?

Zie de soldaten, dragen zij nog

Een scherpe sabel in de schede?

Welneen! Omdat een wet gebiedt:

Voeg u naar wat uw land behoeft.

Zijn eigen ik moet ieder temmen,

Niet uitsteken en niet vooròp gaan,

Zich in de massa stil verbergen.

Humaan is ’t wachtwoord, zegt de baljuw.

Als u ’t nu maar humaan aanlegde

Kon u nog mooi carrière maken.

Maar eerst de kantjes afgeslepen,

En afgeschaafd wat hobb’lig is;

Glad moet u wezen als de andren,

En niet op eigen wegen wandlen[263]

Zal, wat u doet, ook duurzaam zijn.

Brand.

Weg, weg van hier!

De Proost.

Ja, dat is waar;

Een man als u, ’k begrijp het goed,

Verlangt een beetren arbeidskring;

Maar, zal u ooit tevreden zijn

In ruimen of in kleinen kring,

Moet u de tijdslivrei aantrekken.

De korporaal moet met den stok

De maat er in slaan bij het volk.

Want ’t ideaal van een die vóórgaat

Is thans bij ons, een korporaal.

Zooals de korporaal zijn menschen

Ter kerke leidt, in het gelid,

Zoo moet u de gemeente leiden

Als herder naar het Paradijs,

’t Gaat zoo gemaklijk; voor ’t geloof

Heeft u, als leeraar, het gezag;

En daar dat weer op studie steunt

Neemt men ’t ook blindelings wel aan.

En hoe de leer u moet verkond’gen

Dat toont u wet en ritueel wel.

Dus, broeder … niet ontmoedigd zijn,

Om na te denken is ’t nog tijd;

Begrijp den toestand, wees niet angstig!…

’k Wil in de kerk nog eens beproeven

Of ik met luider stem kan spreken;

’k Ben niet gewend aan zooveel klank,…

Die komt hier maar zoo zelden voor.

Tot weerziens; straks zal ’k preeken over

De tweespalt in der menschen ziel,

En hoe Gods beeltnis uitgewischt is,…

Maar nu wordt ’t, dunkt mij, wel haast tijd

Om ’n kleine hartsterking te nemen (af).

Brand (staat een oogenblik als versteend in zijn gedachten).

’k Bracht ’t al ten offer voor mijn werk,

Voor Gods werk, meende ik in verblindheid;

Daar klonk ééndaags-trompetgeschal

En wees mij welken geest ik diende.[264]

Neen, neen! Zij hebben mij nog niet!

Die kerk daarginds heeft bloed gedronken;

Mijn licht, mijn leven gaf ’k er voor;

Maar toch, mijn ziel zal ik behouden!

Ontzettend is ’t alleen te staan,…

Waarheen ik zie den dood te ontwaren;

Ontzettend, zóó naar brood te hongren,

Als men u niets dan steenen reikt.

Wat sprak hij angstverwekkend waar,…

Doch welk een afgrond werd onthuld!

Gods heil’ge duive zit verborgen,

Bracht nooit nog klaarheid over mij!…

O, stond in ’t g’loof maar één mij na …

Die mij weer kalmte gaf en rust!

(Ejnar bleek, uitgeteerd, in ’t zwart gekleed, komt op den weg voorbij en blijft staan als hij Brand ziet).

Brand (uitroepend:)

Jij, Ejnar!

Ejnar.

Ja, zoo is mijn naam.

Brand.

Juist nu ’k naar iemand zoo verlang

Wiens hart niet is van hout of steen!

O, Ejnar, kom hier in mijn armen!

Ejnar.

Dat hoeft niet; ik ben al geborgen.

Brand.

Je koestert wrok na zooveel jaren,

Om wat er eens gebeurd is?

Ejnar.

Neen;

Jij hebt geen schuld. Ik zie in jou

Het blinde werktuig, dat Gods liefde

Mij toezond, toen ik was verdwaald.

Brand (wijkt terug).

Wat ’s dat voor taal?

Ejnar.

De taal der ruste,…

Die iemand leert, als hij der zonde

Gewaad aflegt, en wordt herboren.

[265]

Brand.

Verwonderlijk! Ik had gehoord

Dat jij toenmaals heel andre wegen

Had ingeslagen …

Ejnar.

’k Was verleid

Door hoogmoed, trotsch op eigen krachten.

De gaven, die de wereld aankweekt,

’t Talent, dat men zoo vaak geroemd heeft,

Mijn zangkunst, ’t waren enkel strikken,

Die mij in Satans netten trokken.

Maar God zij dank; hij had mij lief,

Hij liet zijn zwakke lam niet los;

Hij hielp mij, toen het noodig was.

Brand.

Op welke wijze?

Ejnar.

Ik verviel …

Brand.

Verviel? Waartoe?

Ejnar.

Tot drank en spel;

Hij deed naar ’t dobbelspel mij grijpen …

Brand.

En noem je dàt een daad des Heeren?

Ejnar.

’t Was tot verlossing de eerste stap.

Daarna werd ik een tijdlang ziek.

’k Verloor mijn werklust, mijn talent,

En al mijn vroolijkheid verdween.

Toen zond men mij naar ’t ziekenhuis;

Lang lag ik ziek, in heete koortsen …

Ik meende dat ’k in alle kamers

Zag duizenden heel groote vliegen,…

Kwam er weer uit en maakte kennis

Met zusters, die in ’s hemels dienst staan,

Verloren zielen zoekend rondgaan;

En dezen, met een theoloog,

Verlosten mij van ’s werelds juk,

Bevrijdden mij uit ’t net der zonde

En maakten mij tot ’n kind des Heeren.

[266]

Brand.

Zoo.

Ejnar.

Ja. Eén pad leidt door het dal;

Het andere langs een steile helling.

Brand.

En later?

Ejnar.

Later? Ja, dat ’s waar;

Toen ben ’k geweest onthoudingsleeraar.

Maar daarbij loopt men groot gevaar

Weer in verzoeking te geraken;

Ik zocht daarom iets anders weer,

Ik ga nu weg als zendeling …

Brand.

Waarheen?

Ejnar.

Naar ’t land der woeste negers

Maar ’t best is dat wij nu maar scheiden!

Mijn tijd is kostbaar …

Brand.

Blijf je niet?

’t Is feest van daag hier.

Ejnar.

Dank je wel;

Mijn plaats is bij de zwarte zielen.

Vaarwel! (wil gaan).

Brand.

Dringt geen herinnering

Je te verwijlen en te vragen …?

Ejnar.

Waarnaar?

Brand.

Naar een, die zou betreuren

Den afgrond tusschen nu en toen …

Ejnar.

Ja, ik begrijp, je denkt wellicht

Nog aan die jonge vrouw van toen,

Die me in haar netten hield gevangen,

Vóór ik door ’t g’loof nog was gereinigd.

Wel, hoe is het met haar gesteld?

[267]

Brand.

Zij werd een jaar daarna mijn vrouw.

Ejnar.

Dàt heeft geen beteeknis; aan zóó iets

Schenk ik volstrekt geen aandacht meer?

Dat waar ’t op aankomt zeg me alleen.

Brand.

Ons leven was gezegend rijk

Met vreugd en leed; ons kindje stierf …

Ejnar.

Heeft geen beteeknis.

Brand.

Dat óók niet?

Ejnar.

Naar zulke dingen vraag ik niet;

’k Wil weten hoe zij is gestorven.

Brand.

Met blijde hoop op ’t morgenrood,

Met heel den rijkdom van haar hart,

Met vasten wil tot ’t laatste toe;…

Met dank voor al wat ’t leven gaf

En nam, zoo ging zij in haar graf.

Ejnar.

Dat alles is maar woordenpraal;

Zeg hoe het stond met haar geloof?

Brand.

Onwrikbaar.

Ejnar.

In wien?

Brand.

In haar God!

Ejnar.

Alleen in hem? Dat is haar oordeel!

Brand.

Wat zeg je daar?

Ejnar.

Verdoemd, helaas.

Brand (kalm).

Loop heen, lummel!

Ejnar.

De Heer der helle

Heeft in zijn greep ook jou te pakken;…[268]

Zoo goed als zij zal je eeuwig branden.

Brand.

Ellendeling, durf jij verdoemen!

Die zelf lag in een poel van zonden …

Ejnar.

Op mij kleeft nu geen enkle smet;

Ik ben gereinigd door het g’loof;

En alles wat er onrein was

Wies ware heiligheid mij af;

Gereinigd is mijn Adamskleed

Door der ontwaking klophout-slag;

En als een koorhemd ben ik blank,

Gebleekt door ’t loogbad des gebeds.

Brand.

Schaam je!

Ejnar.

Insgelijks. ’k Ruik zwavelstank,

En ’k zie den duivel om den hoek staan.

Ik ben een korrel hemelsch koren,…

Jij in de zeef van ’t oordeel … kaf. (af).

Brand (kijkt hem een oogenblik na; plotseling schitteren zijn oogen en hij barst uit:)

Naar dien man moest ik verlangen!

Nu zijn alle banden los;

Eigen vlag zal ik ontplooien,

Al ging niemand met mij mee!

De Baljuw (komt haastig op).

Waarde Brand, ’t is haasten, haasten!

Heel de schare voor den optocht

Staat gereed om uit te trekken …

Brand.

Laat hen komen.

De Baljuw.

Zonder u!

Denk eens na, spoed u naar huis!

’t Volk wil al niet langer wachten;

Al die goede menschen dringen

Als een bergrivier in ’t voorjaar,

Naar de pastorie opstuwend,

Roepen dat ze u willen zien.

Hoor maar, daar klinkt weer hun roepen![269]

Haast u, want ik vrees zij mochten

Niet humaan te werk eens gaan.

Brand.

Nooit meer zal ’k mijn voorhoofd buigen

In hun midden, met u gaan;

Ik blijf hier.

De Baljuw.

Is u krankzinnig?

Brand.

Uw weg is voor mij te smal.

De Baljuw.

Die wordt smaller nog hoe langer

Meer en meer het volk gaat dringen;

Kijk, daar heb je ’t al, waarachtig!

Proost en priesters, ambtenaars

Allemaal op zij gedrongen …;

Kom toch, kom toch, sla d’r op los!

Laat uw invloed zich doen gelden!

Al te laat! de rijen breken;

Heel de optocht loopt in ’t honderd!

(De menigte stroomt naar binnen en breekt in woeste wanorde door den feeststoet heen naar de kerk toe).

Enkele stemmen.

Brand!

Andere (wijzen naar de trappen van de kerk, waar Brand staat en roepen:)

Kijk daar!

Weer andere.

Geef nu het teeken!

De Proost (in het gedrang).

Baljuw, hoû het volk toch tegen!

De Baljuw.

Ik heb heden niets te zeggen!

De Schoolmeester.

Spreek een enkel woord tot hen,

Dat hen tot bedaren brengt!

Is ’t iets slechts of is ’t iets goeds

Wat er hier gebeuren moet?

Brand.

O, er gaat dus nog een strooming

Door hun drukkend loome kalmte![270]

Menschen, gij staat aan den kruisweg,

’t Nieuwe moet geheel gij willen,…

Puin en vuil van ’t oude wegdoen,…

Vóór de tempel, hoog en groot

Oprijst tot een bedehuis!

De Ambtenaren.

Hoor, hij raaskalt!

De Geestelijken.

Hij is gek!

Brand.

Ja, dat wàs ik, toen ik meende

Dat gij, hoe dan ook, toch diende

Hem, die geest en waarheid wil!

En ik was het, toen ik dacht,

Dat ik hem u nader bracht

Lonkend, dingend, met den Heer;

Klein was maar het oude kerkje,

En ik redeneerde zoo:

Eéns zoo groot,… dat slaat wel in;

Vijfmaal grooter … dàt moet goed doen!

En ik zag niet hoe ’t weer gold

’t Oude alles of wel niets.

Transigeerend dwaalde ik af.

Maar op heden sprak de Heer.

De bazuin des Oordeels heeft er

Over ’t huis zoo juist geklonken,…

En ik, luistrend, angstig, bevend,

Klein, als David stond voor Nathan,

Was verslagen, stom van schrik;…

Nu is alle twijfel weg.

Schipp’ren blijft een werk des Duivels!

De Menigte (in stijgende opwinding).

Weg met hen die ons verblindden!

Doodt, wie stalen onze krachten!

Brand.

Gij liet door den Booze u

’n Blinddoek voor de oogen binden,

Klein verdeeld hebt gij uw krachten,

U verbrokkeld en gekloofd;

Daardoor zijt gij zwak en hol nu,

Niemand krachtig, sterk en heel.

Wat zoekt gij hier in de kerk?[271]

’t Is de praal maar die u lokt,

Orgelspel en klokgelui …

Het genot van heerlijk huivren

Bij een preek vol vuur en gloed,

Die daar lispelt, die daar fluistert,

Wast en overvloeit en dondert,

Naar de regels van de kunst!

De Proost (in zichzelf).

Daarmee doelt hij op den baljuw!

De Baljuw (evenzoo).

Dat is op den proost gemunt!

Brand.

’t Is de glans der nieuwe kaarsen,

’t Uiterlijke dat gij wilt.

En dan weer naar huis in stompheid,

Weer terug in sleur en dufheid,

Lijf en ziel in werkdags-kleeren;

En diep in de kist verborgen,

Goed bezorgd, het boek des levens,

Tot er weer een Zondag komt!

O, dat was ’t niet wat ik droomde,

Toen ik al die offers bracht!

Hoog en groot wilde ik de kerk,

Dat zij overwelven zou

Niet alleen geloof en leer,

Maar àl wat God in het leven

Recht van leven heeft gegeven …

Zweet en stof van ’t zware dagwerk,

Avondrust en bange nachten,

Levenslust van jonge menschen,

Alles wat van vreugd en leed

’n Menschenziel maar kan bevatten.

’t Bruisend neerstorten van beek en

Waterval in donkren afgrond,

Tonen gierend uit den storm,

Klanken uit de zee òpklinkend,

Moesten met het orgelspel

En met ’t lied van menschenstemmen

Als bezworen, samen smelten!

Weg met ’t werk dat hier gedaan is!

’t Is alleen in leugens groot;

Rijp alweder om te vallen,[272]

Is het uw klein-willen waardig.

Gij wilt allen wasdom dooden

Door uw werk van God te scheiden …

Zes der dagen van de week

Haalt gij Gods banier naar binnen.

En den zevenden alleen,

Ziet men haar ten hemel wapp’ren!

Stemmen uit de menigte.

Leid ons! Laat de vlag uitwaaien!

Met u zullen we overwinnen!

De Proost.

Luistert niet! Hij is geen Christen,

Hij bezit niet ’t ware g’loof.

Brand.

Ha! Daar noemt gij juist het punt …

Voor ons beiden het geschilpunt,

En voor de verbroken éénheid!

Zonder ziel kan niemand g’looven!

Wijs mij hier één ènkle ziel!

Wijs mij iemand die niet wegwierp

’t Beste wat er in hem is.

Tastend, grijpend, voorwaarts haastend,

Onder ’t jagen naar genoegens,…

Lokkend fluitend goochelspel …

Wordt gij stomp voor levensvreugd.

Uitgebrand pas en gebroken

Komen zij voor de arke dansen!

Hebben kreup’len dan en dooven

Eerst den beker leeg gedronken,…

Ja, dàn is het tijd voor boete,

Tijd voor hopen en voor bidden,

Eerst als gij uw merk verspeeld hebt,

Wordt als ’t redelooze dier,

Kruipt gij naar de hemelpoort,

Zoekend God … als invaliden!

Daarom moet zijn rijk vervallen.

Waarom zou hij aan zijn voeten

Die verlepte zielen dulden?

Heeft hij zelf het niet verkondigd …

Enkel zij, die rein van zin zijn

Als een kind, en onbedorven,

Zullen ’t hemelrijk eens erven![273]

Kinderzin alléén bereikt dat!

Transigeert niet met u zelven.

Komt dan allen, mannen, vrouwen,…

Komt met frissche kinderwangen,

In de groote kerk des levens!

De Baljuw.

Maak dan open!

De Menigte (gilt angstig).

Neen! Niet deze!

Brand.

Onze kerk heeft paal noch perken,

’t Groene aardrijk is haar vloer,

Weide of akker, zee of fjord;

’s Hemels blauw is het gewelf

Dat haar ruimte overspant.

Daar zal al uw werk gebeuren,

Dat een ieder ’t moge hooren;

Vreest niet, wat ge ook moogt volbrengen,

Haar daarmede te ontwijden.

Zij zal alles dekken, even

Als de bast den heelen stam:

Dáár wordt g’loof en leven één.

Daar zal ’t daaglijksch werken worden

Eén geheel met wet en g’loofsleer.

Daar zal ’t dagwerk voor u één zijn

Met verlangen naar het hoog’re,

’t Spel der kinderen om den kerstboom,

En den feestdans vóór de arke!

(Er gaat als een storm door de menigte; enkelen wijken terug; de meesten scharen zich om Brand).

Duizend Stemmen.

Nu is ’t licht, waar ’t eerst was duister;…

Eén is ’t: leven… en God dienen!

De Proost.

Wee ons! hij lokt ze allen tot zich!

Helpt politie, baljuw, koster!

De Baljuw (gedempt).

Schreeuw toch niet zoo! Wie zal nu gaan

Vechten met een dollen stier?

Wacht tot hij is uitgeraasd.

Brand (tegen de menigte).

Weg van hier! Hier is God niet![274]

Kàn hij zijn hier bij dezulken?

Vrij en heerlijk is zijn rijk.

(Sluit de kerkdeur af en neemt de sleutels in de hand).

Hier ben ik geen priester meer.

Ik herroep wat ’k heb geschonken;…

Uit mijn hand zal niemand krijgen

Deze sleutels voor uw feest!

(gooit de sleutels in de rivier).

Wilt ge er in, gij slaaf van ’t stof,…

Kruip dan door het keldergat;

Krom uw slappen rug, en buk;

Laat in ’t donker uw verpeste

Zuchten sluipen langs den grond,

Krachtloos als uw rotte longen!

De Baljuw (zachtjes en verlicht).

Ha, daar gaat de ridderorde!

De Proost (evenzoo).

Zoo, die wordt geen bisschop meer!

Brand.

Kom, wie jong is,… kom wie frisch is,

Laat van u, door ’s levens adem,

Wisschen ’t stof uit ’t enge dal.

Volg mij op mijn zegetocht!

Eénmaal moet gij toch ontwaken,

Eénmaal moet gij toch, geadeld,

Breken met wat schipp’ren heet;…

Uit de ellende van uw lafheid,

Uit al wat er zwak en laag is.

Sla in ’t aangezicht uw vijand!

Strijd met hem op dood en leven!

De Baljuw.

Halt! Ik lees de oproersakte!

Brand.

Lees maar! Ik breek nu met alles!

De Menigte.

Wijs den weg, wij zullen volgen!

Brand.

Over ’t ijs der steile gletschers!

Heel het land door, gaan wij trekken,

Iedren zieleband ontknoopend

Die het volk gevangen houdt,…

Dan gelouterd, hoog en vrij,[275]

Al wat traag en stomp is wegdoen,

Mannen wordend, priesters wordend,

Nieuw opdrukkend d’ ouden stempel,

Welvend ’t Godsrijk als een tempel!

(De menigte, waaronder de koster en de schoolmeester, schaart zich om hem heen. Brand wordt opgeheven en op hun schouders gedragen).

Vele Stemmen.

Groot zijn deze dagen! groote

Dingen zal men zien gebeuren!

(De menschenmassa stroomt door het dal de hoogte op. Weinigen blijven achter).

De Proost (tegen de weggaanden).

O, verblinden toch! Wat wilt gij?

Ziet gij niet dat Satans geest uit

Al wat hij verkondigt, spreekt?

De Baljuw.

Hei! Keert om, je past veel beter

In het dorp hier, kalm en stil.

Menschen hoort!… Je gaat te gronde!…

Hm, geen antwoord zelfs, die honden!

De Proost.

Denkt toch aan je huis en haard!

Stemmen uit de menigte.

’n Grooter huis rijst voor ons op!

De Baljuw.

Denkt aan jullie veld en akker,

Denkt aan ’t onverzorgde vee!

Stemmen.

Van den hemel daalde manna

Toen zijn volk eens honger leed!

De Proost.

Hoort je vrouwen om je jamren!

Stemmen (ver weg).

Wie niet meegaat moet ons vreemd zijn!

De Proost.

Kindren klagen: weg is vader!

De heele Schare.

Mèt of tegen ons, is ’t wachtwoord!

[276]

De Proost (kijkt hen een oogenblik na met gevouwen handen en zegt dan angstvallig:)

Zonder kudde, angstig vragend,

Staat nu de oude zieleherder,

Uitgekleed tot op het hemd!

De Baljuw (maakt een dreigend gebaar).

Hèm zal het er naar vergaan!

Overwinnen zullen wij!

De Proost.

Overwinnen?… Zij zijn weg!

De Baljuw.

Ja, maar wij zijn er toch nog …

En … ik ken mijn schaapjes wel! (loopt hen na).

De Proost.

Zou hij waarlijk …? ja, zoo waar,

Achterna loopt hij de bende!

Hè, ik voel mijn moed herleven …

Dan wil ik ook mee den berg op!…

Mooglijk vang ik er wel enklen!

Leg het zadel op mijn klepper!…

Haal me een paard, vertrouwd en mak!

(allen af).

(Bij de allerhoogste tot het dorp behoorende hut. Op den achtergrond wordt het landschap hooger en gaat over in groote kale bergvlakten. Het regent. Brand, door de menigte, mannen, vrouwen en kinderen, vergezeld, komt den berg op).

Brand.

Kijkt vóóruit; vóór ons ligt de zege!

Het dorp ligt achter ons, beneden.

Van berg tot berg spant dicht de mist

Er overheen haar neveltent.

Vergeet het duf bestaan daarginds,

Stijg vrij, stijg hoog, gij volk van God!

Een Man.

Mijn oude vader kan niet meer.

Een andere.

Ik at sinds gisteren niemendal …

[277]

Verscheidenen.

Wij hebben honger! hebben dorst!

Brand.

Eerst over dezen berg; vooruit!

De Schoolmeester..

Langs welken weg?

Brand.

Dat is hetzelfde,

Als wij maar ’t doel er mee bereiken.

Komt, volgt …

Een man.

Neen, hier gaat het te steil,

Dat halen wij niet vóór den nacht!

De Koster.

Daarginder moet de ijskerk liggen.

Brand.

De steilste weg is ook de kortste.

Een Vrouw.

Mijn kind is ziek!

Een andere.

Mijn voet gewond.

Een derde.

Waar vind ’k een droppel voor mijn dorst?

De Schoolmeester.

Verzadig hen;… hun moed gaat wanklen.

Vele Stemmen.

Brand, doe een wonder! Doe een wonder!

Brand.

Een leelijk merk liet ’t slaaf zijn achter,…

Gij wilt uw loon al vóór de werken.

Op, schudt die loomheid van u af,…

Zoo niet,… keer dan terug in ’t graf!

De Schoolmeester.

Ja, dat is waar: trekt eerst ten strijde,

Wij weten ’t toch, ons loon komt later!

Brand.

Dàt krijgt gij, zoo waar er een God

Nu uit den hemel op u neerziet!

Vele Stemmen.

Hij profeteert! Hij profeteert!

Velen tegelijk.

Zeg, hoor eens,… wordt ’t een felle strijd?

[278]

Anderen.

En duurt hij lang? En wordt hij bloedig?

Een Man.

Zeg, wordt er op veel moed gerekend?

De Schoolmeester (gedempt).

Er is toch geen gevaar voor ’t leven?

Een andere Man.

Wat krijg ik als mijn deel van ’t loon?

Een Vrouw.

’k Verlies toch zeker niet mijn zoon?

De Koster.

Komt de overwinning nog vóór Dinsdag?

Brand (kijkt wanhopig rond in de massa).

Dat vraagt gij mij?

De Schoolmeester.

Ja juist; wij kregen

Beneden daarop niet recht antwoord.

Brand (verontwaardigd).

Dan zult gij ’t hebben nù!

De Menigte (sluit zich dichter aaneen).

Spreek! Spreek!

Brand.

Hoe lang er duren zal de strijd?

Die duurt tot aan uw levenseinde,

Tot gij alle offers hebt gebracht,

Los zijt van al uw transigeeren,…

Tot gij uw wil hebt in uw macht,

Tot alle zwakke twijfel wijkt

Voor het gebod: alles of niets!

En de verliezen? Al uw goden,

De geest der halfheid, gouden ketens

Die u aan de aarde slaafs nog binden,

Al wat uw slapheid loom bevordert!

En wat de buit is? Rein van wil zijn,

Een sterk geloof, der ziele éénheid,…

Een offervaardigheid, die geeft

Met jubel zelfs, tot in den dood,…

Een doornenkroon op ieders voorhoofd,…

Ziet! dat zal ieders krijgsloon worden!

[279]

De Menigte (onder razend getier).

Verraad! Verraad! Wij zijn bedrogen!

Brand.

’k Ben van mijn woord niet afgeweken.

Enkelen.

Hij heeft ons eer en overwinning

Beloofd … nu zullen ’t offers worden!

Brand.

’k Beloofde zege,… en ik zweer

Die wordt ook eens door u behaald.

Maar wie vooraan staat in de rijen

Moet kunnen vallen voor zijn zaak.

Durft hij dat niet, laat hem dan wegdoen

Zijn wapen, vóór de strijd begint.

In ’s vijands macht toch valt de vlag

Als haar een zwakkeling verweert.

Wie er door offerangst verlamd wordt,

Is met het doodsmerk al geteekend!

De Menigte.

Hij eischt ons eigen levensrecht

Voor een nog ongeboren volk!

Brand.

Door offer-woestenijen leiden

De wegen naar ons Kanaän.

Ter overwinning door den dood,

Roep ik u op, als ’s Heeren ridder!

De Koster.

Hier zitten wij nu mooi geschoren!

In ’t dorp zijn we in den ban gedaan …

De Schoolmeester.

Daarheen terug … dat gaat niet aan!

De Koster.

En vóóruit, vóóruit wil er geen meer!

Eenigen.

Slaat hem maar dood!

De Schoolmeester.

Wie moet ons dan

Aanvoeren als ons opperhoofd?

De Vrouwen (wijzen verschrikt naar den weg beneden).

De Proost!

[280]

De Schoolmeester.

Laat je maar niet verschrikken!

De Proost (komt op, gevolgd door enkelen der achtergeblevenen).

O mijne kindren! O mijn lamren!

Hoort naar de stem uws ouden herders!

De Schoolmeester (tegen het volk).

Wij hebben ginder nu geen thuis meer;

Laat ons den berg maar overgaan!

De Proost.

O, hoe kunt gij mij zoo bedroeven,

Mijn hart zoo diepe wonden slaan!

Brand.

Gij wondde zielen jaar op jaar!

De Proost.

Hoort niet naar hem! Hij wil u lokken

Met holle woorden.

Verscheidenen.

Dat is waar!

De Proost.

Maar wij zijn liefdrijk; wij vergeven,

Waar wij oprecht berouw maar zien.

O, keert toch tot u zelven in,

En ziet met welke hellelist

Hij alle menschen tot zich lokt!

Velen.

Ja, dat is zoo,… hij lokte ons!

De Proost.

Och, denkt toch na, wat kunt gij doen,

Een troepje in dezen hoek geboren?

Zijt gij tot iets groots uitverkoren?

Komt één gevang’ne door u vrij?

Gij hebt uw kleine daagsche taak,

En wat daarbuiten gaat is zonde.

Wat kunt als kiezers gij voor nut doen?

Beschermt gij maar uw nedrig hutje.

Wat moet gij doen bij valk en arend?

Wat moet gij doen bij wolf en beer?

Gij wordt maar buit van de overmacht,…

O, mijne lamren,… o mijn kindren!

[281]

De Menigte.

Ja, wee ons … dat zijn ware woorden!

De Koster.

Toch sloten wij, het dorp verlatend,

Voor goed de huisdeur achter ons;…

Daar is geen thuis meer voor ons nu.

De Schoolmeester.

Neen, hij ontstak licht voor onze oogen,

Hij wees op valschheid, schijn en leugens;

Niet langer slaapt nu de gemeente;

En wat daarginder leven heet

Geen leven is ’t voor wie ontwaakte.

De Proost.

Ach, dat gaat gauw genoeg weer over,

En alles komt in ’t oude spoor;

Houdt u maar eerst een poosje stil!

Ik sta u borg dat de gemeente

Weldra weer leven zal in vrede.

Brand.

Kiest menschen!

Eenigen.

Naar huis willen wij!

Anderen.

Te laat! De gletschers over, komt!

De Baljuw (komt haastig aangeloopen).

Wat een geluk dat ’k jullie aantref!

De Vrouwen.

O, beste baljuw, wees niet boos!

De Baljuw.

Welneen, welneen; komt maar weer mee!

Een beetre tijd breekt aan voor ’t dorp;

Als je nu maar verstandig zijn wilt

Kan je allen rijk zijn vóór den avond!

Verscheidenen.

Hoe zoo?

De Baljuw.

Een vischschool in de fjord …

Miljoenen en miljoenen zijn er!

De Menigte.

Wat zegt hij daar!

[282]

De Baljuw.

Weest op je hoede!

Een hagelbui verdrijft ze licht.

Zij trokken vroeger nooit hierheen;…

Nu, vrienden, komt er hier in ’t Noorden

Voor ons ook eens een beetre tijd!

Brand.

Kiest tusschen Gods stem en de zijne!

De Baljuw.

Laat je gezond verstand je raden!

De Proost.

O, is een wonder hier geschied?

Een vingerwijzing van den Heer!

Ach, ’k heb zoo vaak er van gedroomd,

Doch hield het voor verbeeldingsspel;…

Nu zien wij duidlijk de bedoeling …

Brand.

Als gij verzaakt, verliest ge u zelven!

Velen.

Een vischschool!

De Baljuw.

Van miljoenen visschen!

De Proost.

Brood voor uw vrouwen en uw kindren!

De Baljuw.

Je ziet wel, nu is het geen tijd

Om in een ijdlen strijd je kracht

Te meten met een overmacht,

Die zelfs den proost benauwen zou.

Nù heb je een ander doel voor oogen

Dan dom te smachten naar het hooge.

De Lieve Heer kan ’t wel alleen af,

En ook de hemel staat nog stevig.

Bemoei je niet met andre kwesties,

Maar haast je om de visch te vangen,

Dat is een nuttig, praktisch werk,

Dat zonder bloed of staal geschiedt;

Het brengt je voordeel aan en welstand,

En eischt ook geen persoonlijk offer!

Brand.

Juist ’t offer is des Heeren eisch,

Zóó vlamt aan ’s hemels trans het woord!

[283]

De Proost.

Ach, voelt gij zulk een offerdrang,

Komt dan gerust maar naar mij toe,…

Bijvoorbeeld, komt aanstaanden Zondag;…

Ik zal u waarlijk …

De Baljuw (afbrekend).

Ja, ja, ja!

De Koster (zachtjes tegen den proost).

Kan ik mijn ambt van koster houden?

De Schoolmeester (evenzoo).

Kan ik nog blijven aan de school?

De Proost (gedempt).

Als gij de menschen òm kunt praten,

Zal men met u zoo streng niet zijn …

De Baljuw.

Naar huis; naar huis; geen tijd verspild!

De Koster.

Naar zee, naar zee, wie wijs wil zijn!

Eenigen.

Maar Brand dan?…

De Koster.

Laat dien gek toch loopen!

De Schoolmeester.

Gij ziet hier toch het woord des Heeren

Als in een open boek gedrukt staan.

De Baljuw.

Laat hem alleen; hij heeft ’t verdiend;

Hij hield je allen voor den gek …

Verscheidenen.

Hij loog ons voor.

De Proost.

Zijn leer is valsch!

En zelfs cum laude heeft hij niet!

Enkelen.

Wàt heeft hij?

De Baljuw.

Een gemeen karakter!

De Koster.

Ja, dat is waar; dat zien wij duidlijk!

De Proost.

Zijn moeder liet vergeefs hij wachten

Op ’t sacrament, toen zij ging sterven!

[284]

De Baljuw.

Zijn kind heeft hij haast zelf gedood!

De Koster.

En ook zijn vrouw!

De Vrouwen.

Wat een schandaal!

De Proost.

Een slechte vader, man en zoon;…

Een slechter Christen is er niet!

Vele Stemmen.

Hij haalde onze oude kerk omver!

Andere.

De nieuwe sloot hij voor ons af!

Weer andere.

Hij smeet ons op een plank in zee!

De Baljuw.

Hij stal mijn plan van ’t gekkenhuis!

Brand.

Ik zie het merk op ieders voorhoofd.

Ik weet waar gij thans allen heengaat.

De Heele Troep (brullend:)

Hoort niet naar hem, maar drijft hem uit!

En steenigt hem, den hellegeest!

(Brand wordt met steenworpen de rotsige vlakte opgedreven. Daarna keeren de vervolgers terug).

De Proost.

O, mijne kindren! O, mijn lamren!

Nu keert gij weer naar huis en haard;

Dat uw berouw uw oog verheldre,

Dan zult gij zien, wordt alles goed.

Wij weten ’t immers, God is goed;

Hij vordert geen onschuldig bloed;

En de Regeering eveneens

Is mild, als bijna nergens anders;

En uw bestuur hier, onze baljuw,

Zal het u ook niet lastig maken;

En ik ben liefdrijk en humaan

Als ’t hedendaagsche Christendom;

Uw supérieuren willen allen

In vrede en eendracht met u leven!

De Baljuw.

Maar blijft er scheuring nog bestaan,[285]

Die moet dan worden bijgelegd.

Zoodra het weer wat rustig is

Benoemen wij dan een commissie,

Die onderzoeken zal in hoever

De godsdienst aan den eisch voldoet.

Die mag uit geestlijken bestaan,

Die wij, de proost en ik, beroepen …

Daarbij ook, als men het verlangt,

De koster en de dorpsschoolmeester,

Met andre mannen uit het volk

Aan wie men graag vertrouwen schenkt.

De Proost.

Wij zullen u den last verlichten,

Zooals den ouden zieleherder

Gij hebt verlicht zijn grooten angst.

Dàt denkbeeld geev’ een ieder kracht,

Dat God een wonder voor u deed.

Vaartwel! Veel zegen op uw vangst!

De Koster.

Ach, dat zijn nog eens Christenmenschen!

De Schoolmeester.

Die doen de dingen kalm en waardig.

De Vrouwen.

Zij zijn zoo netjes en zoo vriendlijk!

Andere.

Zoo echt toeschietlijk en eenvoudig!

De Koster.

Die vorderen geen levensoffers.

De Schoolmeester.

En kunnen nog wat meer dan bidden.

(De menigte daalt den berg af).

De Proost (tegen den baljuw).

Komaan, dat zal den toestand zuiv’ren.

Nu komt in alles hier verandring;

Want, God zij dank, bestaat er iets

Dat men den naam “reactie” geeft.

De Baljuw.

Het was mijn werk dat het spektakel

In zijn geboorte werd gesmoord.

De Proost.

Maar ’t meeste deed toch wel ’t mirakel.

[286]

De Baljuw.

Wat voor mirakel?

De Proost.

Van de vischschool.

De Baljuw (fluit).

Dat was natuurlijk maar een leugen!

De Proost.

Och kom? Een leugen?

De Baljuw.

’k Zei maar wat

Mij ’t eerste inviel op ’t moment.

Is dat te laken, waar het gold

Zoo’n groot belang?

De Proost.

Voorzeker niet!

Best te verantwoorden desnoods.

De Baljuw.

En bovendien, als morgen weer

Het volk bedaard is en verstandig,

Wat deert het dan of we overwonnen

Door waarheid of door leugentaal?

De Proost.

Mijn vriend, ik ben geen rigorist. (kijkt naar de vlakte boven).

Maar is dat Brand niet die daarginds

Zich voortsleept?

De Baljuw.

Zeker, dat is hij!

Een eenzaam strijder op zijn tocht!

De Proost.

Neen, kijk, er is nog iemand bij …

Ver achter hem!

De Baljuw.

Wat?… Dat is Gerd!

De kerel is ’t gezelschap waard.

De Proost (vroolijk).

Als eens zijn offerdorst gestild is,

Zou dit als grafschrift kunnen dienen:

“Hier rust Brand, van strijdlust vol;

Hij won één ziel … en die was dol!”[287]

De Baljuw (met den wijsvinger tegen den neus).

Maar als ik ’t zaakje wel beschouw,

Lijkt mij toch ’t oordeel van het volk

Nogal een beetje inhumaan.

De Proost (haalt de schouders op).

Vox populi vox dei. Kom! (af).

(Boven op de kale bergvlakte. Het weer wordt hoe langer hoe slechter; zwarte wolken jagen laag en dicht over de sneeuwvelden heen. Zwarte toppen en kammen komen nu en dan te voorschijn en worden weer door nevels omhuld).

(Brand komt bloedig gewond en verslagen den berg op).

Brand (staat stil en kijkt achterom).

Duizend menschen togen mee uit

En niet een kwam tot de toppen.

Wel doorklinkt er aller harten

Drang naar grootscher, beter tijd;

Wel daalt neer in alle zielen

De oproep tot den heil’gen strijd.

Maar het offer, dat beangst hen;

Zwak en bang verbergt de wil zich …

Eén stierf immers voor hen allen,…

Lafheid geldt niet meer als misdaad!

(zinkt neer op een steen en kijkt schuw rond).

O, hoe vaak heb ik gehuiverd.

Ging ik bibberend van angst …

Onder ’t huilen van de honden …

In het donker … ’k was een kind!…

In de kamer waar het spookte.

Maar ’k bedwong mijn hartekloppen,

Troostte mij met de gedachte:

Buiten schijnt het volle licht,

’t Duister komt niet van den nacht,…

Er zijn luiken voor de ramen.

En ik dacht hoe straks het daglicht,

Heldre zomerzonneschijn,

Zou de deur- en vensterbogen

Vol en heerlijk binnenstroomen,

In de kamer waar het spookte.[288]

O, hoe bitter ben ’k bedrogen,

Pikzwart sloeg de nacht mij tegen …

En daarbuiten zaten mannen

Somber, stil, langs fjord en veld,

Houdend vast aan doode droomen,

Ze bewakend, als de koning,

Jarenlang bij Snefrids lijk,

Woelend los een punt der lijkwâ,

Voedend zich met ijdle hoop,

Meenend telkens dat de rozen

Weer herbloeiden op zijn wangen.

En, als hij, was er geen enkle

Die het graf gaf wat het eischte.

Onder hen niet één die weet:

Lijken droomt men niet ten leven,

Lijken moeten in den grond;

Hunne taak is het te geven

Voedsel aan een nieuwen oogst …

Donkre nacht,… nacht, overal,

Over mannen, vrouwen, kindren!

Kon ik hen met bliksemflitsen

Van des stroodoods-nood verlossen!

(springt op).

Nachtvisioenen zie ik jagen

Als een hellevaart in ’t donker.

’k Zie den tijd in wapenrusting

Manend, levensoffers vragen,

Eischend klinkend staal, geen stokken,

Eischend zwaarden uit de scheede;…

Neven zie ’k ten strijd zich gorden,

Broeders zie ’k gedoken zitten,

Met hun hoed diep in de oogen.

En nog meer zie ik voorbij gaan,…

Alle gruwlen en ellende!

Vrouwen jamren, mannen schreeuwen,

’t Oor gesloten voor wie smeekt,…

’k Zie hen op hun voorhoofd krassen

’t Merk van arme strandbewoners,

’t Minste volk door God geschapen.

Bleek en klein zich makend, staan zij,

Denkend zóó zich te beschermen …![289]

Vlaggen, meidags-regenboog,

Waar is dat nu alles heen?

Waar is nu de blijde driekleur,…

Zij, die wapp’rend, klapp’rend uitwoei

Onder juichend volksgejubel,

Tot een koninklijke dweper

Tong en split knipte in de vlag?

Met de tong werd toen gepraald;

Tanden mag de draak niet toonen,

Waartoe dan dat split als muil?…

Hadde ’t volk toch niet gejubeld,

Niet geknipt des konings schaar!

Zoo’n vlag met vier vredeshoeken

Is net goed voor noodsignaal,

Als een schuit is lek gestooten!

Erger tijden en visioenen

Lichten door den toekomstnacht!

Als een walmend zwarte wolk

Spreidt zich Eng’lands kolendamp uit.

Al het frissche groen besmeurend,

Iedre spruit in roet verstikkend,

Komt zij, zwaar van gif, geslopen,

’t Zonlicht stelend van de velden,

Zijgend neer, met asch bezwangerd,

Als een strafgericht der Oudheid …

Leelijk worden nu de menschen;…

Door der mijnen kromme gangen

Klinkt ’t geluid van dropp’lend water.

’t Dwergenvolk, vol ijver bezig,

Werkt, den geest van ’t erts bevrijdend,

Gaat gekromd van rug en ziel,

Lonkt er met begeer’ge oogen

Naar de blanke gouden leugens,

Zonder smartkreet, zonder glimlach,

Valt een broeder, dat deert niemand,

Eigen val wekt ook den leeuw niet;…

Allen haamren, vijlen, munten;

Niemand denkt meer aan het licht;

’t Heele menschdom weet niet meer

Dat, al mogen krachten zwichten,

Dit nog niet ontslaat van plichten![290]

Erger tijden en visioenen

Lichten in den toekomstnacht!

Koud verstand met luid geblaf

Dreigt de zon der leer op aarde.

’n Noodkreet stijgt er op uit ’t Noorden,

Helpt ons! klinkt het langs de fjorden;

Dwars en mokkend sist de dwerg,

Dat is toch voor mij geen werk.

Laat de sterken daarvoor gloeien,

Andren òpkomen daarvoor;

Dat ligt niet op ònzen weg …

Wij zijn klein, zijn niet berekend

Voor een waarheidsstrijd-tournooi;

Kunnen voor ons heilsverlies

Niet het volkswelzijn opoffren.

Niet voor òns heeft hij geleden,

Niet voor òns drong in zijn slapen

Van zijn kroon der doornen punten …

Niet voor òns drong er de lanspunt

In de zijde van den doode.

Niet voor òns brandden de nagels,

Hem geboord door handen, voeten …

Wij zijn klein, haast onbekend hem,

Zijn tot helpen niet geschikt!

Niet voor òns werd ’t kruis gedragen!

Ahasverus’ riemslag, bloedig

Zweepend, purperkleurend rug en

Schouders van den lijder … dat is

Ons deel van het passiewerk!

(werpt zich, zijn gezicht bedekkend, neer in de sneeuw; na een poosje kijkt hij op).

Heb ’k gedroomd? Ben ik nu wakker?

Alles grauw in mist verborgen.

Waren ’t kranke droomgezichten,

Die er langs mijn oogen trokken?

Is het beeld, waarnaar de ziel

Werd geschapen, gansch verloren?

In onze oergeest overwonnen?… (luisterend).

Als gezang klinkt ’t in den stormwind!

Het onzichtbare Koor (ruischt in den stormwind).

Nooit, nooit wordt gij hem gelijk,…[291]

Want uit stof zijt gij geboren:

Of zijn werk gij doet, of zwicht,

Toch zijt gij voor goed verloren!

Brand (herhaalt de woorden en zegt zacht:)

Wee mij! ’k Moet het haast gelooven!

Stond hij niet op ’t koor der kerk,

Toornig mijn gebed afwijzend?

Nam hij niet al wat ’k bezat,

Sloot mij af den weg des lichts,

Liet mij strijden tot het eind toe

En het onderspit mij delven!

Het Koor (klinkt sterker boven hem).

Nooit zult, worm, gij hem gelijken,…

Tot den dood zijt gij gedoemd;

Gij moogt volgen hem of wijken,

Altijd blijft uw doen verdoemd!

Brand (in zichzelf).

Agnes, Alf, de lichte dagen,

’n Leven in geluk en rust,

Ruilde ik voor strijd en jammer,

Wondde bloedig mij de borst,…

Heb toch niet den draak verslagen!

Het Koor (zacht en lokkend).

Droomer, nooit wordt gij als hij,

Have en goed hebt gij verloren;

Offers maken hèm niet rijk;…

Want als mensch zijt gij geboren!

Brand (barst in zacht schreien uit).

Alf en Agnes, komt weer bij mij:

Eenzaam zit ’k hier op den top,

Huivrend in den wind, met spoken

Wild en somber, om mij heen!…

(Hij kijkt op; een lichtschemerende plek opent en verwijdt zich in den nevel; eene vrouwelijke gedaante staat voor hem in een licht gewaad en een mantel om de schouders. Het is Agnes).

De Gedaante (glimlacht en breidt de armen naar hem uit).

Brand, hier heb je mij terug!

Brand (springt verward op).

Agnes! Agnes! ben je ’t waarlijk!

[292]

De Gedaante.

Alles was een booze droom!

Nù verdwijnen alle neev’len!

Brand.

Agnes! Agnes! (wil naar haar toe).

De Gedaante (gilt).

Niet hier over!

Zie je niet die diepe kloof,

Waardoor ’t woeste water stroomt? (zacht).

Neen, je droomt niet, neen je slaapt niet,

Ziet nu geen visioenen meer.

Ziek ben je geweest, mijn liefste,

Dronk des waanzins bittren drank,

Droomde dat wij je verlieten …

Brand.

O, je leeft dus! God zij lof en …!

De Gedaante (snel).

Stil, spreek daarvan liever later!

Volg mij, kom, de tijd is kort maar.

Brand.

O, maar Alf?

De Gedaante.

Is ook niet dood.

Brand.

Leeft hij?!

De Gedaante.

Ja, gezond en frisch!

Al dat leed heb je gedroomd;

Al je strijd … bedrog en waan.

Alf zit op grootmoeders schoot;

Zij is flink en hij wordt groot.

Ook de kerk staat nog in ’t dorp;

Bouw een grootre, als je ’t wilt;…

En het volk slooft daar beneden

Als in de oude, goede dagen.

Brand.

Goede?

De Gedaante.

Ja … toen vrede heerschte.

Brand.

Vrede!

[293]

De Gedaante.

Haast je, Brand, kom meê!

Brand.

Ach, ik droom!

De Gedaante.

Neen, nu niet meer.

Maar aan rust heb je behoefte …

Brand.

Ik ben sterk.

De Gedaante.

Och, nu nog niet;

’t Droomgevaar ligt op de loer.

Weer zal je als een schim verglijden,

Weg van ’t kind en mijne zijde,

Weer versombert dan je geest,

Wil je ’t middel niet gebruiken.

Brand.

O, geef hier dan!

De Gedaante.

Jij bezit het,

Jij alleen, en niemand anders.

Brand.

Noem het dan!

De Gedaante.

De oude dokter

Die er las zoo menig boek,…

Die zoo knap is door en door,

Heeft de ziektekiem gevonden.

Alle droeve droomgezichten

Komen uit drie woorden voort.

Die drie moet je dapper schrappen,

Moet ze uit je geheugen wisschen,

Ze niet meer als wet doen gelden.

Die zijn schuld van de visioenen,

Die als waanzin je overvielen;…

Doe ze weg, zal rein je ziel zijn

En bevrijd van pijn en ziekte!

Brand.

Zeg ze!

De Gedaante.

“Niets of alles.”

[294]

Brand (wijkt terug).

Dàt?

Is het dat?

De Gedaante.

Zoo waar ik leef ja,

En zoo waar jij eenmaal sterft.

Brand.

Wee ons beiden! ’t Dreigend zwaard hangt

Nog als vroeger boven ons!

De Gedaante.

Brand, wees goed … ik heb je lief;

Klem mij in je sterke armen …

Laat ons zon en zomer zoeken …

Brand.

Neen, mijn ziekte komt niet weer.

De Gedaante.

Ja, helaas, die komt terug.

Brand (het hoofd schuddend).

Neen, die ligt nu achter mij.

Nu geen wilde droomen meer,…

Nu komt ’t rijke, volle leven!

De Gedaante.

’t Leven?

Brand.

Volg mij, Agnes!

De Gedaante.

Wacht!

Brand, wat wil je?

Brand.

Wat ik moet:

Leven wat ’k tot nog toe droomde,…

Doen in waarheid, wat maar waan was.

De Gedaante.

O, onmooglijk! Denk waarheen

Dat je voerde!

Brand.

Tòch nog eens!

De Gedaante.

Al die vreeslijke visioenen

Wil je uit vrijen wil doorleven?

Brand.

Vrij en wakker.

[295]

De Gedaante.

’t Kind verliezen?

Brand.

’t Kind verliezen.

De Gedaante.

Brand!

Brand.

Ik moet!

De Gedaante.

Weer het bloed mij doen verstijven?

Mij met offergeesels slaan

Tot ’k bezwijk?

Brand.

Ik moest het doen.

De Gedaante.

Alle licht in nacht uitdooven,

’t Zonnig daglicht buiten sluiten,

Nooit van ’s levens vruchten plukken,

Nooit je ziel door zang verblijden?

O, ’k herinner mij zoo veel!

Brand.

’k Moet! Verspil je smeeken niet.

De Gedaante.

En vergeet je dan je loon?

Hoe je hoop je heeft bedrogen?

Eenzaam bleef je … werd geslagen!

Brand.

Niet voor mij heb ik geleden,

Niet voor eigen zege streed ik.

De Gedaante.

Voor een volk dat leeft in ’t duister.

Brand.

Eén kan licht aan velen geven.

De Gedaante.

Aan veroordeelde geslachten!

Brand.

Veel kan soms de wil van één doen.

De Gedaante.

Denk hoe één met vlammenroede

Dreef den mensch uit ’t Paradijs!

En de poort heeft hij gesloten;…

Dáár komt niemand over heen!

[296]

Brand.

Open bleef ’t pad van verlangen!

De Gedaante (verdwijnt in een donderslag; de mist vult de plaats waar zij stond, en een scherpe, snijdende kreet weerklinkt, als van iemand die wegvlucht:)

Sterf! Wat doe je hier op aarde!

Brand (staat een oogenblik als bedwelmd).

Weg … verdwenen in de mist,…

Vlood op groote zwarte wieken

Als een gier over de vlakte.

’t Was het vragen van een pink

Om de heele hand te krijgen!…

Ja, dat was de geest der halfheid!

Gerd (komt op met een buks).

Zag je nu den havik vluchten?

Brand.

Ja, nu heb ik hem gezien.

Gerd.

Zeg mij, gauw, waarheen hij vloog;

’k Wil hem na, ik wil hem raken!

Brand.

Op hèm heeft geen wapen vat;

Telkens meent men hem te raken

In het hart, met ’t moordend lood,…

Maar als men hem af wil maken,

Zit hij spottend en brutaal

Achter je, en vliegt weer weg.

Gerd.

’k Stal hier deze jagersbuks,

Laadde haar met lood en zilver;

G’loof maar dat ’k zoo gek niet ben

Als ze zeggen!

Brand.

Tref je doel dan! (wil gaan).

Gerd.

Je loopt mank … hoe ’s dat gekomen?

Wat gebeurde er?

Brand.

’t Volk verjoeg mij.

Gerd (dichterbij).

Roode bloeddroppels bedekken[297]

Ook je voorhoofd!

Brand.

’t Volk wierp steenen.

Gerd.

Vroeger klonk je stem als zingen.…

Knarsend nu, als krakend herfstloof.

Brand.

Allen … alles …

Gerd.

Wat?

Brand.

Ontviel mij.

Gerd (kijkt hem met groote oogen aan).

O, nu weet ik wie je bent!

’k Dacht dat je de priester was;

… Bah, die heele priesterrommel!…

Maar jij bent de allergrootste!

Brand.

Bijna viel ’k dien waan ten offer.

Gerd.

Laat mij toch je handen zien!

Brand.

Waartoe dàt?

Gerd.

De nagelmerken!

’k Zie je bloed langs ’t voorhoofd drupp’len.

Door der scherpe doornen tanden,

Diep en woest in ’t vleesch gedrukt.

Ja, aan ’t kruis heb je gehangen!

Vader zei, toen ik nog klein was,

Hoe dat eertijds was gebeurd,

Ver van hier en met een ander;…

Maar nu zie ’k, dat was een sprookje;…

Ja, want jij bent de Verlosser!

Brand.

Wijk van mij!

Gerd.

O, moet ik dan

Biddend knielen aan je voeten?

Brand.

Weg!

[298]

Gerd.

Jij gàf immers je bloed

Ter verlossing van ons allen!

Brand.

O, ik weet geen reddingsplank

Voor mijn eigen arme ziel!

Gerd.

Hier de buks! Schiet neer ’t gebroedsel!…

Brand (schudt het hoofd).

Neen, ik moet mijn lot volbrengen.

Gerd.

Zeg dat niet; jij bent de grootste!

In je hand is ’t nagelmerk;…

Uitverkoren, de Verlosser!

Brand.

De allerminste is ’t nog eer!

Gerd (kijkt naar boven; de wolken scheuren).

Weet je waar je staat?

Brand (staart voor zich uit).

Ik sta

Aan de laagste sport der ladder,

Ziel en lichaam zwaar gewond.

Gerd (wilder).

Antwoord! Weet je waar staat?

Brand.

Ja, nu valt de nevelsluier.

Gerd.

Ja, die valt: de Zwarte Top

Boort zijn spits diep in den hemel!

Brand.

Zwarte Top? De ijskerk!

Gerd.

Ja!

Eindelijk ben je er toch gekomen!

Brand.

Duizend mijlen weg van hier!…

O, hoe zielsverlangend smacht ik

Naar de zon, naar licht en zachtheid,

Naar een vromen, stillen vrede,

Naar des levens zomerwarmte! (barst in tranen uit).

Jezus, ’k riep zoo vaak uw naam,[299]

Nooit zijt gij tot mij gekomen;

Zijt dicht langs mij heen gegleden,

Als een half vergeten woord;

Laat mij nu van ’t heilsgewaad,

Nat van wijn der ware boete,

Grijpen ’n enkel tipje maar!

Gerd (bleek).

Wat? Jij, Ziener, schreit, dat warm

Tranen langs je wangen stroomen,…

Warm, dat droppels van hun lijkwâ

Zachtjes glijden van de toppen,…

Warm, dat van mijn ziel de ijskorst

Smelt, en zich in tranen oplost,…

Warm, dat ’t sneeuw-miskleed in flarden

Van den ijskerk-priester afglijdt … (bevend).

Waarom schreide je niet eerder!

Brand (met helder oog, stralend en als verjongd).

IJskoû gaat er van de wet uit …

Zonder zomerzon van boven

Ben ’k, tot heden, slechts gebleven

Drager van Gods strenge wetten;…

Nu, van dit uur, zal mijn leven

Warm en rijk het zonlicht zoeken.

De ijskorst smelt. Nu kan ik schreien,

Kan ik knielen,… kan ik bidden.

(Valt op de knieën).

Gerd (kijkt schuin naar boven en zegt zacht en schuw).

Kijk, daar zit hij weer, de booze!

Zie je niet zijn schaduw vallen?

Zie, hoe hij langs hooge toppen

Met zijn breede wieken schuurt.

Nù is ’t reddingsuur nabij …

Als nu ’t zilver maar wil bijten!

(Legt de buks tegen haar wang en schiet. Een dof gedreun, als van rollenden donder, weerklinkt van boven af langs de helling).

Brand (komt overeind).

Ha! Wat doe je?

Gerd.

Goed geraakt![300]

Kijk, hij wankelt,… hij gaat vallen;

Hoor, hij schreeuwt, dat ’t gillend doorklinkt!

Kijk eens, kijk, hoe al zijn veeren

Stuiven langs den berg als vlokken,

Kijk, hoe groot en wit hij wordt!…

Hei, nu rolt hij nog hierheen!

Brand (zakt in elkaar).

Ja, tot boete voor ’t geslacht

Zijn veroordeeld àlle telgen!

Gerd.

Tienmaal wijder werd ’t gewelf

Van den hemel, toen hij viel!

Kijk hem tuimlen! Kijk hem rollen!…

O, nu ben ’k niet langer bang;

Hij is wit nu, als een duif …! (gilt in angst).

Huuh! wat een verwoed gebulder!

(werpt zich neer in de sneeuw).

Brand (kromt zich onder de neerstortende lawine, naar boven roepend:)

Antwoord God, in ’t uur des doods:

Heeft geen greintje waarde dan

Van den wil het quantum satis…?

(De lawine begraaft hem en vult het heele dal).

Een Stem (klinkt door den rommelenden donder heen:)

Hij is Deus caritatis!

EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.

[302]

[Inhoud]
PEER GYNT
DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
[303]

[Inhoud]
PERSONEN:
Aase, de weduwe van een boer.
Peer Gynt, haar zoon.
Twee oude vrouwen, met korenzakken.
Aslak, een smid.
Bruiloftsgasten.
De Keukenmeester.
De Speelman enz.
Een nieuw aangekomen boerenechtpaar.
Solvejg en de kleine Helga, hun dochters.
De Boer van Haegstad.
Ingrid, zijne dochter.
De Bruidegom en zijn ouders.
Drie berghut-meiden.
Een in ’t groen gekleede vrouw.
De Koning van Dovre.
Een Hofkabouter. Verschillende andere Kabouters.
Jeugdige Kabouters van beiderlei kunne. Een paar Heksen, Aardgeesten, Dwergen, Aardmannetjes, enz.
Een leelijke Jongen.
Een Stem in het duister.
Vogelgeschreeuw.
Kari, een boerenvrouw.
Mister Cotton, Monsieur Ballon, die Herren von Eberkopf en Trumpeterstraale, reizigers.
Een dief en een heler.
Anitra, de dochter van een Bedoeïnen-stamhoofd.
Arabieren, Slavinnen, dansende Meisjes, enz.
De Memnonzuil (zingende) en de Sfinx van Gizeh (zwijgende figuur).
Begriffenfeldt Professor, dr. Phil., directeur van het Krankzinnigengesticht te Kaïro.
Hoehoe, een taalhervormer van de kust van Malabar.
Hoessein, een Oostersch Minister.
Een Fellah met een koningsmummie. Verscheidene krankzinnigen met hun oppassers.
Een Noorsch Scheepskapitein en de bemanning van zijn schip.
Een vreemde Passagier.
Een Geestelijke.
Een Begrafenisstoet.
Een Ambtenaar.
Een Knoopengieter.
Een magere persoon.
De handeling, die plaats heeft in ’t begin der 19de eeuw, en eindigt omstreeks het jaar 1860, wordt gedeeltelijk afgespeeld in het Gudbransdal en zijn bergen, gedeeltelijk aan de kust van Marokko, in de Saharawoestijn, in het gekkenhuis te Kaïro, op zee, enz.

[304]

[Inhoud]
EERSTE BEDRIJF.
Een helling met loofboomen bij Aase’s hoeve. Een beek stroomt schuimend naar beneden. Aan den anderen kant een oude molen. Warme zomerdag.

Peer Gynt, een forsch gebouwde jonge man van twintig jaar komt het voetpad af. Aase, zijn moeder, klein en tenger, komt achter hem aan. Zij is boos en kijft.

Aase.

Peer, je liegt!

Peer Gynt (zonder stil te staan).

Dat doe ik niet!

Aase.

Zoo; nou zweer dan dat ’t zoo is!

Peer Gynt.

Waarom zweren?

Aase.

Och, je durft niet!

’t Is weer alles leugenpraat!

Peer Gynt (blijft staan).

’t Is de waarheid … woord voor woord!

Aase (vlak voor hem).

En je schaamt je niet voor mij?

Loopt van huis maar weken lang

Juist in de’allerdrukste tijden,

Om te jagen in de bergen,…

Komt thuis met gescheurden pels,

Half gekleed en zonder wild;…[305]

En ten slot zou je wel denken

Mij je jagers-leugenpraat

Zoo maar op de mouw te spelden!…

Wel, waar was ’t dat je den bok zag?

Peer Gynt.

Op den Gendin.

Aase (lacht spottend).

Juist, jawel!

Peer Gynt.

Scherp blies daar de wind van daan;

Achter kreupelhout verborgen

Groef hij in de harde sneeuw

Naar wat mos …

Aase (als voren).

Ja, juist, jawel!

Peer Gynt.

’k Hield mijn adem in, stil luistrend,

Hoorde ’t knarsen van zijn hoef,

Zag van één gewei de takken.

Toen, voorzichtig, tusschen steenen,

Sloop ik op mijn buik vooruit.

Daar verborgen gluurde ik opwaarts;…

Zulk een bok, zoo mooi en vet,

Zag je van je leven niet!

Aase.

Neen, dat zal wel niet!

Peer Gynt.

Eén knal!

En, bons! lag de bok ter aarde.

Maar zoodra hij nederviel

Zat ik op zijn rug al schrijlings,

Greep hem bij zijn linkeroor,

Haalde juist mijn mes al uit

Om ’t hem in den nek te steken;…

Hei! daar gaat hij aan het schreeuwen,

Staat pardoes weer op zijn pooten,

Werpt naar achteren zijn gewei

Dat ’k verlies mijn mes en schede;

Pakt als in een schroef mijn lenden,

Slaat zijn horens om mijn beenen

Dat ’k als in een tang geklemd zit,…

En zoo rent hij met een vaart[306]

Rechtstreeks over Gendinskam!

Aase (onwillekeurig).

Goede hemel …!

Peer Gynt.

Heb je wel eens

Ooit den Gendinskam gezien?

’n Halve mijl is die wel lang,

Smal … niet breeder dan een zeis,

Over gletschers, losse steenen,

Scherpe kanten, grauw en steil,

Kan je zien aan beide kanten

’t Zwarte water in de diepte

Slapend, meer dan dertienhonderd

El omlaag, den berg insluitend …

Daarlangs stoven hij en ik

Pijlsnel voort door weer en wind.

Nooit bereed ik nog zoo’n beestje!

Midden door die wilde vaart

’n Knett’ren als van zonnevonken.

Arendsruggen zwommen bruin

In het duizeldiepe ruim,

Halfweg tusschen ons en ’t water,…

Dreven dan weer weg, als schuim.

Drijfijs brak er aan de kanten,

Doch ’t geluid was niet te hooren;

Draaikolks-feeën dansten maar

Zingend, zwierend in het rond,

Voor mijn oogen, en mijn ooren!

Aase (duizelig).

O God, sta mij bij!

Peer Gynt.

Op eens,

Op een vreeslijk steile plek,

Vliegt daar plotseling een sneeuwhoen

Uit de spleet waarin het zat,

Fladdert kakelend, verschrikt,

Op, vlak voor den bok zijn pooten.

Die maakt snel half-rechtsomkeert,

Jaagt dan met een reuzensprong

Naar beneden in de diepte!

(Aase wankelt en grijpt naar een boomstam. Peer Gynt gaat voort).

[307]

Achter ons de zwarte steilte,

Onder ons een grondloos diep!

Eerst ging ’t door een laag van nevels,

Toen door ’n heelen zwerm van meeuwen,

Die naar alle kanten vluchtend,

Krijschend uit elkander stoven.

Voort maar weer! Voort naar beneden!

Maar van uit de diepte schemert

Wit iets, als een rendiersborst …

’t Was ons eigen beeld, o moeder,

Dat, opstijgend uit het bergmeer,

Naar de oppervlakte stormde

In een even wilde vaart

Als die ons joeg naar beneden.

Aase (snakt naar adem).

Peer! God help’ mij …! Zeg het gauw!

Peer Gynt.

Bok van boven, bok van ondren,

Stooten gelijktijdig samen,

Dat het schuim ons wit bespatte.

Ja, daar lagen wij te spartlen …

Na een poosje toch bereikten

Wij een plekje waar wij landden,

’t Rendier zwom, ik aan hem hangend;…

Ik ging huiswaarts …

Aase.

En de bok dan?

Peer Gynt.

Die loopt zeker nog wel rond;…

(knipt met de vingers, draait op zijn hielen en voegt er bij:)

Pak hem, als je ’m nog kunt krijgen.

Aase.

En je nek is niet gebroken?

Beide beenen brak je niet?

En je ruggegraat is heel?

O, mijn God,… ik loof en dank u

Dat mijn zoon gij hebt beschermd …

Wel is toch je broek aan flarden;

Maar dat is niet van beteeknis

Als men denkt wat er veel ergers

Kòn gebeuren op zoo’n tocht …!

(houdt plotseling stil, kijkt hem aan met open mond en groote oogen, [308]kan een heelen tijd geen woorden vinden, en barst eindelijk uit:)

O jij duivels-leugenaar!

Goede God, wat kan jij liegen!

Ik herinner ’t mij nu weer,

Heb het al gehoord als meisje.

Gudbrand Glesne is ’t gebeurd …

Maar niet jou …

Peer Gynt.

Jawel, mij ook.

’t Kan wel meer dan ééns gebeuren.

Aase (nijdig).

Ja, een leugen kan je draaien

Om-en-om, versierd, vermooid,

In een gloednieuw pak gestoken

Dat geen mensen haar meer herkent.

En dàt heb jij nu gedaan;

Alles groot en wild gemaakt,

Opgesierd met arendsruggen …

En met al die andre fratsen —

Hier wat bij en daar wat af —

Maak je iemand zoo van streek,

Dat een mensch niet meer herkent

Wat hij jaren lang al wist!

Peer Gynt.

Als een ander zoo iets zei

’k Zou hem ongenadig rans’len!

Aase (huilend).

Och God, was ik toch maar dood;

Lag ik toch maar onder de aarde!

Tranen noch gebeden helpen,…

Peer, je bent en blijft verloren!

Peer Gynt.

Lieve moedertje, och toe,…

Ja, je hebt volmaakt gelijk,…

Wees nu maar weer goed …

Aase.

Och, zwijg toch!

Kan ik zoo maar daadlijk goed zijn,

Met een beest als jij tot zoon?

Is ’t voor mij, een arme weduw’

Zonder steun, geen bitter leed dan?

Altijd schande maar tot loon! [309](schreit weer)

Wat bleef er voor ons nog over

Van grootvaders rijke dagen?

Waar zijn al de zakken geld

Van den ouden Rasmus Gynt?

Vader bracht het geld aan ’t rollen,…

Strooide ’t rond als ware ’t zand,

Kocht maar grond in ’t heele land,

Reed er met vergulde karren …

Waar is alles wat verdaan werd

Bij het groote winterfeest,

Toen de gasten flesschen, glazen

Neer maar kwakten op de planken!

Peer Gynt.

Sneeuw van ’t vorig jaar, waar is die?

Aase.

Hoû toch je brutalen mond!

Kijk eens rond! Om ’t andre raam is

Er geen heele glasruit meer.

Hek en schutting zijn bezweken,

’t Vee staat maar in weer en wind,

Veld en akker liggen braak,

Iedre maand moet ik beleenen …

Peer Gynt.

Hou toch op met dat gezeur!

Dikwijls als ’t geluk eens uitbleef

Kwam het in galop terug weer!

Aase.

Waar dàt groeide is zout gestrooid nu!

Maar jij bent een kerel, jij,…

Altijd kranig en brutaal,

Welbespraakt als toen de priester —

Die van Kopenhagen kwam

En je naar je doopnaam vroeg —

Zwoer dat menig volbloed prinsje

Zulk een naam zou willen dragen.

En tot dank gaf toen je vader

Paard en slede hem present nog,

Voor zijn allervriendlijkst woord …

Ja; toen was hier pret genoeg!

Proost, kaptein en al hun aanhang

Hingen dagelijks hier om,[310]

Etend, drinkend om het hardst.

Maar in nood kent men zijn vrienden,

’t Werd hier alles leeg en stil

Van den dag, dat “Jon de geldzak”

Met zijn mars de wereld introk.

(droogt haar oogen af met haar schort).

Och, jij bent nu groot en sterk toch

Jij moest staf en steun en hulp zijn

Voor je arme oude moeder,…

Jij moest hoeve en huis besturen,

Zorgen dat er niets verviel;…

(huilt weer).

Lieve God, wat ik aan jou had

Al die jaren lang, schavuit!

Bij den haard blijf je thuis liggen,

Wentelt rond in asch en kolen;

In het dorp jaag je al de meisjes

Uit de danszaal als je komt,…

Maakt mij overal te schande,

Vecht met d’ergste vechtersbazen …

Peer Gynt (loopt weg).

Schei toch uit.

Aase (loopt hem na).

Kan jij ’t ontkennen

Dat je nommer één geweest bent

Toen er zoo gevochten is laatst,

Ginds te Lunde … waar je elkander

Gingt te lijf als dolle honden?

Of was jij ’t niet die smid Aslak’s

Arm ontwricht heb op dien dag …

Of was ’t soms één vinger maar?

Peer Gynt.

Wie bracht je die praatjes thuis?

Aase (nijdig).

Buurvrouw hoorde het gejammer!

Peer Gynt (wrijft zijn elleboog).

Ja, maar schreeuwen deed ik zelf.

Aase.

Jij?

Peer Gynt.

Jawel … ik kreeg de klappen.

[311]

Aase.

Wat?

Peer Gynt.

Die kan je raken, hoor!

Aase.

Wie dat?

Peer Gynt.

Wel, dien Aslak, meen ik.

Aase.

Foei toch, foei! ’k Moest op je spuwen!

Zoo’n opsnijder, zoo’n slampamper,

’n Zuiplap, een aartsleugenaar,

Liet jij je door zoo’n vent slaan?

(huilt weer).

Schande heb ’k al veel geleden;

Maar dat dit gebeuren moest

Is wel de ergste spotternij.

Al is hij dan nog zoo’n baas;…

Moet jij dan de minste zijn?

Peer Gynt.

Of ik klop krijg, of d’r op sla …

Jamren moet je toch altijd.

(lacht).

Troost je moeder …

Aase.

Was ’t een leugen

Nou alweer?

Peer Gynt.

Ja, dezen keer.

Droog dus maar je tranen af;…

(balt zijn linkerhand).

Kijk,… met deze knijptang hier

Hield ’k den heelen smid gebogen;

(balt de rechterhand).

En dit vuistje was mijn hamer …

Aase.

O, jij rekel, brengt je moeder

Nog in ’t graf met je gedrag!

Peer Gynt.

Neen, hoor, jij bent beter waard;

Twintig duizend maal wat beters;

Lieve, booze moeder mijn,[312]

Kom, vertrouw maar op mijn woord,

Heel het dorp zal je nog eeren,

Wacht maar tot ik eens iets groots …

Waarlijk groots volbrengen zal.

Aase (spottend).

Jij!

Peer Gynt.

Wie weet wat kan gebeuren!

Aase.

Werd je nog maar eens zoo wijs

Dat je zelf weer dicht kon maken

Al de scheuren in je broek!

Peer Gynt (nijdig).

Koning zal ik worden, keizer!

Aase.

Lieve God, daar gaat zijn laatste

Restje van gezond verstand!

Peer Gynt.

Ja, ’t gebeurt! Heb maar geduld!

Aase.

“Heb geduld, dan wordt je prins,”

Heet het, als ’k mij niet vergis!

Peer Gynt.

Wacht maar, moeder!

Aase.

Hoû je mond!

Stapelgek ben je gewoon …

Trouwens, eerlijk moet ik zeggen,

Als je niet zoo dag aan dag

Dolle streken deedt, en loog,

Was je goed terecht gekomen.

Die van Haegstad mocht je wel;

Die had jij best kunnen krijgen

Als je ’t goed hadt aangelegd …

Peer Gynt.

Denk je?

Aase.

D’oude heeft geen kracht meer

Om zijn dochter te weerstaan;

Wel is hij een echte stijfkop,

Maar zij, Ingrid, geeft geen kamp ook;

En waar zij gaat, strompelt hij[313]

Brommend haar wel achterna dan.

(begint weer te schreien).

Och, mijn Peer, een schatrijk meisje,…

’n Boerendochter! Denk eens aan,…

Als je ’t wijzer aangelegd hadt

Was je al haar bruidegom,…

Jij, die nu hier loopt in lompen!

Peer Gynt (snel).

Kom, ik ga het jawoord halen!

Aase.

Waar?

Peer Gynt.

Op Haegstad!

Aase.

Arme jij;

Dat is uit, die vrijerij!

Peer Gynt.

En waarom?

Aase.

’t Is om te huilen!

Nu is het te laat … verspeeld al …

Peer Gynt.

Zoo?

Aase (snikkend).

Toen jij ginds in de bergen

Door de lucht reedt op je rendier,

Heeft Mads Moën haar gekregen!

Peer Gynt.

Wat? Dat vrouwenschrikbeeld! Hij!…

Aase.

Ja, zij neemt hem nu tot man.

Peer Gynt.

Wacht mij hier tot ik een paard span

Voor de kar … (wil weggaan).

Aase.

Maak maar geen drukte.

Morgen vieren zij al bruiloft …

Peer Gynt.

Poeh!… maar ik kom nog van avond!

Aase.

Schaam je; wil je dat zij ook nog

Je belachen en bespotten?

[314]

Peer Gynt.

Stil maar. Alles gaat wel goed.

(jodelt en lacht tegelijkertijd).

Heisa, zeg! De kar blijft hier;

’t Paard te halen duurt te lang …

(tilt haar op).

Aase.

Laat mij los!

Peer Gynt.

Neen, op mijn armen

Draag ik je naar ’t bruiloftshuis!

(waadt door de beek).

Aase.

Help! Och Heer wees mij genadig!

Wij verdrinken …

Peer Gynt.

Neen, mij wacht

Een veel hoogre dood …

Aase.

Jawel;

Jij komt aan de galg terecht!

(trekt hem aan zijn haar).

O, jij monster!

Peer Gynt.

Zit nu stil,

’t Is hier glad, de grond is glibb’rig.

Aase.

Ezel!

Peer Gynt.

Ja, je mag wel schelden,

Dat brengt niemand van de wijs.

Zoo; nu krabb’len wij weer op …

Aase.

Hoû mij vast toch!

Peer Gynt.

Heisa, hop!

Nu wordt ’t Peer-en-rendier spelen;…

(galoppeert).

Ik ben ’t rendier, jij bent Peer!

Aase.

O, ik voel mezelf niet meer!

[315]

Peer Gynt.

Zie je, nu zijn wij de beek door;…

(komt aan land).

Zoo, geef nu je bok een kus:

Dat is voor den voerman ’t loon …

Aase (geeft hem een oorvijg).

Ziedaar voor den voerman!

Peer Gynt.

Au!

Dat ’s een al te karig loon!

Aase.

Laat mij los!

Peer Gynt.

Eerst naar de hoeve.

Wees mijn voorspraak. Je bent handig;

Spreek met hem, den ouden gek;

Zeg hem dat Mads Moën niets waard is …

Aase.

Laat me los!

Peer Gynt.

En zeg hem ook

Wat Peer voor een kerel is.

Aase.

Ja, daar kan je vast op aan!

’k Zal een boekje opendoen,

’k Zal een mooi tafreel ophangen

Van je fratsen en je streken …

Peer Gynt.

Zoo?

Aase (spartelt van kwaadheid).

Ik zal niet eerder zwijgen

Vóór de boer den hond op je afjaagt,

Alsof jij een schooier was!

Peer Gynt.

Hm; dan zal ik maar alleen gaan.

Aase.

Goed, maar ik kom je achterna!

Peer Gynt.

Moederlief, dat kan je niet …

Aase.

Denk je niet? Ik ben zoo woest

Dat ’k wel steenen kon vermorz’len![316]

Grind zou ’k kunnen eten, bah!

Laat mij los!

Peer Gynt.

Als je belooft nu …

Aase.

Niets! ik wil mee naar den boer toe,

Weten zal hij wie je bent!

Peer Gynt.

Neen, dan moet je wachten hier.

Aase.

’k Wil niet! Ik wil mee naar boven!

Peer Gynt.

Dat gebeurt niet.

Aase.

Wat is dat nu?

Peer Gynt.

’k Zet je op ’t dak hier van den molen

(Zet er haar op. Aase gilt).

Aase.

Haal me er af!

Peer Gynt.

Als je wilt luistren …?

Aase.

Klets niet!

Peer Gynt.

Moeder wees toch wijs …

Aase (gooit naar hem met een graszode).

Haal me er af, Peer, gauw … terstond!

Peer Gynt.

Als ik durfde deed ik ’t zeker.

(dichterbij).

Blijf nu stil en rustig zitten.

Ga niet spart’len met je beenen,

Ruk en pluk niet aan de steenen,…

Anders, denk er aan, zou ’t mis gaan …

Zou je vallen.

Aase.

O, jij beest!

Peer Gynt.

Niet zoo spart’len!

[317]

Aase.

O, ik wou

Dat de grond je op kon slokken!

Peer Gynt.

Schaam je toch!

Aase.

Och wat!

Peer Gynt.

Geef liever

Mij je zegen op mijn tocht mee.

Wil je? Zeg?

Aase.

Ik zal je rans’len,

Al ben jij ook nog zoo’n baas!

Peer Gynt.

Nou, tot ziens dan, moederlief!

Zit maar stil, ik blijf niet lang weg.

(gaat heen, maar keert zich om, steekt zijn vinger vermanend op en zegt):

Denk er aan dat je niet spartelt!

(af).

Aase.

Peer!… Och God, nu loopt hij weg!

Bokkerijder! Leugenbrok!

Zal je komen!… Neen, daar gaat hij

Er van door …!

(schreeuwend:)

Help! ik word duiz’lig!

(Twee oude vrouwen met zakken op den rug komen het pad af naar den molen).

Eerste oude Vrouw.

Hèh? Wie schreeuwt daar?

Aase.

Ik! hier, ik!

Tweede oude Vrouw.

Aase! Wel,… wat zit je hoog …?

Aase.

Dit beteekent nog niet veel …

Als ’t nog lang duurt vaar ’k ten hemel!

Eerste oude Vrouw.

Goede reis dan!

Aase.

Haal een ladder;[318]

’k Wil er af! Dat duivelsjong …

Tweede oude Vrouw.

Wie, je zoon?

Aase.

Ja, wat hij uithaalt

Heb je dan nu eens gezien.

Eerste oude Vrouw.

Wij getuigen.

Aase.

Help mij maar eens;

Want naar Haegstad moet ik gauw nu …

Eerste oude Vrouw.

Is hij dáár?

Tweede oude Vrouw.

Dan kan je lachen;

Want de smid zou ook daar komen.

Aase (wringt de handen).

Lieve God, mijn arme jongen!

Wie weet of ze hem niet doodslaan!

Eerste oude Vrouw.

Ja, zoo iets kan licht gebeuren;

Troost je dan maar dat ’t zijn lot was!

Tweede oude Vrouw.

Zij is dol van woede en angst.

(roept naar boven).

Ejvind, Anders! Komt eens hier!

Een Mannenstem.

Wat is ’t dan?

Tweede oude Vrouw.

Kijk, moeder Aase

Heeft Peer Gynt op ’t dak gezet daar!…

Een kleine hoogte met struiken en hei. Daar achter, door een hekje afgescheiden, loopt de weg.

Peer Gynt komt een voetpad op, loopt snel naar het hekje toe, blijft staan en kijkt uit waar het uitzicht zich opent.

Peer Gynt.

Daar ligt Haegstad. Nu zal ’k gauw klaar zijn.

(klimt half over het hekje heen; dan bedenkt hij zich).

Wie weet of Ingrid wel alleen zit thuis?

(beschut zijn oogen en kijkt uit).

[319]

Neen. ’t Wemelt er van luî met geschenken.

’t Is misschien ’t verstandigst als ik maar omkeer.

(trekt zijn been weer terug).

Altijd fluisteren ze achter je rug,

En spotten dat ’t brandt dwars door je ziel heen.

(gaat eenige stappen terug en plukt zonder nadenken blaren af).

Als je nu maar iets sterks had te drinken,

Of als je ’m kon poetsen onbemerkt …

Of als niemand je kende … Vooral iets sterks

Zou goed zijn, dan schrijnt het lachen zoo fel niet.

(Kijkt opeens als verschrikt rond; dan verbergt hij zich tusschen de struiken. Eenige menschen met eetwaren-geschenken gaan voorbij en dalen dan af naar het bruiloftshuis).

Een Man.

Zijn vader was een zuiplap en zijn moeder is niet wijs.

Een Vrouw.

Nou, dan is ’t ook geen wonder dat de jongen is ’n dwaas.

(De menschen gaan verder. Even daarna komt Peer Gynt te voorschijn en kijkt hen rood van schaamte na).

Peer Gynt (zachtjes).

Hadden die het over mij? (met een woedend gebaar).

Och, laat ze praten!

Zij kunnen mij daarmee geen kop kleiner maken.

(Laat zich neervallen in de hei, ligt langen tijd op zijn rug met de handen onder zijn hoofd in de lucht te staren).

Wat een zonderlinge wolk! ’t Lijkt wel een paard.

En een man zit er op,… en zadel en teugels …

Daar achter rijdt een heks op een bezemsteel.

(Lacht stil in zich zelf).

Dat ’s moeder. Zij zit te schreeuwen en scheldt: beest

Van een Peer!…

(Even later sluit hij de oogen).

Ja, nu is zij bang …

Peer Gynt rijdt voorop, en een heele troep volgt hem …

’t Tuig is verzilverd, goudglanzend de hoeven.

Zelf draagt hij handschoenen, sabel en schede,

’n Mantel heel lang en met voering van zijde.

Dapper zijn zij die vertrouwend hem volgen.

Geen één toch zit er als hij in het zadel,

Geen één toch straalt er als hij in het zonlicht.

Menschen staan ginds aan het hek bij elkander,

Nemen hun hoed af en staren naar boven;[320]

Nijgende vrouwen ook. Allen erkennen

Keizer Peer Gynt en zijn duizenden mannen.

Onder hem schittren als kiezelsteenen

Zilveren munten, die strooide op den weg hij.

Allen in ’t dorp zijn rijk nu als graven.

Peer Gynt rijdt er dwars door de lucht over zee heen!

Engelands prins staat aan ’t strand hem te wachten;

Evenzoo doen alle Engelsche meisjes.

Engelands grooten en Engelands keizer,

Waar Peer voorbij rijdt, staan op van hun zetels.

De kroon van zijn hoofd neemt de keizer af, zeggend.…

Smid Aslak (tegen eenige anderen terwijl zij aan de andere zijde van het hekje voorbij gaan).

Kijk dáár eens, Peer Gynt, dat dronken zwijn!

Peer Gynt (komt half overeind).

Wat, Keizer!

De Smid (leunt over het hek, sarrend:)

Sta toch op, jongenlief!

Peer Gynt.

Wat duivel! De smid! Zeg? Wat mot jij nou?

De Smid (tegen de anderen:)

Z’n roes van Lunde zit hem nog in den kop.

Peer Gynt (springt op).

Ga nou maar dóór, hè!

De Smid.

Ik ga al, ja!

Maar zeg, waar kom jij nu ’t laatst van daan?

Zes weken weg … behekst in de bergen?

Peer Gynt.

Ja, smid, ’k heb wonderlijke dingen gedaan!

De Smid (knipoogt tegen de anderen).

Laat eens hooren, Peer!

Peer Gynt.

Dat gaat niemand aan.

De Smid (na een oogenblikje).

Ga je nu naar Haegstad?

Peer Gynt.

Neen.

De Smid.

Men zei[321]

Dat vroeger jij die meid daarginder wel mocht.

Peer Gynt.

Jij zwarte raaf …!

De Smid (wijkt een beetje terug).

Word nou niet kwaad, Peer;

Heeft Ingrid jou versmaad, er zijn ’r nog meer …;

Er komen daar jonkies en weeuwen allebei …

Peer Gynt.

Loop naar de hel!

De Smid.

Kom, licht wil ’r een je nog hebben …

Goên avond! Ik zal vast de bruid van je groeten.

(af, lachend en fluisterend).

Peer Gynt (kijkt hem een poos na, maakt een minachtend gebaar en keert zich half om).

Voor mijn part kan die Haegstad-meid trouwen

Met wien ze lust heeft, ’t Raakt mij geen zier!

(kijkt langs zijn beenen).

M’n broek aan flarden. Smerig en kaal,…

Had ik maar iets nieuws om aan te trekken.

(stampt op den grond).

Kon ik maar met één rake greep

Hun eens die minachting uit ’t hart rukken!

(kijkt plotseling in het rond).

Wat is dàt? Wie staat daar te grinniken ginds?

Hm, het leek mij toch net … Neen er was toch niemand …

’k Ga naar moeder thuis.

(gaat den weg op, maar blijft weer staan en luistert naar den kant van het feesthuis).

Nu begint de dans!

(staart en luistert; gaat stap voor stap weer terug; zijn oogen schitteren; hij wrijft langs zijn beenen).

Wat een gewemel van meiden! Zes … acht wel de man!

O, haal mij de duivel,… daar doe ik aan mee!…

Maar moeder, die nog zit op het molendak …

(weer dwalen zijn oogen naar beneden; hij springt en lacht).

Heisa, de halling1 dolt over de wei heen!

Ja, die Guttorm speelt flink er op los!

Dat stampt en dat bruist als een vallende stroom.

En dan die troep heerlijke, frissche meiden!…[322]

Ja, haal mij de duivel, daar doe ik aan mee!

(is met één sprong over het hek en holt naar beneden).

Het voorplein op Haegstad. Op den achtergrond het woonhuis. Vele gasten. Op het grasveld wordt levendig doorgedanst. De speelman zit op een tafel. De keukenmeester staat in de deur. Keukenmeisjes loopen af en aan tusschen de verschillende gebouwen; oudere menschen zitten hier en daar samen te praten.

Een Vrouw (gaat bij een troepje zitten dat op eenige balken is neer gezegen).

O, de bruid? Ja, die huilt wel een beetje,

Maar wie neemt daar nu notitie van.

De Keukenmeester (in een ander groepje).

Hier is wat te drinken, lieve menschen.

Een Man.

Dank den gever; maar je schenkt wel wat veel.

Een Jongkerel (tegen den fiedelaar, terwijl hij voorbij stuift met een meisje aan de hand).

Heisa, Guttorm, strijk wat je kunt maar!

Het Meisje.

Strijk dat het klinkt ver over de weiden!

Meisjes (in een kring om een jongen die danst).

Mooi was die sprong!

Een Meisje.

Hij is los in de knieën!

De Jongen (dansend).

Hier is ’t ver van den muur en hoog de zoldring!

De Bruidegom (komt grienend naar zijn vader toe, die met een paar anderen staat te praten, en trekt hem aan zijn buis).

Zij wil niet, vader; zij is zoo stug!

De Vader.

Wat wil ze niet?

De Bruidegom.

Zij heeft zich opgesloten.

De Vader.

Nou, zie dan den sleutel te vinden.

De Bruidegom.

Ik weet hier den weg niet.

[323]

De Vader.

Je bent een uil!

(keert zich weer tot de anderen. De bruidegom slentert weg over het voorplein).

Een Jongen (van de achterzijde van het huis).

Meisjes! Nu zal het pas goed gaan worden!

Peer Gynt is gekomen!

De Smid (die er zoo even bij gekomen is).

Wie bracht hem hier?

De Keukenmeester.

Niemand.

(gaat naar het huis toe).

De Smid (tegen de meisjes).

Als hij tegen je spreekt, hoor dan niet naar hem!

Een Meisje (tegen de anderen:)

Neen; wij doen net of wij hem niet kennen.

Peer Gynt (komt verhit en opgewonden aan, blijft midden voor den zwerm staan en klapt in de handen).

Wie van jullie kan het flinkste draaien?

Een enkele (op wie hij toetreedt).

Ik niet.

Een andere (evenzoo).

En ik niet.

Een Derde.

Nou, ik zeker ook niet.

Peer Gynt (tegen een vierde:)

Kom jij dan maar, tot een beetre zich aanmeldt.

Het Meisje (keert zich om).

Ik heb geen tijd.

Peer Gynt (tegen een vijfde:)

Jij dan!

Het Meisje (terwijl zij wegloopt:)

Ik moet naar huis.

Peer Gynt.

Van avond? Ben je nou heelemaal mal.

De Smid (even later, halfluid:)

Peer, daar gaat zij dansen met een ouwe.

[324]

Peer Gynt (wendt zich snel tot een ouderen man).

Waar zijn zij die nog vrij zijn?

De Man.

Zoek zelf maar. (gaat heen).

(Peer Gynt is opeens stil geworden. Hij gluurt schuw onderuit naar de groep. Allen kijken naar hem, maar niemand zegt iets. Hij gaat naar andere groepjes toe. Waar hij komt wordt het stil; als hij zich verwijdert, glimlachen zij en kijken hem na).

Peer Gynt (zachtjes).

Blikken, gedachten en lachjes als pijlen,

Dat krast en knarst als zaaghout onder vijlen!

(Hij sluipt langs het hek. Solvejg, met de kleine Helga aan de hand, komt het voorplein op, vergezeld van haar ouders).

Een Man (tegen een anderen, dicht bij Peer Gynt).

Dat zijn de nieuwe menschen.

De Andere.

Die luî daar?

De Eerste.

Komen uit het Westen.

De Andere.

Juist! Jawel.

Peer Gynt (treedt de komenden in den weg, wijst op Solvejg en vraagt aan den man:)

Mag ’k met je dochter dansen, zeg?

De Man (zacht:)

Zeker; maar eerst

Moeten wij de menschen binnen begroeten.

(zij gaan binnen).

De Keukenmeester (tegen Peer Gynt, terwijl hij hem te drinken aanbiedt:)

Als je hier bent moet je de kruik eens aanspreken!

Peer Gynt (kijkt onafgewend naar de binnengaanden).

Dank je; ’k wil dansen. Ik heb nu geen dorst.

(De keukenmeester gaat weg; Peer Gynt kijkt naar het huis en lacht).

Hoe blank! Neen, zoo iets zag ik nog nooit![325]

Keek neer op haar schoenen en haar witte schortje …!

En terwijl hield zij moeders schortpunt vast,

En droeg een kerkboek in een doek gewikkeld …!

Ik moet dat meisje zien. (wil de kamer in).

Een Jongen (komt met verscheidenen er uit).

Wel, Peer, ga je al weg

Van ’t dansen?

Peer Gynt.

Neen.

De Jongen.

Maar dan loop je verkeerd.

(pakt hem bij den schouder om hem om te draaien).

Peer Gynt.

Laat mij toch voorbij!

De Jongen.

Ben je bang voor den smid soms?

Peer Gynt.

Ik bang?

De Jongen.

Ja, je weet wel hoe ’t laatst ging te Lunde?

(het troepje gaat lachend weg naar de dansenden).

Solvejg (in de deur).

Jij bent vast de jongen, die wilde dansen?

Peer Gynt.

Ja, dat ben ik; was je dat al vergeten? (neemt haar bij de hand).

Kom dan!

Solvejg.

Maar niet te lang, zegt moeder!

Peer Gynt.

Zegt moeder? Ben jij dan van gistren, zeg?

Solvejg.

Je lacht me uit …!

Peer Gynt.

Je bent toch al volwassen;

Hoe oud ben je?

Solvejg.

’k Ben aangenomen in ’t voorjaar.

Peer Gynt.

Zeg hoe je heet, dan praten wij gezelliger.

Solvejg.

Mijn naam is Solvejg. En jij, hoe heet jij?

[326]

Peer Gynt.

Peer Gynt.

Solvejg (trekt haar hand terug).

O hemel!

Peer Gynt.

Wat moet dàt nu?

Solvejg.

Mijn kouseband is los; dien moet ik vaster gaan binden.

(loopt weg).

De Bruidegom (trekt zijn moeder aan haar rok).

Moeder, zij wil niet!

De Moeder.

Wil zij niet? Wat?

De Bruidegom.

Zij wil niet!

De Moeder.

Wat dan?

De Bruidegom.

Den sleutel omdraaien.

De Vader (zachtjes en nijdig).

Zij moesten jou aan de ruif vastbinden!

De Moeder.

Och, brom maar niet. Sukkel! ’t Komt wel terecht.

(zij gaan weg).

Een Jongkerel (die met een heelen troep van de dansplaats komt).

’n Slok brandewijn, Peer?

Peer Gynt.

Neen.

De Jongkerel.

’n Slokje maar?

Peer Gynt (kijkt hem donker aan).

Heb je dan wat?

De Jongkerel.

Dat kon wel gebeuren.

(haalt een zakflesch te voorschijn en drinkt).

Wat dat ’n mensch òpknapt!… Nou?

Peer Gynt.

Laat ’ns proeven. (drinkt)

[327]

Een Tweede.

Nu moet je ook eens drinken met mij.

Peer Gynt.

Neen!

Dezelfde.

Och kom, wees nou niet zoo flauw, zeg!

Kom Peer, drink!

Peer Gynt.

Geef mij dan een dropje. (drinkt weer).

Een Meisje (halfluid:)

Kom, laat ons gaan.

Peer Gynt.

Ben je bang voor mij, deern?

Een Derde Jongkerel.

Wie is nou niet bang voor jou?

Een Vierde.

Je toonde

Laatst nog te Lunde ons wat van je kunsten.

Peer Gynt.

’k Kan meer nog dan dat, als ik eerst maar eens los kom!

Eerste Jongkerel (fluisterend:)

Nu komt hij op dreef!

Verscheidenen (vormen een kring om hem heen).

Vertel; vertel!

Wat kan je?

Peer Gynt.

Ja, morgen …!

Anderen.

Neen, van avond nog, Peer!

Een Meisje.

Kan je toov’ren Peer?

Peer Gynt.

’k Kan den duivel bezweren!

Een Man.

Dat kon grootmoeder ook al, vóór ik bestond!

Peer Gynt.

Leugens! Wat ik kan dat kan niemand anders.

Ik heb hem één keer toch gejaagd in een noot.

Die was wormstekig, zie je!

Verscheidenen (lachend).

Dat laat zich begrijpen!

[328]

Peer Gynt.

Hij vloekte en jankte en wilde mij geven

Alles en nòg wat …

Eén uit den hoop.

Maar hij moest er in?

Peer Gynt.

Dat spreekt. Ik stopte ’t gat dicht met een pen.

O! Dat was me een gebrom en gerommel!

Een Meisje.

Verbeeld je!

Peer Gynt.

’t Was net het gegons van een hommel.

Het Meisje.

Zit hij nu nog in die noot, zeg?

Peer Gynt.

Neen.

Nu is hij lang al weer er van door.

Het is zijn schuld dat Aslak zoo ’t land aan mij heeft.

Een Jongkerel.

Hoe zoo?

Peer Gynt.

’k Ging naar de smidse en vroeg

Of hij de noot voor mij wilde kraken?

“Welzeker!” Hij legde ze neer op het aambeeld;

Maar Aslak pakt erg hardhandig aan;…

En slaat er terstond op met zijn hamer …

Een Stem uit de menigte.

Sloeg hij hem morsdood toen?

Peer Gynt.

Hij sloeg als een man.

Maar slim was de ander, en stoof als een brand

Dwars door het dak heen en scheurde den wand.

Verscheidenen.

En Aslak …?

Peer Gynt.

Stond met gebrande handen.

Sedert dien dag mag hij mij niet lijden.

(algemeen gelach).

Enkelen.

Die mop is wel goed!

Anderen.

Dat is wel zijn beste!

[329]

Peer Gynt.

Denk jullie dat ik wat verzin?

Een Man.

O neen,

Dat is niet noodig; ik ken al het meeste

Van vroeger …

Peer Gynt.

Leugens! ’t Is mij gebeurd!

De Man.

Net zoo als alles.

Peer Gynt (met een handzwaai).

Wat! Ik kan rijden

Dwars door de lucht heen op wilde paarden!

Och, ik kan allerlei dingen doen, weet je.

(weer schaterend gelach).

Een uit de bende.

Rijd eens door de lucht, Peer!

Velen.

Toe ja, Peer Gynt …

Peer Gynt.

Je hoeft er niet zoo om te bedelen, zeg.

Ik zal rijden als een stormwind over jullie allen!

’t Heele kersspel zal nog te voet mij vallen!

Een oudere Man.

Nu is hij stapelgek al.

Een Tweede.

Stuk vee!

Een Derde.

Opsnijder!

Een Vierde.

Leugenbrok!

Peer Gynt (dreigt hen).

Wacht maar, jawel!

Een Man (halfdronken).

Ja wacht; jou krijgen wij wel eens te pakken!

Verscheidenen.

Dan slaan wij je murw! En ’n paar blauwe oogen!

(De troep verspreidt zich, de ouderen kwaad, de jongeren spottend en lachend).

De Bruidegom (vlak bij hem).

Zeg Peer, is het waar, kan je door de lucht rijden?

[330]

Peer Gynt (kort).

Zeker, Mads! Geloof maar dat ik wat mans ben.

De Bruidegom.

Heb je dan ook den mantel, die maakt onzichtbaar?

Peer Gynt.

Den hoed, bedoel je? Ja, dien heb ik ook.

(keert zich van hem af. Solvejg gaat over de dansplaats met Helga aan de hand).

(Peer Gynt naar hen toe, met stralende oogen).

Solvejg! O, ’t is goed dat je komt, hoor! (grijpt haar pols).

Nu zal ik je draaien lustig in ’t rond!

Solvejg.

Laat mij los!

Peer Gynt.

Waarom?

Solvejg.

Je bent zoo wild.

Peer Gynt.

Ook het rendier is wild, als de zomer nadert.

Kom toch, deern, en wees niet zoo dwars!

Solvejg (trekt haar arm terug).

’k Durf niet.

Peer Gynt.

Waarom niet?

Solvejg.

Je hebt gedronken.

(gaat met Helga weg).

Peer Gynt.

Je mes moest je hun kunnen steken

Dwars door hun korpus … allemaal!

De Bruidegom (stoot hem aan met zijn elleboog).

Kan jij mij niet bij mijn bruid binnen laten?

Peer Gynt (verstrooid).

Je bruid? Waar is die?

De Bruidegom.

In ’t blokhuis.

Peer Gynt.

Zoo, zoo.

De Bruidegom.

Och toe, Peer Gynt, doe jij eens je best!

[331]

Peer Gynt.

Neen, jij moet ’t zonder mijn hulp klaar spelen.

(een gedachte gaat hem door het hoofd; hij zegt zachtjes en heftig:)

Ingrid in ’t blokhuis! (nadert Solvejg).

Heb jij je bedacht, zeg?

(Solvejg wil doorgaan, hij treedt haar in den weg).

Je schaamt je omdat ik wel een schooier lijk.

Solvejg (haastig).

Dat doe ik niet, neen, en dat ’s ook niet waar!

Peer Gynt.

Jawel, en ’n beetje heb ik ’m òm;

Maar dat was uit nijd, omdat jij mij afwees.

Kom nou!

Solvejg.

’k Mag niet, al zou ik wel willen!

Peer Gynt.

Voor wie ben je bang?

Solvejg.

Voor vader ’t meest.

Peer Gynt.

Vader? O, dat is zeker zoo’n stille!

Die ’t hoofd laat hangen? Of niet soms, zeg?

Solvejg.

Wat moet ik zeggen?

Peer Gynt.

Hoor je tot de vromen?

Je vader, je moeder, en ook jij?

Nou, kan je niet spreken?

Solvejg.

Laat mij met rust.

Peer Gynt.

Neen! (gedempt maar heftig en bangmakend:)

Ik kom bij je als een booze geest!

Ik kom voor je bed staan, als de klok twaalf slaat van nacht.

Hoor je dan om je heen blazen en sissen,

Dan hoef je niet te denken dat het maar de kat is.

Dat ben ik dan! Ik tap je bloed af in een kop;

En je kleine zusje eet ik heelemaal op;

Ja, je moet ’t maar weten dat ik ’s nachts een weerwolf ben.

’k Zal je bijten in je lenden, je rug …

[332]

(slaat plotseling over en smeekt als in angst:)

Dans met mij, Solvejg!

Solvejg (kijkt hem donker aan).

Hè, dat was slecht!

(gaat de kamer binnen).

De Bruidegom (komt weer aangeslenterd).

Je krijgt van mij een koe, als je me helpt!

Peer Gynt.

Dat ’s goed!

(Zij gaan achter het huis. Op ’t zelfde oogenblik komt er een heele troep van de dansplaats; de meesten zijn dronken. Drukte en lawaai, Solvejg en Helga komen met hun ouders en een aantal oudere gasten aan de deur).

De Keukenmeester (tegen den smid die vooraan staat in den troep:)

Bedaard!

De Smid (trekt zijn buis uit).

Neen, nu moet ’t maar uitgemaakt

Worden, Peer Gynt of ik moet ’t veld maar ruimen.

Eenigen.

Ja, laat ze eens vechten!

Anderen.

Neen, enkel razen!

De Smid.

Woorden doen niets; de vuist moet het doen.

Solvejg’s Vader.

Kalm toch, man!

Helga.

Moeder, gaan ze ’m slaan?

Een Jongkerel.

Laat ons liever pret maken over zijn leugens.

Een Tweede.

’m Jagen van de dansvloer!

Een Derde.

’m Spuwen in zijn bakkes!

Een Vierde (tegen den smid:)

Blijf jij er bij, zeg?

De Smid (gooit zijn buis uit).

’t Beest wordt geslacht, hoor!

[333]

Solvejgs Moeder (tegen Solvejg:)

Nou zie je eens hoe ze dien vent hier achten.

Aase (komt met een stok in de hand).

Is Peer mijn zoon hier? Want nou krijgt hij slaag;

’k Geef hem een rammeling die hem heugen zal!

De Smid (stroopt zijn hemdsmouwen op).

Voor zoo’n schavuit is ’n stok veel te zacht.

Sommigen.

Aslak zal ’m raken.

Anderen.

’m Beuken!

De Smid (spuwt in zijn handen en knikt Aase toe).

’k Hang hem op!

Aase.

Wat! Ophangen, Peer! Probeer ’t als je durft;…

Tanden en nagels heeft Aase nog wel!

Waar is hij? (roept over de dansvloer) Peer!

De Bruidegom (komt hard aangeloopen).

Wel, godallemachtig!

Kom, vader, moeder,…!

De Vader.

Wat is er te doen?

De Bruidegom.

Peer Gynt heeft …!

Aase (gilt).

Hebben ze ’m doodgeslagen?

De Bruidegom.

Neen, Peer Gynt …! Kijkt daar eens op den berg..

De Menigte.

Met de bruid!

Aase (laat den stok vallen).

Zoo’n schoelje!

De Smid (als uit de lucht gevallen).

Tegen de steilste kanten

Klautert de kerel op als een geit!

De Bruidegom (huilend).

Hij draagt haar, moeder, als een beer een zwijn!

[334]

Aase (maakt een dreigend gebaar tegen hem).

O, viel je er maar af, dat je … (gilt in angst:)

Wees toch voorzichtig!

De Boer van Haegstad (komt blootshoofds en bleek van woede:)

Ik draai hem den nek om voor deze streek!

Aase.

God neen! ’k Mag sterven als ik dat laat begaan!

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

[335]

[Inhoud]
TWEEDE BEDRIJF.
Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.

Peer Gynt.

Ga weg!

Ingrid (schreiend).

Na al wat gebeurd is!

Waarheen dan?

Peer Gynt.

Waarheen je wilt.

Ingrid (wringt de handen).

Zoo’n bedrieger!

Peer Gynt.

Schelden helpt niet.

Elk gaat nu zijn eigen weg.

Ingrid.

Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!

Peer Gynt.

Naar den duivel met dat alles!

Naar den duivel alle vrouwen …

Uitgezonderd één …!

Ingrid.

Wie is dat?

Peer Gynt.

Jij bent ’t niet.

Ingrid.

Wie is het dan?

[336]

Peer Gynt.

Weg! Ga nu maar weer terug

Naar je vader!

Ingrid.

Peer, mijn liefste!

Peer Gynt.

Zwijg!

Ingrid.

Je kunt onmooglijk meenen

Wat je zegt.

Peer Gynt.

Ja, óf ik ’t meen!

Ingrid.

Lokken eerst, en dan verstooten!

Peer Gynt.

En waarmee wou jij mij binden?

Ingrid.

Haegstad-hoeve en nog veel meer.

Peer Gynt.

Heb jij een gezangboek bij je?

Heb jij lange gouden haren?

Kijk jij blozend langs je schortje?

Hoû jij vast je moeders rokken?

Zeg?

Ingrid.

Neen; maar …?

Peer Gynt.

Ben jij van ’t voorjaar

Aangenomen?

Ingrid.

Och maar, Peer …?

Peer Gynt.

Kan jij zedig voor je kijken?

Kan jij afslaan als ’k wat vraag?

Ingrid.

Lieve Heer, hij is krankzinnig!

Peer Gynt.

Wordt hij rein, die naar je kijkt?

Zeg!

Ingrid.

Neen, maar …

[337]

Peer Gynt.

Wat blijft dan over! (wil weggaan).

Ingrid (treedt hem in den weg).

Weet je dat ’t je dood kan zijn

Als je weggaat?

Peer Gynt.

’t Is best mooglijk!

Ingrid.

Geld en goed en eer verkrijg je

Als je mij neemt …

Peer Gynt.

Dank je wel.

Ingrid (barst in tranen uit).

O, jij lokte …!

Peer Gynt.

En jij woû wel.

Ingrid.

’k Was wanhopend!

Peer Gynt.

Ik was dol.

Ingrid (dreigend).

Goed; ik zet het je betaald!

Peer Gynt.

’t Duurste is dan nog goedkoop.

Ingrid.

Blijf je er bij dus?

Peer Gynt.

Muurvast, ja.

Ingrid.

Best; wij zullen zien wie ’t wint dan! (gaat het pad af).

Peer Gynt (is een poos stil, dan roept hij luid).

Naar den duivel met dat alles!

Naar den duivel alle vrouwen!

Ingrid (draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)

Uitgezonderd één!

Peer Gynt.

Ja, één.

(Zij gaan ieder huns weegs).

[338]

Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.

Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.

Aase (slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).

Alles werkt mij tegen met boos geweld,

Water en bergen en onweerslucht!

Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!

Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!

Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;

En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!

Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nog

Dat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!

(keert zich tot Solvejg).

Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?

Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,

En alleen dapper was met zijn mond;

Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…

Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!

Och, zooveel hebben wij al doorstaan!

Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,

Haalde overal dolle streken uit;

’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.

Intusschen bleven wij samen thuis zitten

En deden ons best de ellende te vergeten;

Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.

Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;

En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,

En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.

De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;

Och ja! Zoo namen wij sprookjes dan

Van prinsen en geesten en allerlei meer.

Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedacht

Dat zoo iets nu nog spoken zou in hem? (weer angstig).

Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …

Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!

(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).

[339]

Aase.

Volstrekt niets te zien!

De Man (stil).

’t Is het ergst voor hem.

Aase.

Och mijn Peer! Mijn verloren lam!

De Man (zucht zachtjes).

Ja, juist. Verloren.

Aase.

Neen, zeg dat toch niet!

Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.

De Man.

Wat ben je toch dwaas, vrouw!

Aase.

Och ja, och ja;

Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!

De Man (altijd gedempt en met zachte oogen).

Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.

Aase (angstig).

Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!

De Man.

Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?

Aase (ijverig).

Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!

De Vrouw.

Mensch, ben je dol?

De Man.

Wat praat je daar toch?

Aase.

Niets ter wereld dat hij niet kan.

Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.

De Man.

’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.

Aase (gilt).

Heere Jezus toch!

De Man.

Heeft de beul hem in handen,

Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.

Aase (duizelig).

O, ik word gek nog van je praatjes!

Komt mee! ’t Geldt …

[340]

De Man.

Zijn zieleheil.

Aase.

En ook zijn lijf!

Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;

Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.

De Man.

Hm!… Hier is ’n veeweg …

Aase.

God mag ’t je loonen

Dat je helpt hem te zoeken!

De Man.

Dat is christenplicht.

Aase.

Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!

Er was er geen een die mee wilde zoeken …

De Man.

Zij kennen hem te goed.

Aase.

Hij was hun te knap! (wringt de handen).

Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!

De Man.

Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!

Aase.

Nu hier gaan zoeken.

De Man.

Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.

(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).

Solvejg (tegen Aase).

Vertel mij nog wat meer.

Aase (droogt haar oogen af).

Meer van mijn zoon?

Solvejg.

Ja;…

Alles!

Aase (glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).

Alles? Moe werd je er van!

Solvejg.

Eer zou je moe worden van ’t vertellen,

Dan ik van te luisteren.

[341]

Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.

Peer Gynt (komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).

’t Heele dorp zit mij achterna!

Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.

D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …

Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!

Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!

Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.

(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).

Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!

Dennen uitrukken met wortel en al!

Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!

Naar de hel met al die flauwe leugens!

Drie berghutmeiden (loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).

Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!

Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?

Peer Gynt.

Wie roep je daar zoo?

De Meiden.

Kabouters! Kabouters!

Eerste Meid.

Trond! Kom, wees smachtend!

De Tweede.

Baard! Kom, wees woest!

De Derde.

Verlaten staan alle bedsteden ginder!

De Eerste.

Woest is smachtend!

De Tweede.

En smachtend is woest!

De Derde.

Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!

Peer Gynt.

Waar zijn dan de jongens?

[342]

Alle Drie (stiklachend).

Die kunnen niet komen!

De Eerste.

De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;

Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.

De Tweede.

De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.

Nu zwerven zij samen als landloopers rond.

De Derde.

De mijne, die maakte ons kleintje dood.

Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.

Alle Drie.

Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!

Kabouters, wil je bij ons komen slapen?

Peer Gynt (staat met een sprong ineens tusschen hen in).

Ik ben een kabouter en sta je alle drie!

De Meiden.

Ben jij zoo’n kerel, zeg?

Peer Gynt.

Dat zal je eens zien!

De Eerste.

Kom mee dan! Kom mee dan!

De Tweede.

Er is meed’!

Peer Gynt.

Schenk ze in stroomen!

De Derde.

Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!

De Tweede (kust hem).

Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.

De Derde (evenzoo).

Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.

Peer Gynt (danst in hun midden).

Droef het hart en dol de kop;

Met lachend oog; de keel gesnoerd!

De Meiden (trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).

Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!

Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?

(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).

[343]

In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.

Peer Gynt (komt verward en verwilderd op).

Kasteelen verrijzen al hooger!

O, wat een schittrende poort!

Sta toch! Blijf staan! Het wijkt al

Verder en verder terug!

Hoog op den toren slaat er

’t Haantje zijn vleugels al uit;.…

Verblauwend in verre kloven

Vliedt alles … de berg ’s weer dicht.

Wat zijn dat voor stammen en wortels.

Opschietend uit spleten daar?

Dat zijn reuzen met reigerpooten!

Nu zinken die ook weer weg.

Als regenboog-strepen daast het

Vlijmend in oog en brein.

Wat is dat voor klokkengelui nu?

Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!

O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …

Die ring, die mij brandt als vuur …!

Ik kan mij maar niet meer bezinnen

Wie duivel mij dien óm bond!

(zinkt neer).

’t Rijden over den Gendin

Leugens en zinsbedrog?

Op tegen muursteile wanden

Met de bruid … en ’n dag lang in roes

Jagende valken en gieren,

Dreigend kaboutervolk,

Scharrelen met dolle meiden;…

Leugens en zinsbedrog!

(staart lang in de hoogte).

Daar zie ik twee arenden drijven.

Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.

En ik moet hier zwoegen en ploetren

In modder en vuil, kniehoog! (springt op).

Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein in

Der scherpste winden bad![344]

Ik wil óp! ’k Wil mij vermooien

In stralenden zonneglans!

Ik wil weg, ver over de bergen,

’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;

Ik wil voort over zilte zeeën,

En hoog over Engelands prins;

Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;

Wat ik doe gaat niemand aan;

Wat sta je beneden te wachten …?

Ja, misschien val ik toch wel omlaag.

Waar zijn nu die arenden heen weer?…

De duivel heeft ze gehaald!…

Daar rijst nu een hooge gevel;

Al grooter wordt ’t puntige dak;

Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…

Kijk, wijd open staat de deur

Ha, nu herken ik het huis wel,

Dat is grootvaders nieuwe plaats!

Weg is het oude kavalje,

Weg ’t hek, dat op vallen stond.

En blinken doen alle ruiten;

Er is feest in de groote zaal.

Daar hoorde ik tegen zijn glas juist

Den proost tikken met zijn mes;…

Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …

Dat de spiegel in scherven springt;

Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!

Stil moeder; het doet er niet toe!

De rijke Jon Gynt viert er feest nu;

Hoera voor ’t geslacht der Gynts!

Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?

Wat voor een rumoer en lawaai?

De kapitein roept om Peer-zoon,…

De proost wil drinken op mij.

Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,

Daar klinkt de uitspraak dan:

Peer, jij bent van groote afkomst,

En wat groots zal je worden eenmaal!

(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).

[345]

Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.

De In-’t-groen-gekleede (blijft staan en keert zich om).

Is het waar?

Peer Gynt (strijkt als snijdend langs zijn keel).

Zoo waar als ik Peer heet;…

Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!

Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;

Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.

Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.

Nooit zal ik je bij je haren trekken …

De In-’t-groen-gekleede.

En mij niet slaan ook?

Peer Gynt.

Neen; dacht je dat?

Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.

De In-’t-groen-gekleede.

Ben je een koningszoon?

Peer Gynt.

Ja.

De In-’t-groen-gekleede.

Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.

Peer Gynt.

Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.

De In-’t-groen-gekleede.

Binnen in Rondeberg is vaders slot.

Peer Gynt.

Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.

De In-’t-groen-gekleede.

Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.

Peer Gynt.

Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.

De In-’t-groen-gekleede.

Als vader raast, dan splijten de bergen.

Peer Gynt.

Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.

[346]

De In-’t-groen-gekleede.

Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.

Peer Gynt.

Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.

De In-’t-groen-gekleede.

Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?

Peer Gynt.

O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!

De In-’t-groen-gekleede.

Ik loop door de week ook in goud en zijde.

Peer Gynt.

Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.

De In-’t-groen-gekleede.

Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;

Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:

Al ons eigendom heeft twee kanten.

Als je meegaat naar mijn vaders slot

Kon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,

Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.

Peer Gynt.

Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!

’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,

En misschien zou je wel de glinstrende ruiten

Voor opgestopt houden met lappen en lompen.

De In-’t-groen-gekleede.

Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.

Peer Gynt.

Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.

De In-’t-groen-gekleede.

Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!

Peer Gynt.

Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.

De In-’t-groen-gekleede (roept achterom naar den berg).

Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!

(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).

Peer Gynt.

Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,

Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!

[347]

De In-’t-groen-gekleede (teeder).

Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…

Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!

Peer Gynt (zweept het varken dat weg draaft).

De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.

De Hofkabouters.

Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasd

Des Kabouterkonings lieflijkste maagd!

Een jonge Kabouter.

Mag ’k hem in zijn vinger snijden?

Een Tweede.

Mag ’k hem trekken aan zijn haar?

Een Kaboutermeisje.

Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!

Een Heks (met een schuimspaan).

Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?

Een Tweede (met een slachtmes).

Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?

De Kabouterkoning.

Doet wat ijs in je bloed!

(wenkt zijn getrouwen naderbij).

Laat ons niet zoo brallen.

’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;

Wij hebben den rechten houvast verloren,

En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.

Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;

En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.

Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;

Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;

Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,

Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;

En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.

(tegen Peer Gynt).

Het is dus mijn dochter die je begeert?

[348]

Peer Gynt.

Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.

De Kabouterkoning.

Het halve krijg je nu bij mijn leven,

En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.

Peer Gynt.

Daar ben ’k mee tevreê.

De Koning.

Ja, stop, mijn zoon!…

Jij moet ook nog een paar beloften geven;

Alles is verbroken, als je er een verbreekt,

En je komt niet levend meer hier van daan dan …

Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijkt

Naar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;

Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.

Peer Gynt.

Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.

De Koning.

En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …

(staat op van zijn troon).

De Oudste Hofkabouter (tegen Peer Gynt).

Laat zien of je hebt genoeg verstand

En ’s konings raadselnoot weet te kraken!

De Koning.

Waarin verschilt ’n kabouter van een man?

Peer Gynt.

Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.

Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…

Net zooals bij ons, als zij maar durfden.

De Koning.

Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.

Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,

Dus verschil blijft er alevel toch.

Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:

Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,

Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!

Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolk

Daar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”

De Hofkabouter.

Vat je den zin wel?

[349]

Peer Gynt.

’t Lijkt mij wat duister.

De Koning.

“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterke

Woord, moet voortaan je lijfspreuk worden.

Peer Gynt (krabt zich achter het oor).

Ja, maar …

De Koning.

Dat moet, als je hier zult regeeren!

Peer Gynt.

Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…

De Koning.

Daarbij moet je leeren en stellen op prijs

Onze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.

(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).

De koe geeft koeken en de os geeft meed’;

Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;

Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,

Dat het thuis toebereid is.

Peer Gynt (duwt de dingen weg).

De duivel haal’ jullie huismanskost!

’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.

De Koning.

De nap hoort er bij en die is van goud.

En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.

Peer Gynt (huilend).

Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;

Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.

Komaan! (geeft toe).

De Koning.

Kijk, dat ’s een verstandig woord.

Spuw je?

Peer Gynt.

Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.

De Koning.

Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;

Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,

Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,

Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.

[350]

Peer Gynt (nijdig).

Ik heb geen staart!

De Koning.

Dien kan je krijgen.

Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.

Peer Gynt.

Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!

De Koning.

Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.

Peer Gynt.

Menschen maken tot een dier!

De Koning.

Mijn zoon, je dwaalt!

Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.

Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,

En dat geldt nu hier voor de grootste eer.

Peer Gynt (nadenkend).

Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.

En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.

Bind maar aan!

De Koning.

Je bent ’n geschikte knaap.

De Hofkabouter.

Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!

Peer Gynt (nijdig).

Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?

Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?

De Koning.

Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.

Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;

Aan handel en wandel herkent men den kabouter.

Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,

Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.

Peer Gynt.

Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,

Een verstandiger kerel dan men zou denken.

De Koning.

Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;

Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …

Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;

Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.

Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken![351]

Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!

(Spel en dans).

Hofkabouter.

Wat dunkt je er van?

Peer Gynt.

Wat? Ja … hm!…

De Koning.

Spreek zonder vrees.

Wat zie je, zeg?

Peer Gynt.

Een afschuwelijk spel.

Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;

In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.

Hofkabouters.

Verslindt hem!

De Koning.

Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!

Vrouwelijke Kabouters.

Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!

De Dochter (huilend).

Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,

Als ik en mijn zusje spelen en dansen!

Peer Gynt.

Och kom, was jij het? Nou, een grapje,

Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.

De Dochter.

Kan ’k daarop vertrouwen?

Peer Gynt.

Zoowel dansen als spelen

Was, haal mij de koekoek, allerliefst.

De Koning.

’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;

Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;

Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgang

Wordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.

Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;

Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;

Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,

Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …

Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,

Dat ’k stellig al dacht, de oude Adam

Was eens en voor altijd de poort uitgejaagd;[352]

Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.

Ja, ja, dan is er noodig een kuur

Voor die hardnekkige menschennatuur.

Peer Gynt.

Wat wil je dan doen?

De Koning.

In ’t linker oog

Geef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;

Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.

Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …

Peer Gynt.

Ben je dronken?

De Koning (legt eenige scherpe instrumenten op tafel).

Hier zie je mijn instrumenten;

Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;

Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…

En nooit maken je oogen je dan meer wat wijs

Van tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …

Peer Gynt.

Dat is gekkenpraat!

De Oudste Hofkabouter.

Dat is echte koningstaal.

Hij is de wijze, jij bent de gek!

De Koning.

Bedenk voor hoevele verdrietelijkheden

Je daardoor bewaard blijft je heele leven.

Zie het toch in dat je oogen de bron zijn

Van ’t bijtende, kwellende tranenloog.

Peer Gynt.

Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:

Ergert uw oog u, ruk het dan uit.

Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,

Wordt ’n menschenoog weer?

De Koning.

Dat wordt het nooit meer.

Peer Gynt.

Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.

De Koning.

Wat wil je gaan doen?

Peer Gynt.

’k Ga er van door.

[353]

De Koning.

Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!

Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.

Peer Gynt.

Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?

De Koning.

Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!

Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doet

Zich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.

En dat wil je immers ook?

Peer Gynt.

Ja, zeker, dat wil ’k.

Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,

Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.

Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.

Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:

Maar ik kan losmaken wat een ander bond.

Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;

Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.

En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komen

Van die kaboutersche levensmanier.

Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…

Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;

Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,

Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,

Kabouter moet blijven al je levensdagen …

En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …

Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,

Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.

De Koning.

Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;

En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.

Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?

Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …

Peer Gynt.

Dat ’s gelogen, zeg ik!

De Koning.

Je moet haar toch trouwen.

Peer Gynt.

Durf je te beweren dat …?

De Koning.

Wat? Kan je ontkennen[354]

Dat je haar begeerde en achterna liep?

Peer Gynt (fluit).

Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!

De Koning.

Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.

De bedoeling erken je volmondig genoeg;

Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;

Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?

Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …

Peer Gynt.

Mij vang je toch niet met je leugenaas!

De Dochter.

Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.

Peer Gynt.

Doe open; ’k wil er uit!

De Koning.

In ’n bokkevel

Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.

Peer Gynt (wischt zich het zweet af).

Was ’k maar weer wakker!

De Koning.

Moet ’t naar ’t koningspark?

Peer Gynt.

Stuur ’t aan ’t kerspel!

De Koning.

Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.

Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,

En ook dat je telg opgroeien zal;

Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …

Peer Gynt.

Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;

Meisje, wees wijs! En luister naar rede.

Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…

En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,

Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.

(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).

De Koning.

Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!

Kleine Kabouters.

Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!

Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!

[355]

De Koning.

Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht! (af).

Peer Gynt (opgejaagd door de kleine kabouters).

Laat los, duivelstuig!

(wil door den schoorsteen naar boven).

Kleine Kabouters.

Aardmannetjes! Dwergen!

Bijt hem van achtren!

Peer Gynt.

Au!

(wil door het keldergat naar beneden).

Kleine Kabouters.

Sluit alle spleten!

Hofkabouter.

Wat hebben die kleintjes een pret!

Peer Gynt (vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).

Laat je los, smeerlap!

Hofkabouter (slaat hem op zijn vingers).

Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!

Peer Gynt.

Een rattenhol! (loopt er heen).

Kleine Kabouters.

Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!

Peer Gynt.

De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!

Kleine Kabouters.

Verscheurt hem!

Peer Gynt.

Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!

(loopt rond).

Kleine Kabouters (draaien om hem heen).

Sluit den kring! Sluit den kring!

Peer Gynt (huilend).

Ach, was ’k maar een luis!

(valt neer).

Kleine Kabouters.

Nou op zijn oogen aan!

[356]

Peer Gynt (begraven onder den hoop kabouters).

Help moeder! Ik sterf!

(Klokgelui in de verte).

Kleine Kabouters.

Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!

(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).

Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.

Peer Gynt.

Antwoord! Wie ben je?

Een Stem-in-de-duisternis.

Ik zelf.

Peer Gynt.

Uit den weg!

De Stem.

Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.

Peer Gynt (wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).

Wie ben je?

De Stem.

Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?

Peer Gynt.

Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!

Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!

Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.

(slaat en houwt).

Wie ben je?

De Stem.

Ik zelf.

Peer Gynt.

Die domme praat

Hoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!

Wát ben je?

[357]

De Stem.

De groote Böjgen2.

Peer Gynt.

Och kom!

Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.

Uit den weg, Böjgen!

De Stem.

Ga buitenom, Peer!

Peer Gynt.

Er door heen! (slaat en hakt) Hij valt!

(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).

Hoho! Zijn er meer?

De Stem.

Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.

Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.

Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.

Peer Gynt (gooit den tak weg).

’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!

(slaat zich door).

De Stem.

Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.

Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.

Peer Gynt (komt terug).

Heen of terug, het is even lang …

Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!

Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!

Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …

Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?

De Stem.

Böjgen.

Peer Gynt (tast in ’t rond).

Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.

Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpen

In een hoop brommende halfwakk’re beren! (schreeuwt).

Sla van je af!

De Stem.

Böjgen is niet gek.

[358]

Peer Gynt.

Sla!

De Stem.

Böjgen slaat niet.

Peer Gynt.

Vecht! Je moet!

De Stem.

De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.

Peer Gynt.

Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!

Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!

Maar iets om mee te vechten. Maar dat is hier niet …

Nou snurkt hij! Böjg!

De Stem.

Wat?

Peer Gynt.

Gebruik geweld!

De Stem.

De groote Böjgen wint alles met zachtheid.

Peer Gynt (bijt zich in armen en handen).

Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!

Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!

(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).

Vogelgeschreeuw.

Böjg, komt hij?

De Stem.

Ja! voet voor voet.

De Vogels.

Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!

Peer Gynt.

Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.

Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uit

Je kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!

De Vogels.

Hij wankelt!

De Stem.

Wij hebben ’m.

De Vogels.

Zusters! Gezwind!

Peer Gynt.

Te duur gekocht is het leven zoo,[359]

Met zulk een uur van moordend spel.

(zakt in elkaar).

De Vogels.

Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!

(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).

Böjgen (lost zich op in niets en roept in een doodssnik).

Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.

Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.

Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.

Peer Gynt (ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).

Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!

(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).

Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?

Helga.

’t Is Solvejg …

Peer Gynt (springt op).

Waar is zij?

Helga.

Hier achter de hut.

Solvejg (verscholen).

Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.

Peer Gynt.

Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?

Solvejg.

Schaam je!

Peer Gynt.

Weet je waar ik was van nacht?…

De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.

Solvejg.

Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.

Peer Gynt.

Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…

Wat zeg je, hè?

[360]

Helga (huilend).

O, daar loopt ze al hard weg! (loopt haar na).

Wacht even!

Peer Gynt (houdt haar bij een arm vast).

Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!

Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …

Doe een goed woord voor mij!

Helga.

Toe, laat mij gaan!

Peer Gynt.

Daar heb je ’m.

Helga.

Laat los! Daar staat de mand met eten!

Peer Gynt.

God help’ je, als je niet …!

Helga.

Laat mij los! Ik ben bang!

Peer Gynt (zacht; laat haar los).

Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!

(Helga loopt hard weg).

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

[361]

[Inhoud]
DERDE BEDRIJF.
Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.

Peer Gynt (hakt een groote den met kromme takken om).

Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;

Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.

(hakt weer).

Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…

Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …

Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;

’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;

Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!

(breekt plotseling af).

Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.

Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;

Het is maar een pijnboom met ruigen bast …

Het is inspannend werk, dat boomen hakken,

Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.

Dat moet uit zijn nu,… in den mist te staren

En zich klaar wakker te laten wegdrijven …

Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.

(hakt een tijdlang hard door).

Verbannen. Je hebt geen moeder meer

Om je eten te brengen, je tafel te dekken;

Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,

Haal je wat rauws uit bosch of beek.

Zoek je wat rijshout en steek het in brand,[362]

Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.

Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;

Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;

Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagen

En zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…

(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).

Mooi zal het worden. ’n Toren met vaan

Zal er op het dak staan en uitsteken hoog;

En op den gevel, van hout gesneden,

Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.

Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.

Glas moet ik ook zien te krijgen nog;

Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,

Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.

(lacht grimmig).

O helsche leugens! Daar zijn ze weer.

Je bent ’n banneling, kerel!

(hakt weer met woede).

Een dak van schors

Beschut ook voldoend tegen wind en vorst.

(kijkt op naar den boom).

Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!

Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;

Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!

(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).

Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,

Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.

(schuilt weg achter den boom en gluurt).

Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.

Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hij

Onder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,

Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?

Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?

O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!

Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!

Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.

(staat op).

Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!

Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …

Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenige

Middel om van den dienst vrij te komen.[363]

Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,

En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …

Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?

’t Te bedenken, te wenschen, te willen zelfs;

En ’t te doen! Neen, dat begrijp ik toch niet!

(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).

Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed. Aase en de buurvrouw druk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.

Aase (loopt naar den éénen kant).

Kari, hoor eens!

Kari.

Wat is ’t?

Aase (aan den anderen kant).

Hoor eens …!

Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?

Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!

Waar is de sleutel van de kist?

Kari.

Die steekt er op.

Aase.

Wat rammelt zoo buiten?

Kari.

De laatste vracht.

Wordt naar Haegstad gebracht.

Aase (schreiend).

O, ik zou blij zijn

Als ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!

Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!

God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!

Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.

Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.

’t Is schande een mensch zoo te behand’len!

(gaat op den rand van het bed zitten).

Nu is alles, huis, hof en land verloren;

Hard was de oude, maar harder het gerecht;

Er was geen hulp meer en ook geen genade;

Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.

[364]

Kari.

Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.

Aase.

Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!

Kari.

Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!

Aase.

Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!

Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.

Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…

Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;

De booze dreef mijn armen jongen er toe!

Kari.

Zou je niet liever eens om den priester sturen?

’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.

Aase.

Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.

(richt zich op).

Maar neen! dat kan ik niet! Ik ben z’n moeder toch;

Ik zal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;

Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.

Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.

’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!

Waar zijn de kousen?

Kari.

Dáár, bij den anderen rommel.

Aase (rommelt er in).

Wat vind ik daar? Och neen maar, een ouden

Gietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeld

Knoopen-gieten, smelten en stemplen.

Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuis

En vroeg zijn vader om een klomp tin;

Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,

Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon Gynt

God vergeve het Jon; maar dronken was hij,

En dan lette hij op geen goud of geen tin.

Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!

Dat geeft stopwerk, Kari!

Kari.

Dat ’s noodig, dunkt mij.

Aase.

Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;[365]

Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …

Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!

Kari.

Ja, dat hebben zij nèt.

Aase.

Dat treft juist goed.

Het eene kan je op zijde leggen.

Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;

Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.

Kari.

Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!

Aase.

Nou ja, maar je weet, de priester verkondigt

Vergeving voor dit en meer andere zonden.

Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.

Peer Gynt (lacht nu en dan hardop).

Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buiten

Al de kabouters, mannen en vrouwen.

Een slot moet er zijn, om de hut af te sluiten

Voor al die kwaadaardige, looze dwergen …

Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:

Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!

Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,

Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.

Hihi! Peer, denk je met spijkers en planken

Den toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?

(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).

Solvejg.

God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.

Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.

Peer Gynt.

Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…

En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!

Solvejg.

Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;[366]

Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.

’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,

’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.

Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,

Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.

Als uitgebluscht was het leven daarginder;

Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.

Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;

Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.

Peer Gynt.

Maar je vader?

Solvejg.

Op Gods wijde wereld

Heb ’k niemand, die vader of moeder mij is.

Ik ben los nu van allen.

Peer Gynt.

Solvejg, jij lieve,

Om de mijne te zijn?

Solvejg.

Ja, alleen de jouwe;

Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.

(schreiend).

’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…

Maar erger toch nog van vader te gaan;

Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…

Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van alles

Was de smart van ’t heengaan van allen … allen!

Peer Gynt.

En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?

Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.

Solvejg.

Denk je soms dat ik voor wereldsche have

Voor altijd van die mij lief waren scheidde?

Peer Gynt.

En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,

Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?

Solvejg.

Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;

Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.

Peer Gynt.

Weg dan met al die spijkers en planken.

Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.[367]

Durf jij voortaan bij den jager te blijven,

Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.

Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!

Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!

Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!

Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!

’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armen

Hou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!

Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!

O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.

Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;

Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …

Solvejg.

Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.

Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …

Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;

Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.

Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…

Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.

Peer Gynt.

En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?

Solvejg.

De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.

Peer Gynt.

Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!

Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;

Warm en gezellig en licht zal het worden,

Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!

(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).

Peer Gynt.

Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!

Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!

(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).

De Vrouw.

Goên avond, Peer Luchthart!

Peer Gynt.

Hè? Wie ’s dat?

[368]

De Vrouw.

Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.

Wij zijn buren.

Peer Gynt.

Zoo? Dat is meer dan ik weet.

De Vrouw.

Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.

Peer Gynt (wil weg).

Ik heb haast …

De Vrouw.

Ja, dat heb je altijd, man;

Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.

Peer Gynt.

Je vergist je!

De Vrouw.

Dat heb ik ééns gedaan;

Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.

Peer Gynt.

Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?

De Vrouw.

Vergeet je den avond bij vader thuis?

Vergeet je …?

Peer Gynt.

’k Vergat wat ik nooit geweten heb.

Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?

De Vrouw.

Waar wij elkaar zagen den eersten keer.

(tegen den jongen).

Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.

Peer Gynt.

Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?

De Vrouw.

Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…

Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zien

Zijn poot is even lam als jouw heele aard is.

Peer Gynt.

Wou je mij wijs maken …?

De Vrouw.

Wou je uitvluchten zoeken?

Peer Gynt.

Die langbeenige jongen …!

[369]

De Vrouw.

Hij is hard gegroeid.

Peer Gynt.

Durf jij mij opdringen, leelijke heks …

De Vrouw.

Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!

(huilend).

Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,

Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?

De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok krom

Mijn rug, en daar wordt je niet beter van.

Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,

Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.

Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…

Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!

Peer Gynt.

Wijk van mij, booze heks!

De Vrouw.

Maar ik ga niet, hoor!

Peer Gynt.

Ik sla je de hersens in …!

De Vrouw.

Ja, zie eens of je durft!

Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…

Ik kom hier toch iedren dag weer terug.

Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.

Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…

Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…

Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.

Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.

Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!

Peer Gynt.

Jij helsche nachtmerrie!

De Vrouw.

Maar dat ’s waar ook!

Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!

Duivelskind, wil jij naar je vader toe?

De Jongen (spuwt naar hem).

Daar!

’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!

De Vrouw (kust den jongen).

Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit![370]

Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!

Peer Gynt (stampvoetend).

O, was je zoo ver …!

De Vrouw.

Als wij dichtbij zijn nu?

Peer Gynt (balt de vuisten).

En dat alles …!

De Vrouw.

Voor zinnenbegeerte alleen!

’t Is zonde van je, Peer!

Peer Gynt.

’t Meest voor een andre!…

Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!

De Vrouw.

Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,

Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!

(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).

Peer Gynt (na lang zwijgen).

Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …

Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!

’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;

Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …

Geef het op, kerel! Er is geen weg

Dwars door dat alles van jou naar haar toe.

Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.

Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.

Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,

Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemand

In ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …

Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaan

Eer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.

Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,

En dan van de scherven weer maken wat nieuws.

Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.

Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.

Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!

Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …

Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.

Nasluipen zal dat mij toch overal.

Ingrid! En die drie daar boven op den berg!

Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doen[371]

Eischen als zij te worden omarmd,

Voorzichtig en teer te worden gedragen?

Buiten om, Peer; al was je arm zoo lang

Als de slankste den of een pijnboomstam,…

’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hield

Om haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …

Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,

Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.

Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …

(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).

Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?

Binnen gaan met al die spoken achter me aan?

(werpt de bijl weg).

’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vatten

Zoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.

Solvejg (in de deur).

Kom je haast?

Peer Gynt (halfluid).

Buiten om!

Solvejg.

Wat?

Peer Gynt.

Wacht nog even.

’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.

Solvejg.

Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.

Peer Gynt.

Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.

Solvejg.

Maar blijf niet te lang, zeg!

Peer Gynt.

Geduld maar, meisje!

Of lang of kort,… blijf maar wachten.

Solvejg (knikt hem toe).

’k Zal wachten!

(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).

[372]

Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.

Aase.

Och, lieve Heer, zou hij niet komen?

Het duurt al zoo schrikkelijk lang.

’k Kan niet meer om hem zenden

En zeggen moet ik hem zooveel.

Ik heb niet veel tijd te verliezen!

Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!

O, als ik toch maar kon weten

Of ’k niet te streng voor hem was!

Peer Gynt (komt binnen).

Goeien avond!

Aase.

God zal je zeegnen!

Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!

Maar hoe durf je hier je te wagen?

Hier loopt je leven gevaar!

Peer Gynt.

Och, wat kan het leven mij schelen.

Ik moest nu eens naar je toe.

Aase.

Wat zal Kari staan te kijken!

Nu ga ik in vrede heen!

Peer Gynt.

Ga heen? Wat zijn dat voor praatjes?

Waar denk je dan heen te gaan?

Aase.

Och Peer, het loopt op zijn einde;

Het duurt met mij niet meer lang!

Peer Gynt (wringt de handen en loopt op en neer).

En ik die het leed dacht te ontloopen,

En meende hier vrij te zijn …!

Heb je ’t koud aan handen en voeten?

Aase.

Ja, Peer, ’t is nu gauw voorbij …

Als je ziet dat mijn oogen breken,

O, druk ze dan zachtjes dicht.[373]

En dan moet voor een kist je zorgen;

Maar, jongen, laat mooi die zijn.

Och, neen, ’t is waar …

Peer Gynt.

Wees maar stil, hoor!

Daarvoor is ’t nog tijds genoeg.

Aase.

Ja, ja. (kijkt onrustig rond in de kamer).

Hier zie je het beetje

Dat overbleef. Zoo zijn de luî.

Peer Gynt (balt de handen).

Nu alweer! (hard).

Ik weet dat ’t mijn schuld is.

Wat helpt ’t of ik het weer hoor?

Aase.

Jij! Neen, dat vervloekte drinken,

Daar komt al het onheil van daan!

Mijn jongen, jij was immers dronken:

Dan weet iemand niet wat hij doet;

En dan hadt je op dat rendier gereden;

Dat je dol was is duidlijk genoeg!

Peer Gynt.

Praat daar nu maar niet meer over.

Laat rusten die heele zaak.

Wat droef is zullen wij sparen

Tot later … een andren dag.

(gaat op den rand van het bed zitten).

Nu, moedertje, gaan wij babb’len,

Over koetjes en kalfjes maar,

En ’t nare en bitt’re vergeten,

En alles wat pijn doet en kwelt …

Och kijk eens, daar zit de oude kat nog;

Dus die hield het ook zoo lang uit?

Aase.

Die doet ’s nachts ook al zoo aaklig;

Je weet wel wat dat beduidt!

Peer Gynt.

Wat is er voor nieuws in ’t dorp, zeg?

Aase (glimlachend).

Ze zeggen dat ergens hier is

Een meisje, dat naar de bergen …

[374]

Peer Gynt (snel).

Mads-Moën, slaat die er zich door?

Aase.

Ze zeggen, zij heeft geen ooren

Voor beî haar ouders verdriet.

Jij moest er toch eens naar hooren

Jij, Peer, weet misschien wel raad …

Peer Gynt.

En hoe staat het met smid Aslak?

Aase.

Och zwijg van dien vuilen smid.

Liever wil ik den naam je zeggen

Van ’t meisje, je weet wel … van haar …

Peer Gynt.

Neen, nu gaan wij samen praten,…

Over koetjes en kalfjes alleen,

En al ’t nare en bitt’re vergeten

En alles wat pijn doet en kwelt.

Heb je dorst? Zal ik halen wat drinken?

Lig je goed, zeg? Het bed is maar kort.

Laat eens zien;… ja dat is zoo waar nog

Het bed, waar ’k als jongen in sliep?

Weet je ’t nog, hoe dikwijls je ’s avonds

Daar zat aan het voeteneind,

Mij toedekte warm en lekker,

En allerlei liedjes zong?

Aase.

Jawel! En dan speelden wij “sleden”,

Als vader aan ’t boemelen was.

’t Dek was de vacht van de slede

De grond een bevroren fjord.

Peer Gynt.

Ja, maar het allermooiste,

Zeg, moeder weet je ’t nog?…

Dat waren de wilde paarden …

Aase.

Ja, denk je dat ik ’t niet meer weet …?

Wij leenden de kat van Kari;

Die zat op een houten kruk …

Peer Gynt.

Naar ’t slot van de maan in ’t westen,

Naar ’t oosterslot van de zon,[375]

Naar ’t Soria-Moria slot dan

Ging ’t hoepla-hei! over den vloer.

Een stok, in de kast gevonden

Gebruikten wij voor een zweep.

Aase.

Vooróp op den bok zat ik dan …

Peer Gynt.

En dan liet je de teugels los!

Je keek om, zoodra als wij reden,

En vroeg mij: heb je ’t niet koud?

God zegen je, oude stumperd,…

Je was toch een goede ziel …!

Hoe kreun je zoo?

Aase.

’k Heb zoo’n pijn in

Mijn rug, van die harde plank.

Peer Gynt.

Strek je uit; ik zal je steunen.

Zie zoo; lig je nu niet zacht?

Aase (onrustig).

Neen, Peer, ik wil weggaan!

Peer Gynt.

Weggaan?

Aase.

Ja, weggaan; ’k verlang er zoo naar.

Peer Gynt.

Kom praatjes! Blijf onder de dekens.

Laat mij zitten aan ’t voeteneind.

Zie zoo; nu korten wij d’ avond

Met sprookjes en allerlei spel.

Aase.

Haal liever den bijbel uit ’t kastje:

Ik ben zoo onrustig te moê.

Peer Gynt.

In ’t slot van Soria-Moria

Geven koning en prins een groot feest.

Rust maar uit in de warme slede

Ik rijd door het veld je er heen …

Aase.

Maar, Peer-lief, ben ik genoodigd?

Peer Gynt.

Ja, dat zijn wij allebei.

[376]

(gooit een touw om den stoel waarop de kat ligt, neemt een stok in de hand en gaat op het voeteneinde van het bed zitten).

Hop! Rijd wat aan, jij Zwartje!

Zeg, moeder, heb je ’t niet koud?

Ja, ja; want je voelt het snijden

Als Grane aan ’t draven gaat!

Aase.

Lieve Peer, wat hoor ik toch luiden …?

Peer Gynt.

De bellen van ’t blanke tuig!

Aase.

Huuh! Wat klinkt dat hol, mijn beste!

Peer Gynt.

Wij rijden ook over een fjord.

Aase.

Ik ben bang! Wat is toch dat bruisen

En steunen, zoo wonderlijk wild?

Peer Gynt.

’t Zijn de kruinen, moeder, die ruischen

Van ’t pijnbosch. Zit nu maar stil.

Aase.

Wat schittert en blinkt er daar ginder?

Waar komt toch dat schijnsel van daan?

Peer Gynt.

Van ’t slot. Alle ruiten glinstren.

Hoor je wel hoe zij dansen?

Aase.

Ja.

Peer Gynt.

Sint Petrus staat buiten de deur al

En noodigt tot binnengaan.

Aase.

Groet hij ons?

Peer Gynt.

Hij staat te buigen,

Inschenkend den lekkersten wijn.

Aase.

O, wijn! Heeft hij soms ook koekjes?

Peer Gynt.

Ja, òf hij! Een heelen berg.

De vrouw van den proost komt ook aan

Met koffie en suikerwerk.

[377]

Aase.

En spreken wij daar dan elkander?

Peer Gynt.

Zoo vaak en zoo lang als je wilt.

Aase.

O Peer, wat al heerlijkheden,

Waar je mij, arme ziel, heen brengt!

Peer Gynt (klapt met de zweep).

Hop! Rep, je dan toch, mijn Zwartje!

Aase.

Zeg, Peer-lief, je rijdt toch wel goed?

Peer Gynt (klapt weer).

Hier kan je niet dwalen.

Aase.

Dat slingren.

Dat maakt mij zoo raar en moe.

Peer Gynt.

Daar zie ik het slot al verrijzen;

Nog even, dan zij wij er al.

Aase.

Ik zal stil maar mijn oogen toe doen,

Vertrouwen op jou, mijn Peer!

Peer Gynt.

Vooruit dan, Grane, mijn draver!

In ’t slot is er groot gedrang;

Zij stuwen en dringen de poort in.

Dáár komt Peer Gynt met oud’ Aase!

Wat zegt u dáárvan Heer Petrus?

Mag moeder niet binnengaan?

’k Geloof dat u lang kan zoeken

Eer u vindt een zoo eerlijke ziel;

Van mij wil ik maar niet spreken;

Ik kan òmkeeren als het moet.

Wil u inschenken, neem ik ’t in dank aan

Zoo niet, ga ik óók tevree weg.

’k Heb verzonnen evenveel leugens

Als de duivel die preêken ging,

En moeder voor ’n kip uitgescholden

Omdat zij kakelde soms.

Maar haar moet u achten en eeren

En maken dat goed zij het heeft;

Er komt hier stellig geen beetre[378]

Van waar ook, in dezen tijd …

Aha! daar is God de Vader!

Sint Petrus, nu krijg je er langs!

(met diep stemgeluid).

“Hou op toch met dat gezeur daar;

Moeder Aase heeft vrij entree!”

(lacht luid en keert zich naar zijn moeder om).

Alsof ik dat niet had geweten!

Nu komt er wat anders weer!

(angstig).

Waarom kijk je of je oogen gaan breken?

Zeg, moeder! Wat scheelt er nu aan …?

(gaat naar het hoofdeinde).

Je moet niet zoo liggen te staren …!

Spreek, moeder, ik ben het, Peer!

(betast voorzichtig haar voorhoofd en handen; dan gooit hij het touw van den stoel af en zegt gedempt):

Zoo, ja!… Je kunt uitrusten, Grane;

Want nu is de reis volbracht.

(drukt haar de oogen dicht en buigt zich over haar heen).

Heb dank voor je heele leven,

Voor klappen en teedere zorg …

Maar nu moet jij mij ook bedanken …

(drukt zijn wang tegen haar mond).

Zoo; dat was jouw dank voor den rit.

(De buurvrouw komt binnen).

Kari.

Wat? Peer! Nou, dan zijn we ook over

Haar bitterste leed al heen!

Lieve Heer, wat slaapt zij vast nu!…

Of is zij al …?

Peer Gynt.

Stil; ze is dood.

(Kari schreit bij het lijk. Peer Gynt loopt lang rond door de kamer; eindelijk blijft hij bij het bed staan).

Laat haar met alle eer begraven.

Ik moet zien hoe ’k hier van daan kom.

Kari.

Moet je ver weg gaan?

Peer Gynt.

Naar zee toe.

[379]

Kari.

Zoo ver!

Peer Gynt.

En nog verder weg.

(af).

EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.

[380]

[Inhoud]
VIERDE BEDRIJF.
Aan de zuidwestkust van Marokko. Een palmbosch. Gedekte tafel, zonnetent en biezenmatten. Dieper onder de boomen hangmatten. Buiten op zee ligt een stoomjacht met Noorsche en Amerikaansche vlaggen. Aan het strand een sloep. Het gaat tegen zonsondergang.

Peer Gynt een knap heer van middelbaren leeftijd in elegant reistoilet, een gouden lorgnet op de borst hangend, presideert de tafel als gastheer. Mister Cotton, Monsieur Ballon en de heeren von Eberkopf en Trumpeterstraale zijn juist gereed met hun maaltijd.

Peer Gynt.

Drinkt heeren! Is de mensch gemaakt

Om te genieten, dat hij ’t doe dan.

En dood is dood … Wat mag ’k aanbieden?

Trumpeterstraale.

Je bent een prachtgastheer, broer Gynt!

Peer Gynt.

Ik deel die eer dan met mijn geld,

Mijn kok en steward …

Mr. Cotton.

Very well!

Ik drink op ’t heil van alle vier!

Mr. Ballon.

Monsieur, u heeft een goût, een ton,

Als zelden nu meer wordt gevonden

Bij iemand, levend en garçon,…

Een zeker … ’k weet niet wat …

v. Eberkopf.

Een waas[381]

Een glans van vrije geestontwikling,

Een wereldburgerschapbezitting,

Een blik door ’t dichte wolkenfloers,

Door geen vooroordeelen gebonden,

Begaafd met hoogere verlichting,

Een oer-natuur die kent het leven

Vereend op ’t hoogst der trilogie.

Niet waar, monsieur, dat meende u?

Mr. Ballon.

Jawel, dat kan wel; ook al klinken

Die dingen, op zijn Fransch, zoo mooi niet.

v. Eberkopf.

Ach was! Die taal is ook zoo stijf …

Maar zullen wij den grond nu zoeken

Van ’t fenomeen …

Peer Gynt.

Die is gevonden.

Dat komt doordat ’k niet ben getrouwd.

Ja, mijne heeren, dat ’s zoo klaar

Als water. Wat moet ’n man toch wezen?

Zich zelf: antwoord ik in ’t kort.

Voor zich en ’t zijne moet hij zorgen.

Maar kan hij dat, als pakkameel

Voor ’t wel en wee van andren, soms?

v. Eberkopf.

Maar dat voor-zich en in-zich leven,

Vermoed ik, heeft u strijd gekost …

Peer Gynt.

O, zeker, ja; in vroeger tijd;

Maar altijd kwam ’k met eer er af.

Een keer toch was ’k er na aan toe

Te vallen in ’n gespannen strik.

Ik was een flinke, knappe kerel,

En zij, de dame was mijn keus,…

Die was van vorstelijken bloede …

Mr. Ballon.

Och, vorstelijk?

Peer Gynt (minachtend).

Van die families,

U weet wel …

Trumpeterstraale (slaat op de tafel).

Adellijk gespuis!

[382]

Peer Gynt (haalt de schouders op).

Vervallen grootheden, steeds zoekend

Hun trots, in ’t hun geslacht vrijhouden

Van vlekken door plebeïsch bloed.

Mr. Cotton.

En liep daardoor de zaak toen mis?

Mr. Ballon.

De ouders wilden de partij niet?

Peer Gynt.

Integendeel!

Mr. Ballon.

Ah!

Peer Gynt (vergoelijkend).

U begrijpt!

Er was iets, dat vereischte ’t huwlijk

Zoo snel als mooglijk te doen doorgaan.

Maar, ’k zeg ’t ronduit, die heele zaak

Stond van ’t begin af mij al tegen.

In enkele dingen ben ’k wat vreemd,

En liefst blijf ik mijn eigen baas.

En toen mijn schoonvader nu kwam

Met d’eisch, ofschoon verbloemd gesteld,

Dat ’k zou van stand en naam verandren,

In d’adelstand mij doen verheffen,

Met nog veel meer dat onaanneemlijk,

Om niet te zeggen hoogst onkiesch, was …

Toen trok ’k fatsoenlijk mij terug.

Ik weigerde zijn ultimatum,…

Deed afstand van mijn jonge bruid.

(trommelt op de tafel, schijnbaar met aandacht).

Ja, ja; er heerscht toch wel een Fatum,

Waarop een mensch vertrouwen kan;

En dat te weten is een troost.

Mr. Ballon.

En daarmee was de zaak dus uit?

Peer Gynt.

Neen, ’k kreeg te doen met nog wat anders;

Want onbevoegden mengden zich

Met luid gekrijsch ook in ’t geval;

’t Ergst der familie jong’re leden.

Met zeven kreeg ik een duel.

Dat was een tijd, dien ’k nooit vergeet,[383]

Ofschoon ’k er heel gelukkig afkwam.

Het kostte bloed; maar al dat bloed

Heeft mij in waarde veel doen winnen,

En wijst bekrachtigend op ’t feit,

Zoo ’k zei, van een besturend Fatum.

v. Eberkopf.

U heeft een blik op ’s levens loop

Die tot een denker u verheft.

Terwijl een ander meent te aanschouwen

Afzonderlijk verspreide beelden,

En nooit een oplossing kan vinden,

Weet u het àl bijeen te voegen.

Met ééne maat meet u de dingen.

U scherpt een punt aan al uw woorden,

Die, alle dan als stralen uitgaan

Van ’t licht van één levensbeschouwing …

En u is nooit student geweest?

Peer Gynt.

Ik ben, zooals ik u al zei,

Gewoonweg een autodidact.

Methodisch heb ik niets geleerd;

Maar veel gedacht en overwogen,

En over alles veel gelezen.

’k Begon er mee op later leeftijd;

Dan valt het wel een beetje zwaar soms

Maar door te lezen, blad voor blad,

En op te nemen rijp en groen.

Geschiedenis nam ik bij stukjes,

Want voor méér had ik nooit den tijd.

En daar men toch in booze tijden

Iets hebben wil tot vasten steun,

Zoo nam ’k den godsdienst in met rukjes.

Zoo gaat ’t gemaklijker naar binnen.

Men moet niet al te gulzig lezen,

Maar enkel zien wat nuttig zijn kan …

Mr. Cotton.

Kijk, dat is praktisch!

Peer Gynt (steekt een sigaar op).

Lieve vrienden,

Bedenkt toch wat mijn levensloop was.

Hoe kwam ik daar toch aan in ’t Westen!

Een arme vent, met leege handen![384]

Ik moest hard zwoegen voor mijn broodje;

Gelooft mij, ’t viel mij dikwijls zwaar.

Maar ’t leven, vrienden, is veel waard;

En, zoo men zegt, de dood is bitter.

Wel! Fortuna, ziet u, was mij gunstig;

En ’t oude Fatum niet afgunstig.

Het ging. En daar ik zelf ook flink was,

Zoo ging ’t gestadig beter, beter.

Tien jaren later werd ’k genoemd

Den Kroesos onder Charlestown’s reeders.

Nu vloog mijn naam van stad tot stad;

’t Geluk had ik nu binnen boord …

Mr. Cotton.

Waarin deed u?

Peer Gynt.

Vooral in negers,

Naar onzen Bondsstaat Carolina;

En afgodsbeelden ook, naar China.

Mr. Ballon.

Fi donc!

Trumpeterstraale.

Potztausend, oome Gynt.

Peer Gynt.

U vindt misschien ’t bedrijf niet strookende

Met wat geoorloofd is … of niet?

Ik voelde dat soms zelf ook levendig,

En vond het menigmaal odieus.

Maar, eens begonnen … zooals ’t gaat,…

Is ’t moeilijk het weer los te laten.

En ’t gaat althans zoo maklijk niet

In zulk een groote onderneming,

Waar duizend andren in gemoeid zijn,

Botweg te breken met zoo’n zaak.

Aan “botweg breken” heb ’k een hekel;

Maar geef toe aan den andren kant dat

Ik altijd acht geslagen heb

Op wat men noemt de konsekwenties;

En dat, de grenzen overschrijden

Onaangenaam mij altijd was.

Ook werd ik bovendien wat ouder;

’k Begon de vijftig al te naadren,…

Kreeg zachtjes aan al grijzend haar;[385]

En schoon mijn voorspoed steeds nog toenam,

Werd de gedachte mij toch pijnlijk:

Wie weet hoe gauw het uurtje slaat,

Dat het gerecht ingrijpend optreedt,

De bokken scheidend van de lamm’ren.

Wat nu te doen? De vaart te staken

Op China ging onmooglijk aan.

’k Vond toch een uitweg. Ik begon met

Wat anders op hetzelfde land.

In ’t voorjaar exporteerde ik goden,

In ’t najaar klaarde ik priesters uit;

Voorzag hen goed van al het nood’ge

Als kousen, bijbels, rhum en rijst …

Mr. Cotton.

En met profijt?

Peer Gynt.

Natuurlijk, ja.

Het ging. Zij werkten onvermoeid, en

Voor iedren god, dien ik verkocht,

Werd een Chinees bekeerd, gedoopt.

Zoo werkte ’t dus neutraliseerend.

Het veld der missie lag nooit braak,

Want iedren god, dien ’k colporteerde,

Dien hield een priester in bedwang.

Mr. Cotton.

Ja, maar de Afrikaansche waren?

Peer Gynt.

Daar zegevierde ook mijn moraal.

’k Zag in dat ’t geen geschikt bedrijf

Meer was voor iemand op mijn leeftijd.

Men weet toch niet wanneer het afloopt.

En dan de strikken ons gespannen

Door ’t heele filantropen-heir,

Om van de kapers niet te spreken,

En risico van wind en weer.

Dat alles samen gaf den doorslag.

Ik dacht: Kom Peter, reef de zeilen;

En zie wat je nog goed kunt maken.

Zoo kocht ik dan wat land in ’t Zuiden,

Behield den laatsten vleeschimport,

Die prima kwaliteit ook was.

Zij tierden, werden rond en vet,[386]

Dat het voor hen en mij een lust was.

Ja, ik durf zeggen, zonder grootspraak,

Dat ik voor hen was als een vader,…

Wat dan ook goede renten opbracht.

Ik bouwde scholen, dat behoorlijk

De deugd bestendig blijven zou

Op ’n zeker algemeen niveau,

En zag streng toe dat onder ’t peil nooit

Haar thermometer even zakte.

Nu trouwens heb ik dan ook dáárvan

Teruggetrokken mij geheel;…

’k Heb de plantage met het heele

Gedoe verkocht met huid en haar.

Ten afscheid gaf ik allen nog,

Zoo groot als klein, ook gratis grog.

Toen kreeg al ’t volk een flinken roes,

De weduwen daarbij nog snuif.

Kijk, daarom hoop ik, in zoover

Dat woord geen holle frase is:

Hij, die geen kwaad doet, die doet goed,…

Zoo is mijn vroeg’re schuld gedelgd;

En meer dan velen kan ik steunen

Mijn zonden, met veel goede werken.

v. Eberkopf (klinkt met hem).

Wat is ’t opbouwend hier te hooren

Een theorie tot daad gemaakt,

Ontdaan van nevelen en nacht,

Trots al het uiterlijk gebeuren!

Peer Gynt (die onder het voorgaande de verschillende flesschen vlijtig heeft aangesproken).

Wij, volk van ’t Noorden, wij verstaan het

Ons door te slaan! ’t Geheim daarvan,

Door ’t leven heen, is doodgewoon:

Hoû je ooren altijd stevig dicht,

Dat er geen adder binnen sluipe.

Mr. Cotton.

Wat voor een adder, waarde vriend?

Peer Gynt.

Een kleintje, maar een sterk verleidende

Tot ’t eens-en-voor-altijd beslissende. (drinkt weer.)

De heele kunst om wat te wagen,[387]

Den moed te hebben van zijn daad,…

Is die: te staan voor vrije keus

Op ’s levens duizend slingerpaden …

Te weten vast, dat alle dagen

Niet uit zijn met één dag van strijd,…

Te weten dat er open staat

Een brug, die u terug kan voeren.

Die theorie hield mij steeds óp;

Die heeft gekleurd mijn levenswandel.

En dat beginsel is een erfstuk

Van mijn voorvaderlijk geslacht.

Mr. Ballon.

U is een Noor?

Peer Gynt.

’n Geboren Noor;

Maar wereldburger van gemoed.

Wat van ’t geluk mijn aandeel werd,

Dank ik meest aan Amerika.

Mijn welvoorziene boekenplanken

Aan Duitschlands jongere geleerden.

Uit Frankrijk kreeg ’k, behalve vesten,

Manieren en mijn beetje geest,…

Van England leerde ik zaken doen

Met scherpen blik op eigen voordeel.

De Joden leerden mij te wachten.

Wat zin voor dolce far niente

Kreeg ’k van Italië meegegeven …

En één keer, in het nauw gedreven,

Verweerde ik mij, redde ik mijn leven,

Door middel van het Zweedsche staal.

Trumpeterstraale (heft zijn glas op).

Ja, ’t Zweedsche staal …!

v. Eberkopf.

Hem, die ’t gebruikte

Laat allereerst ons hulde brengen!

(Zij klinken en drinken met hem. Zijn hoofd begint warm te worden).

Mr. Cotton.

Dit alles is heel mooi en goed;…

Maar Sir, nu zou ’k zoo gaarne weten

Wat u met al uw geld wil doen?

[388]

Peer Gynt.

Hm; hoe zoo, doen?

Alle Vier (schuiven naderbij).

Ja, laat eens hooren.

Peer Gynt.

Nu, ’k wil vooreerst nog wat gaan reizen.

Kijk, daarom nam ’k u mee aan boord,

Tot reisgezelschap, in Gibraltar.

’k Verlangde naar een vriendenkring

Om rond mijn gouden kalf te dansen.

v. Eberkopf.

Heel geestig dat!

Mr. Cotton.

Maar niemand hijscht er

Zijn zeil uitsluitend om te zeilen.

U heeft een doel, dat kan niet missen,

En ’t doel is …?

Peer Gynt.

Ik wil keizer worden.

Alle Vier.

Wat?!

Peer Gynt (knikt).

Keizer!

De Heeren.

Waar?

Peer Gynt.

In heel de wereld!

Mr. Ballon.

Hoe dat, mijn vriend …?

Peer Gynt.

Wel, door mijn geld!

Het plan is heelemaal niet nieuw;

Het was de ziel van al mijn tochten.

Als jongen reed ik in mijn droomen

Ver op de wolken over zee,

Steeg op met zwaard en langen mantel …

En kwam pardoes omlaag getuimeld.

Maar ’t doel bleef vast bij mij bestaan.

Er is geschreven of gezegd

Hier of daar, ik weet niet meer waar,

Dat als heel de aarde hij gewint

En toch zich zelf verliest, een man[389]

Niets meer wint dan een doornenkroon.

Zoo staat er … of iets dergelijks;

En in dat woord ligt heel veel waars.

v. Eberkopf.

Maar wat is dan dat Gyntsche Ik?

Peer Gynt.

De wereld hier, achter mijn voorhoofd,

Die maakt dat ’k niemand ben dan ik,

Als God, God, niet de duivel is.

Trumpeterstraale.

Ja, nu begrijp ik de bedoeling!

Mr. Ballon.

Subliem als denker!

v. Eberkopf.

Hoog als dichter!

Peer Gynt (in stijgende opwinding).

Het Gyntsche Ik,… dat is het heir

Van wenschen, lusten en begeerten,…

Het Gyntsche Ik, dat is de zee

Van eischen, invallen, verlangens,

Van alles wat mijn borst doet zwellen,

En maakt dat ik als Gynt moet leven.

Maar zooals God behoeft de aarde

Zal hij bestaan als ’s werelds God,

Zoo heb ook ik aan geld behoefte

Zal ik een echte keizer zijn.

Mr. Ballon.

Maar geld, dat heeft u!

Peer Gynt.

Niet genoeg.

Ja, mooglijk voor een dag of vier, vijf,

Als keizer à la Lippe-Detmold.

Maar ik wil zijn mijzelf en bloc,

Wil Gynt zijn waar ik ga of sta,

Sir Gynt zijn, zeg ’k, van top tot teen!

Mr. Ballon (meegesleept).

Bezitten ’s werelds grootste schoonheid!

v. Eberkopf.

Het oudste merk Johannisberger!

Trumpeterstraale.

Van Koning Karel al de zwaarden!

[390]

Mr. Cotton.

Maar eerst een gunstige belegging

Die goed rendeert …

Peer Gynt.

Die ’s al gevonden;

En daarom liet ’k hier ’t anker vallen.

Van avond gaan wij noordwaarts op.

Couranten die ik kreeg aan boord

Berichten me een gewichtig nieuwtje …!

(staat op met opgeheven glas).

’t Is of ’t geluk niet uit kan scheiden

Om hem te helpen, die zelf “pluck” heeft …

De Heeren.

Nu? Zeg eens …

Peer Gynt.

Hellas is in oproer.

Alle Vier (opspringend).

Wat! De Grieken …?

Peer Gynt.

Zijn opgestaan.

De Vier.

Hoera!

Peer Gynt.

De Turk zit in de klem! (drinkt zijn glas uit).

Mr. Ballon.

Naar Hellas! Op! Tot roem en eer!

Ik help mee met mijn Fransche zwaard!

v. Eberkopf.

Ik met oproepen … uit de verte!

Mr. Cotton.

Ik eveneens … met leverantie!

Trumpeterstraale.

Uit Bender haal ’k terug de sporen

Door Koning Karel daar verloren!

Mr. Ballon (valt Peer Gynt om den hals).

Vergeef mij, dat ’k, een oogenblik

U heb miskend!

v. Eberkopf (drukt hem de handen).

Ik domme eend

Ik hield u haast voor een schavuit.

[391]

Mr. Cotton.

Dat is te sterk; wel voor een dwaas …

Trumpeterstraale (wil hem kussen).

Ik, oome Gynt, voor ’n exemplaar

Van ’t ergste Yankee-volk-gespuis …!

Vergeef mij …!

v. Eberkopf.

Allen dwaalden wij …

Peer Gynt.

Wat moet dat toch?

v. Eberkopf.

Vereenigd zien wij

Nu schitterend ’t heele Gyntsche heir

Van wenschen, lusten en begeerten …!

Mr. Ballon (bewonderend).

Zoo doet dus Monsieur Gynt zich kennen!

v. Eberkopf (evenzoo).

Dat noem ik eerst Gynt zijn met eere!

Peer Gynt.

Maar zegt mij toch …?

Mr. Ballon.

Begrijpt u ’t niet?

Peer Gynt.

Ik laat mij hangen als ik ’t doe!

Mr. Ballon.

Comment donc? Zet u dan niet koers

Naar Griekenland met schip en geld?

Peer Gynt (fluit spottend).

Neen, dank je wel! Ik steun den sterksten

En leen den Turk mijn zilverlingen.

Mr. Ballon.

Niet mooglijk!

v. Eberkopf.

Wel geestige ironie!

Peer Gynt (zwijgt even, leunt op een stoel en neemt een voornaam air aan).

Hoort nu eens, heeren, ’t lijkt mij best

Te scheiden, vóór de laatste rest

Van vriendschap gansch opgaat in rook.

Wie niets bezit kan licht wat wagen.

Wie van de wereld niets beheert[392]

Dan ’t streepje grond dat hij beschaduwt,

Is voor kanonvleesch als gemaakt.

Maar heeft zijn schaapjes men op ’t droge

Als ik, dan is de inzet grooter.

Gaat u naar Hellas! Ik zend, gratis

Gewapend, u er allen heen.

Hoe meer u aanmoedigt den strijd,

Hoe beter ik den boog kan spannen.

Dus òp voor vrijheid en voor recht!

Loopt storm! Maakt het den Turken heet!

En sluit met eere dan uw loopbaan

Op spitse Janitscharen-lansen …

Maar excuseert mij. (klopt op zijn zak).

Ik heb geld

En ben mijzelf, Sir Peter Gynt.

(Hij steekt zijn zonnescherm op en gaat naar het boschje waar de hangmatten hangen).

Trumpeterstraale.

Wat een zwijnjak!

Mr. Ballon.

Voelt niets voor eer!

Mr. Cotton.

Och eer, nou ja, dat zegt niet veel;

Maar denkt eens wat een kans voor ons

Als de opstand lukt en ’t land wordt vrij …

Mr. Ballon.

Ik zag mij al als overwinnaar!

Omringd van mooie Grieksche vrouwtjes!

Trumpeterstraale.

Ik zag al in mijn Zweedsche handen

De eens verloren heldensporen!

v. Eberkopf.

’k Zag de beschaving van heel ’t land

Uitgaande van mijn vaderland …

Mr. Cotton.

Het ergst is ’t materieel verlies.

Goddam! ’k Zou tranen kunnen storten!

’k Zag mij al als Olymp-bezitter.

Als ’t waar is wat er wordt gezegd,

Moet men er kopermijnen vinden,

Die te exploiteeren zouden zijn.

En daarbij die rivier Kastale,[393]

Waarvan zooveel al is verteld,

Met vallen, die men laag gesteld,

Op meer dan duizend paardenkracht schat …!

Trumpeterstraale.

Toch wil ik gaan. Mijn Zweedsche zwaard

Is meer dan Yankee-dollars waard!

Mr. Cotton.

Misschien; maar eenmaal in ’t gedrang

Verdrinken wij gauw in de massa;

En waar blijft dan de kans op voordeel?

Mr. Ballon.

Verdomd! Zoo dicht bij zijn geluk zijn …!

En plotsling het te zien verzinken!

Mr. Cotton (met gebalde vuisten tegen het jacht).

Daarginder in die zwarte kast ligt

’t In goud verkeerde negerbloed!…

v. Eberkopf.

Een koninklijke inval! Komt!

Zijn keizerrijk is naar de maan!

Vooruit!

Mr. Ballon.

Wat wil u?

v. Eberkopf.

’k Wil de macht!

Het scheepsvolk is wel om te koopen.

Aan boord! Ik annexeer het jacht!

Mr. Cotton.

U … wát …?

v. Eberkopf.

Ik pak wat ’k krijgen kan

(loopt naar de sloep toe).

Mr. Cotton.

Mijn eigen welzijn eischt volstrekt

Dat ’k ook wat pak. (volgt hem).

Trumpeterstraale.

Wat een schavuit!

Mr. Ballon.

Een boevenstuk is ’t!… Maar … enfin!

(volgt de anderen).

Trumpeterstraale.

Dan moet ik ook wel mee in ’t schuitje;…[394]

Doch onder hevig protesteeren …!

(volgt hem).

Een andere plek aan de kust. Maneschijn en drijvende wolken. Het jacht ver weg in zee onder vollen stoom.

Peer Gynt loopt langs het strand. Dan knijpt hij zich in zijn arm, dan weer staat hij in zee te turen.

Peer Gynt.

Nachtmerrie!… Droom!… Aanstonds ontwaak ik!

’t Jacht steekt in zee! En in razende vaart!

’t Is verbeelding! Ik slaap! Ik ben dronken en gek!

(wringt de handen).

Het gaat toch niet aan dat ik sterven ga!

(trekt zich aan de haren).

Een droom! Ik wil het … ’t Moet zijn een droom!

Ontzettend! Och neen, het is waarheid, helaas!

Zulke schurken van vrienden …! Verhoor mij, o Heer!

Gij zijt immers wijs en rechtvaardig …! O, straf …!

(met opgeheven armen).

Ik ben het, Peer Gynt! Lieve Heer, o zie toe!

Ontferm u mijner, anders moet ik vergaan!

Laat hen achteruit stoomen! Laat hen de boot neerlaten!

Houd de dieven! Maak iets onklaar aan het tuig!

Hoor mij! Laat andere zaken liggen!

De wereld redt wel zich zelf, in dien tijd …

Och hemel, hij hoort niet! Hij is doof als gewoonlijk!

Dat ’s wat moois! Een God die geen uitkomst weet!

(wenkt naar boven).

Psst! ’k Heb gedaan met die negerplantage!

Ik heb zendelingen overgezonden naar Azië!

De eene dienst is toch den anderen waard!

Och, help mij aan boord …!

(Een vuurstraal schiet òp uit het jacht en een dikke rookwolk stijgt op; men hoort een doffen knal; Peer Gynt geeft een gil en zinkt neer in het zand; langzamerhand trekt de rook op; het schip is verdwenen).

Peer Gynt (bleek en zachtjes).

Dat was ’t straffend zwaard!

Verzonken op slag met man en muis![395]

O, gezegend zij ’t toeval en mijn geluk … (aangedaan).

’t Toeval? O, neen, het was meer dan dat.

Mij moest hij redden; zij moesten vergaan.

O lof en dank, dat gij mij bewaard hebt,

Een oog op mij hieldt, trots al mijn gebreken …

(haalt diep adem).

Wat een heerlijke gerustheid en troost

Is ’t zich zoo apart beschermd te weten.

Maar hier in de woestijn! Waar vind ’k wat te eten?

Och, ik vind toch wel iets. Dat is zijn zaak nu.

Het is niet zoo gevaarlijk;… (luid en vleiend).

hij zal niet willen

Dat ik, kleine armzalige musch, zal vergaan?

Maar nederig van zin zijn. En hem gunnen den tijd.

Laat den Heer zorgen. Niet het hoofd laten hangen …

(schrikt plotseling op).

Was dat een leeuw, die daar knorde in ’t riet …?

(klappertandend).

Neen, het was toch geen leeuw. (vermant zich).

Een leeuw, wel waarom niet!

Die beesten, die blijven wel op een afstand,

’t Is geen zaak te beginnen met wie de baas is.

Zij hebben instinkt;… zij voelen, dat ’s zeker,

Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten …

Maar alével … ik ga zoeken naar een boom.

Daarginder wuiven acacia’s en palmen.

Als ’k daarin kan klimmen, zit ik veilig en kalm;…

Vooral als ik daarbij kende een paar psalmen …

(klautert naar boven).

De ochtend is niet aan den avond gelijk;

Dat woord is al dikwijls gewikt en gewogen.

(gaat op zijn gemak zitten).

Hoe heerlijk zijn geest zoo verlicht te voelen.

Edel te denken is meer dan zich rijk te weten.

Maar vertrouwen op hem. Hij weet wel hoeveel

Als lijdenskelk, ik voor mij, kan verdragen.

Hij voelt vaderlijk ook jegens mijn persoon …

(werpt een blik op de zee en fluistert met een zucht)

:
Maar econoom,… neen, dat is hij niet!

[396]

Nacht. Een Marokkaansch kamp op de grens der woestijn. Wachtvuren en rustende soldaten.

Een Slaaf (komt op, zich de haren uittrekkend).

’s Keizers witte paard is verdwenen!

Een tweede Slaaf (komt op, zijn kleeren verscheurend).

’s Keizers heilig gewaad is gestolen!

Opzichter (komt op).

Honderd slagen op de voetzool

Krijgt wie niet den dief kan vangen!

(De soldaten stijgen te paard en galoppeeren in alle richtingen weg).

Dageraad. Een boschje van palmen en acacia’s.

Peer Gynt (op een boom met een afgebroken tak in de hand, houdt zich een troep apen van het lijf).

Fataal! Een allerellendigste nacht! (slaat om zich heen).

Nu gooien zij met vruchten. Neen, dat ’s wat anders.

Akelige dieren zijn apen toch!

Er staat wel geschreven: gij zult waken en vechten;

Maar ik kan waarachtig niet; ik ben stijf en moe.

(wordt weer geplaagd; ongeduldig).

’k Moet zien dat ’k een eind aan die kwelling maak!

’k Moet zien een van die kerels te vangen,

Hem hangen en villen, en met zijn vel

Bedek ik mijzelf, zoo goed als ’t gaat;

Dan houden de andren mij voor een echten …

Wat zijn wij menschen? Niet meer dan een zucht.

En men moet zich wat voegen naar landsgebruik …

Alweer een troep! Dat kruipt en krioelt …

Ga je! Kischt! Zij doen of ze gek zijn.

Had ik nu maar een verdwaalden staart!…

Iets dat mij zoowat op ’n dier deed gelijken …

Wat ’s dat? Nu hokken ze boven mijn hoofd …!

(kijkt naar boven).

Die oude,… zijn vuisten vol vuil of drek …!

(kruipt angstig in elkaar en houdt zich een poosje stil. De [397]aap maakt een beweging; Peer Gynt begint te lokken en liefjes te praten als tegen een hond).

Zoo,… ben je daar, jij oude Sim!

Hij is braaf, ja, niet waar! Hij wil aangehaald worden!

Hij zal niet gooien;… hij denkt er niet aan …

Kent mij wel! Piep-piep! Wij zijn goede vrienden!

Ai-ai! Hoor je wel dat ik je taal kan spreken?

Sim en ik, wij zijn nog familie, niet waar?

Morgen krijgt Sim wat lekkers, hoor …! Jij beest!

Heel de lading over mij heen! Bah! Wat een smerigheid!..!

Of was ’t eten misschien? Aan den smaak was ’t niet te kennen;

Maar wat smaak betreft doet gewoonte het meest;

Wie was ook weer de denker, die eens heeft gezegd:

Men spuwt maar en moet hopen dat ’t wennen zal …?

Daar heb je ook de jongen! (vecht en slaat).

’t Is toch al te gek,

Dat de mensch, die toch heet heer der schepping,

Zich genoodzaakt ziet tot …! Politie! politie!

Gemeen was de oude, maar de jongen zijn erger!

Vroege morgenstond. Een rotsachtige streek met uitzicht op de woestijn. Aan den eenen kant een bergkloof en een hol. Een dief en een heler in de kloof met het paard en het gewaad van den keizer. Het paard, rijk opgetuigd, staat aan een steen vastgebonden. Ruiters in de verte.

De Dief.

Blinkende, flikkerende

Punten van lansen,…

Kijk! Kijk!

De Heler.

Ik voel al mijn kop

In ’t zand wegrollen.

Wee! Wee!

De Dief (kruist zijn armen over de borst).

Mijn vader was ’n dief;

Zijn zoon moet stelen.

De Heler.

Mijn vader was ’n heler;[398]

Zijn zoon moet helen.

De Dief.

Je lot moet je dragen;

Je zelf moet je wezen.

De Heler (luisterend).

Voetstappen in ’t hout!

Gauw weg! Maar waar?

De Dief.

Diep is het hol,

En groot de Profeet!

(Zij vluchten en laten hun buit in den steek. De ruiters verliezen zich in de verte).

Peer Gynt (komt op, een fluitje van riet snijdend).

Wat een verrukkelijke morgenstond!…

De mestkever rolt zijn ballen van mest,

De slak kruipt uit haar slakkenhuis.

D’ochtendstond ja, heeft goud in den mond.

Het is in den grond toch ’n merkwaardige macht,

Die in ’t daglicht aldus de natuur heeft gelegd.

Men voelt zich zoo kalm, voelt zijn moed weer groeien.

Zou wel durven ’t desnoods met een os op te nemen …

Wat een stilte in ’t rond! Ja, de landlijke vreugden …

Onbegrijplijk toch dat ik ze vroeger versmaadde;

Dat men zich opsluit in groote gebouwen,

Om allerlei volk in huis te halen …

Och, kijk, wat heeft ’t hagedisje het druk,

Hapt maar en denkt verder aan niemendal!

Wat een onschuld toch in ’t leven van zoo’n dier.

Elk volgt zijns Scheppers gebod in gehoorzaamheid,

Bewaart onvervreemdbaar zijn eigenaardigheid,

Is zich zelf, zich zelf in spel en strijd,

Zich zelf, zoo als het werd, toen voor ’t eerst het werd.

(zet zijn lorgnet op).

Een padde. Midden in een zandsteenblok.

Versteening rondom. Alleen de kop er uit.

Daar zit ze nu te kijken als door een ruit,

Naar de wereld en is zich zelf … genoeg … (denkt na).

Genoeg? Zich zelf …? Waar staat dat ook weer?

Ik las het als jongen in ’n godsdienstig boek.

Was ’t in den bijbel? Of in Salomons spreuken?

Treurig; ik merk dat jaar op jaar[399]

Mijn geheugen afneemt voor tijd en plaats.

(gaat in de schaduw zitten).

Hier is ’t lekker koel rusten … nu even uitblazen.

Kijk, hier groeien varens. Eetbare wortels. (proeft er van).

’t Is wel meer eten voor ’t redelooze vee;…

Maar er staat geschreven: dwing je natuur!

En verder staat er: hoogmoed moet men buigen.

En wie zich vernedert zal worden verhoogd. (onrustig).

Verhoogd? Ja, zeker, dat gebeurt met mij;…

Iets anders laat zich onmogelijk denken.

’t Fatum helpt mij wel dat ’k hier van daan kom,

Zal ’t aanleggen zóó dat ik hooger stijg.

Dit is een beproeving; later komt er verlossing,…

Als de Heere mij maar gezond blijven laat.

(schudt die gedachten van zich af, steekt een sigaret op, strekt zich uit en staart over de vlakte van de woestijn).

Wat een onmetelijk, grenzenloos vlak.

Heel in de verte wandelt een struis …

Wat of toch Gods bedoeling kon zijn

Met het scheppen van al dat leege en doode,

Dat, wat ontbeert alle levensbronnen;

Dat verzengde, dat niemand ten goede komt;…

Dat stuk van de wereld, dat daar ligt braak;

Dat lijk, dat nooit sinds het uur der schepping,

Zijn Schepper zooveel als dank heeft gebracht!

Waar dient het voor?… De natuur is verkwistend…

Is dat de zee, daar in ’t oosten, dat vlakke,

Daar schitt’rend? Neen, ’t is maar zinsbedrog,

De zee is in ’t westen; daarachter, en hooger,

Afgedamd door een glooiende heuvelrij.

(een gedachte gaat door zijn hoofd).

Afgedamd? Dus dan kon ik …! De heuvels zijn smal;

Afgedamd? Een doorbraak maar, een kanaal,…

Als een levensstroom zou het water zich storten

Door de geul en vullen de gansche woestijn!

Gauw zou dat heele gloeiende graf

Worden een frissche, golvende zee.

Tot eilanden werden dan de oasen,

Groen rees de Atlas als noordlijke grens;

Zeilschepen zouden, als vogels, doorklieven

’t Pad, voor karavanen tot heden bestemd.

Frissche lucht zou er verdrijven de heete[400]

Dampen,… uit wolken druppelen dauw;

Stad aan stad zou er bouwen het volk,

En gras zou er groeien om wuivende palmen.

In ’t zuiden werd ’t land, achter Sahara’s muur,

Een kustland met nieuwe, verjongde cultuur.

Stoom zou er drijven Tomboektoe’s fabrieken;

Bornoe werd ras gekoloniseerd;

Veilig door Habes reed dan de explorator

In zijn waggon naar den Boven-Nijl.

Midden in zee, op een vette oase,

Wil ’k overplanten het Noorsche ras;

’t Bloed van mijn dalvolk is bijna vorstlijk;

Kruising met ’t Arabische doet dan de rest.

Rondom een bocht, op een rijzende kust,

Zal ik de hoofdstad, Peeropolis, stichten.

De wereld is afgeleefd! Nu komt de beurt

Aan Gyntiana, mijn jonge land!

(springt op)

Alleen maar kapitaal, dan is ’t gebeurd …

Een gouden sleutel voor de poort der zee!

’n Kruistocht tegen ’t doode! Kom! Open de zakken

O, schraper, door u angstvallig bewaakt.

Men gloeit voor vrijheid in alle landen;…

Als de ezel van Noach wil ’k over de wereld

Uitzenden een kreet, den bevrijdingsdoop brengen

Aan de heerlijke, zwoele, wordende stranden.

Ik moet voort! Kapitaal uit het Oosten of ’t Westen!

Mijn rijk,… de helft in ’t Oosten of ’t Westen!

Mijn rijk,… mijn halve rijk voor een paard!

(het paard hinnikt in de rotskloof).

Een paard! En kleeren …! Juweelen,… en wapens!

(komt naderbij).

Onmooglijk! Ja, waarlijk …! Ik las wel eens

Ergens, dat willen kan bergen verzetten;…

Maar dat het óók kan verzetten een paard …!

Onzin! ’t Is mijn Fatum, dat hier een paard staat …

“Ab esse ad posse” en wat verder mag volgen …

(trekt de kleeren aan over de zijne en bekijkt zich).

Sir Peter,… een Turk van top tot teen!

Een mensch weet toch nooit wat er kan gebeuren …

Spoed je, Grane, mijn klepper fier!

(bestijgt het paard).

[401]

Gouden pantoffels tot steun voor mijn voeten!

Aan ’t paardentuig kent men de groote heeren!

(hij galoppeert de woestijn in).

Tent van Arabieren-opperhoofd, alleen-staand in een oase. Peer Gynt in zijn Turksche kleeding rustend op kussens. Hij drinkt koffie en rookt uit een lange pijp. Anitra en een troepje meisjes dansen en zingen voor hem.

Koor van Meisjes.

De Profeet is gekomen!

De Profeet, de heer, de alles wetende!

Tot ons, tot ons is hij gekomen,

Over de zandwoestijn rijdende!

De Profeet, de heer, de nooit mistastende.

Tot ons, tot ons is hij gekomen,

Door de zandwoestijn zeilende!

Roert fluiten en trommels,

De Profeet, de Profeet is gekomen!

Anitra.

Zijn klepper is blank als de melkstroom,

Die golvend door ’t Paradijs vloeit.

Zinkt op de knieën! Buigt ’t hoofd in ootmoed!

Zijn oogen zijn sterren, blinkend en blijde.

Maar geen schepsel verdraagt

Den schitt’renden glans van dier sterren stralen!

Door de zandzee kwam hij.

Goud en paarlen ontsprongen aan zijn borst.

Waar hij reed werd het licht.

Achter hem werd het donker.

Achter hem woedde Samoem,… werd dorheid.

Hij, de heerlijke, kwam!

Door de zandzee kwam hij,

Versierd als een zoon der aarde,

Kaba, Kaba, staat leeg;…

Hij heeft ’t zelf verkondigd!

Koor van Meisjes.

Roert fluiten en trommels,

De Profeet, de Profeet is gekomen;

(De meisjes dansen op gedempte muziek).

[402]

Peer Gynt.

Ik las eens gedrukt … en het woord is waar …

“Niemand wordt profeet in zijn eigen land.”…

Dit leven hier bevalt mij veel beter

Dan dat daarginds, onder Charlestowns reeders.

Er was iets hols in die heele zaak,

Iets vreemds, onzuivers, dat altijd bleef;…

Ik voelde mij nooit recht op mijn gemak,

En nooit zoo heelemaal man van ’t vak.

Wat deed ik daar eigenlijk, vraag ik mij af?

Als een molenpaard altijd maar in de zaken;

Als ik het bedenk, kan ik ’t niet begrijpen;…

Het kwam zoo; dat is het heele geval …

Zich zelf te zijn, gebaseerd op goud,

Dat is als zijn huis te bouwen op zand.

Voor ringen en kettingen en de rest,

Kwisp’len de menschen en kruipen in ’t slijk;

Zij nemen hun hoed af voor ’n dasspeld met kroon,

Maar een ring of speld is toch niet de persoon …

Profeet;… kijk, dat ’s een zuivre positie.

Dan weet men op welken voet men staat.

Gaat het òp, dan is men ’t toch zelf, die ontvangt

De hulde, en niet zijn pond sterling of shilling.

Men is, wat men is, eenvoudig-weg;

Geen toeval of kans is men dank verschuldigd,

Men steunt ook niet op patent of vergunning …

Profeet;… ja, dat is net iets voor mij.

En ik werd het zoo uiterst onverwacht,…

Uitsluitend doordat ik reed door de woestijn,

En deze natuurkindren trof op mijn weg.

De Profeet was gekomen; daarmee was ’t klaar.

Het lag waarlijk niet in mijn plan te bedriegen;

Profetisch te antwoorden is ook geen liegen,

En terugtrekken kan ik mij altijd nog.

Ik ben niet gebonden; dat is buiten kwestie;…

’t Geheel is meer een persoonlijk geval;

Ik kan gaan als ik kwam; mijn paard staat gereed

In ’t kort, ik ben meester van de positie.

Anitra (nadert den ingang van de tent).

Profeet en heerscher!

[403]

Peer Gynt.

Wat begeert mijn slavin?

Anitra.

Wachtend voor uw tent staan der vlakte zonen;

Zij vragen uw aangezicht te mogen …

Peer Gynt.

Stop!

Zeg hun, dat zij er maar gauw van doorgaan:

Zeg hun, dat ’k van ver hun gebeden wel hoor.

Voeg er bij, dat ik hier geen manvolk wil hebben!

Mannen, mijn kind, zijn ellendig volk,…

Echte smeerlappen, zoo als men het noemt!

Anitra, je kunt niet begrijpen, mijn kind,

Hoe gemeen … ik bedoel, hoe zondig zij zijn!…

Nou ja; al genoeg. Danst voor mij, kindren!

De Profeet wil droevig herdenken vergeten.

De Meisjes (dansend).

De Profeet is goed; de Profeet is bedroefd

Over ’t kwaad bedreven door de zonen van ’t stof!

De Profeet is mild; zijn mildheid zij geloofd;

Hij opent voor zondaars zijn Paradijs!

Peer Gynt (terwijl hij Anitra onder het dansen met de oogen volgt).

Als trommelstokken zoo vlug gaan haar beenen.

Jongens! ’t Is een lekker klein ding waarachtig.

Zij heeft wel wat extravagante vormen,…

Niet gansch overeenkomstig de eischen der schoonheid;

Maar wat is schoonheid? Traditie alleen,…

Een munt, enkel gangbaar naar plaats of tijd.

En juist dat extravagante is aantreklijk

Als je het normale door-en-door kent.

Het gemiddelde wekt niet gauw meer een roes.

Of overdreven gevuld, òf overdreven mager,

Of beangstigend jong, òf afschrikkend oud;…

Van ’t gemiddelde walg ik …

Haar voeten … nou ja, munten niet uit door reinheid;

Ook haar armen niet, dat ’s waar, vooral de ééne.

Maar daar is ze in den grond toch niet minder om;

Ik zou eerder zeggen, dat hoort er zoo bij …

Anitra, hoor eens!

Anitra (komt naderbij).

Uw slavin heeft gehoord!

[404]

Peer Gynt.

Je bent bekoorlijk, kind! De Profeet is ontroerd.

Als je mij niet gelooven wilt, hoor dan ’t bewijs:

Ik maak je tot Houri in het Paradijs!

Anitra.

Dat kan niet, heer!

Peer Gynt.

Wat? Denk je dat ’t scherts is?

Het is hooge ernst, zoo waar als ik leef, hoor.

Anitra.

Maar ik heb toch geen ziel.

Peer Gynt.

Die krijg je wel!

Anitra.

Hoe dan, o heer?

Peer Gynt.

Laat dat aan mij maar over;…

Ik zal je opvoeding in handen nemen.

Geen ziel! Ja, zeker, je bent wel erg dom,

Zooals men ’t noemt. Dat heb ik met smart ondervonden.

Maar toch, voor een ziel heb je nog wel plaats.

Kom hier! Laat mij je hersenpan eens meten …

Er is plaats; er is plaats; ja, dat dacht ik ook wel.

’t Is waar,… heel diep zal je wel nooit leeren denken;

En een heel groote ziel zal je ook niet krijgen;…

Maar och, dat doet er ook eigenlijk niets toe;…

Je zult zooveel krijgen, dat je niet beschaamd hoeft te staan …

Anitra.

De Profeet is goed …

Peer Gynt.

Je aarzelt? Spreek!

Anitra.

Maar ik had nog liever …

Peer Gynt.

Zeg op zonder dralen!

Anitra.

Ik geef niet zooveel om een ziel;… geef mij liever …

Als ik ’t zeggen mag …

Peer Gynt.

Wat?

Anitra (wijst op zijn tulband).

Die mooie opaal!

[405]

Peer Gynt (verrukt, terwijl hij haar het kleinood toereikt).

Anitra! Eva’s ongekunstelde dochter!

Magnetisch trek je me aan; ’k ben een man,

En, zoo als staat bij een hoogberoemd schrijver:

“Das ewig weibliche zieht uns an!”

Maanlichte nacht. Palmenboschje vóór Anitra’s tent. Peer Gynt met een Arabische luit in de hand zit onder een boom. Zijn haar en baard zijn geknipt; hij ziet er aanmerkelijk jonger uit.

Peer Gynt (speelt en zingt).

Gesloten heb ’k mijn Paradijs

En nam den sleutel mee;

De Noorderbries mijn schip voortdreef,

En schoone vrouwen aan het strand

Beweenden hun verlies.

Naar ’t Zuiden joeg door ’t zilte nat

Der baren, ’t vluchtend schip.

Waar palmen wuiven mooi en fier,

Omkransend luwe, blauwe baai,

Stak ik mijn schip in brand.

Toen steeg ik op een zandzee-schip …

Vier beenen had dat schip;

Het schuimde onder spoor en zweep …

Ik ben een vogel, vang mij toch,…

Zit tjilpend op een tak.

Anitra, palmwijn ben je, zoet,

Dat kan ’k getuigen nu!

Ja zelfs Angorageiten-kaas

Is nog maar half zoo lekker als

Anitra, schatje, jij!

(hangt de luit over zijn schouder en komt nader).

Stilte! Zou mijn liefje luistren?

Hoorde zij mijn liedje wel?

Gluurt zij achter de gordijnen,

Niet in sluiers gedrapeerd?…

Stil! Het klonk of met geweld daar

Van een flesch de kurk afsprong[406]

Nu alweer! En nog eenmaal!

Liefdezuchten? Neen, gezang;…

Neen, het is een hoorbaar snurken.

Zoet geluid! Anitra sluimert!

Nachtegaal, houd op met slaan!

Of het zal je er naar vergaan,

Als je ’t nog waagt met je fluiten …

Doch, het zij zoo, zegt het boek.

Nachtegaal is toch een zanger,

Ach, ik ben het eveneens.

Hij, als ik, vangt met zijn tonen

Teedre harten, week en jong.

Zwoele nacht en zoet gezang

Zijn ons beiden lief en gunstig;

Als wij zingen, zijn wij beiden

Wij, Peer Gynt en nachtegaal.

En juist dat zij slaapt, mijn liefje,

Voert mijn liefderoes ten top;…

Met de lippen aan den beker

Zonder dat ik er van proef …!

Maar daar is zij net, zoo waar!

Beter toch maar dat zij kwam.

Anitra (uit de tent).

Riep mijn heer mij in den nacht?

Peer Gynt.

De Profeet, ja, heeft geroepen.

Ik werd wakker straks door katten

Die een woeste drijfjacht hielden …

Anitra.

Ach, dat was geen drijfjacht, heer,

’t Was iets van heel andren aard.

Peer Gynt.

Wat dan?

Anitra.

O, verschoon mij!

Peer Gynt.

Spreek!

Anitra.

O, ’k moet blozen …

Peer Gynt (dichterbij).

Was ’t misschien ook

Wat mij zoo geheel vervulde,[407]

Toen ik jou gaf mijn opaal?

Anitra (verschrikt).

Noemen u, o werelds schat,

In één adem met een kat!

Peer Gynt.

Kind, op ’t punt van liefde staan

Soms een kater en ’n Profeet

Vrijwel op eenzelfde lijn.

Anitra.

Heer, uw schertsen vloeit als honing

Van uw lippen.

Peer Gynt.

Lieve kind,

Jij, als andre meisjes, ziet nooit

Groote mannen als zij zijn.

’k Hoû van schertsen, moet je weten,

Met je beidjes zoo vooral.

’k Ben verplicht door mijn positie

Tot een valschen schijn van ernst;

Plichten maken mij gedwongen,

Al die zorgen, dat gedoe,

Dat ik heb met iedereen,

Maakt mij vaak het leven zwaar:

Doch dat ligt maar bovenop …

Weg daarmee! In ’t tête-à-tête

Ben ik Peer,… ja dat ben ik.

Hop, wij jagen den profeet weg,

En hier ben ik zelf nu, Peer!

(gaat onder een boom zitten en trekt haar naar zich toe).

Kom, Anitra, laat ons rusten

Onder groene palmenwaaiers!

Ik zal fluistren, jij moet lachen;

Later wislen wij de rollen;

En terwijl ik lachend luister

Fluister jij dan liefdewoordjes!

Anitra (gaat voor zijn voeten liggen).

Zoet als zang uw woorden klinken,

Al begrijp ik lang niet alles.

Zeg mij, heer, kan uwe dochter

’n Ziel verkrijgen door te luistren?

[408]

Peer Gynt.

’n Ziel en weten, ’t licht des geestes,

Zal je later wel geworden.

Als het oosten rood-goud-glanzend

Meldt: nu breekt er weer een dag aan,

Geef ik jou, mijn liefje, lessen;

O, je zult van alles leeren,

Maar in nachtlijk stille uren

Ware ’t dwaasheid zoo ik wilde

Met geleerdheid, duf, versleten,

Als magister mij gedragen.

Eigenlijk is ook de ziel niet

Welbeschouwd, zoozeer de hoofdzaak.

’t Is het hart, waar ’t meest op aan komt.

Anitra.

Spreek, o heer! Als ’k u hoor spreken

Zie ’k een glans als van opalen!

Peer Gynt.

Al te scherpe geest is domheid;

Lafheids knop ontbloeid, is boosheid;

Overdreven waarheid is

Averechtsche wijsheidstaal;

Ja, mijn kind,… ’t is ongelogen,

Er zijn menschen op de wereld

Met een overvoerde ziel,

Die tot klaarheid moeilijk komen.

Ik heb er zoo een gekend,

’n Parel uit den heelen hoop;

En zelfs hij heeft ’t doel gemist toch

In ’t gedrang van ’t drukke leven.

Zie je ’t zand rondom de oase?

Wenk ik even met mijn tulband,

Dwing ’k de wereldzee te vullen

Met haar waatren heel de vlakte.

Maar ik zou een domkop wezen

Als ik nu schiep zee en landen.

Weet je wat het is te leven?

Anitra.

Leer het mij!

Peer Gynt.

Het is te zweven

Droogvoets met den tijdstroom mee,[409]

Gansch en eenig als zichzelf.

Slechts als man van kracht kan ’k wezen

Hij, die ’k ben, mijn lieve kleintje!

’n Oude valk verliest zijn veeren,

’n Oude ram krijgt zwakke pooten.

’n Oude vrouw verliest haar tanden

’n Oude vent krijgt dorre handen,…

Iedereen een dorre ziel.

Jong zijn! Jong zijn! Ik wil heerschen

Als een sultan, vurig, echt,…

Niet aan Gyntiana’s kusten,

Onder loofomrankte palmen,…

Maar gegrondvest op de frischheid

Van jonkvrouwlijke gedachten …

Zie je nu, mijn lieve kindje,

Waarom ik je uitverkoren

En je hartje zoo ontroerd heb?

Waarom ik, om zoo te zeggen,

Daar mijn kalifaat gesticht heb?

Naar mij moet gaan je verlangen.

Almacht wil ik in mijn staat!

Jij moet heel alleen van mij zijn.

Ik wil ’t zijn die je gevangen

Houdt, als goud en edelsteenen.

Scheiden wij, is ’t leven niets meer,…

Althans, dat wil zeggen: ’t jouwe!

Heel je wezen, alle leegten,

Zonder willen ja of neen,

Wil ik weten vol van mij.

’t Nachtlijk donker van je lokken,

En al je bekoorlijkheden

Moeten … Babylonsche tuinen …

Wenken mij tot sultansfeesten.

Daarom is ’t ook nog zoo kwaad niet

Dat je hoofdje leeg maar blijft.

Met een ziel wordt zelfbeschouwing

Tot een allereersten plicht.

Wacht eens,… ’k krijg daar juist een inval:

’k Zal je geven, als je ’t wilt,

’n Mooien ring voor om je enkel;…

Dat is ’t best voor allebei;

Jij krijgt mij als ziel, en verder[410]

Blijft het alles … status quo.

(Anitra snurkt).

Wat? Zij slaapt! Zoo gleed dus alles

Langs haar heen, wat ’k heb gezegd?…

Neen; dat kenmerkt juist mijn macht,

Want gewiegd door liefdewoorden

Zweeft zij weg in zoete droomen.

(staat op en legt sieraden in haar schoot).

Hier zijn ringen! Hier nog meer!

Slaap, Anitra! Droom van Peer!

Slaap! En op je keizers voorhoofd

Drukte slapend jij de kroon!

Peer won, enkel door zijn wezen,

’n Keizerrijk in dezen nacht!

Karavaanweg. De oase ver weg op den achtergrond. Peer Gynt op zijn witte paard, jaagt door de woestijn. Hij heeft Anitra vóór zich op het zadel.

Anitra.

Hoû op! Ik ga bijten …!

Peer Gynt.

Jij kleine schelm!

Anitra.

Wat wil u?

Peer Gynt.

Wat? Spelen duifje en valk!

’k Voer je weg! Ik bega dolle streken!

Anitra.

Schaam u! Een oude Profeet …!

Peer Gynt.

Malligheid!

De Profeet is nog niet oud, kleine gans!

Vind je dat dit dan op ouderdom wijst, zeg?

Anitra.

Laat los! ’k Wil naar huis!

Peer Gynt.

Nu ben je koket!

Naar huis! Naar schoonpapa! Die is goed!

Wij dolle vogels, de kooi ontvlogen,

Wij komen hem nooit meer onder de oogen.[411]

En daarbij, mijn kind, op dezelfde plek

Moet men nooit vertoeven te langen tijd;

Men verliest dan in achting, hoe meer men bekend wordt;…

Vooral als men komt als Profeet of zoo iets.

Vluchtig moet men voorbij gaan, als een “bon mot”.

’t Werd waarlijk al tijd dat ’t bezoek op zijn eind liep.

Die woestijnzonen zijn onstandvastige zielen,

Op ’t laatst al ontbraken gebeden en wierook.

Anitra.

Maar u is toch Profeet?

Peer Gynt.

Ik ben je keizer!

(wil haar kussen).

Kijk ’ns aan, hoe die kleine feeks van zich afbijt!

Anitra.

Geef mij den ring, dien u draagt aan uw vinger.

Peer Gynt.

Neem, lieve Anitra, den heelen boel!

Anitra.

Zoete zang zijn uw woorden! Liefelijk klinkend!

Peer Gynt.

Zalig, wie zoozeer bemind wordt als ik!

Ik stijg af! Ik zal leiden het paard als je slaaf.

(reikt haar de karwats en stijgt af).

Ziezoo, mijn roosje, mijn heerlijke bloem;

Hier wil ik loopen in zand en wind,

Tot een zonnesteek mij treft en ik niet verder kan.

Ik ben jong, Anitra, hoû dat in ’t oog!

Neem het met mijn fratsen maar niet zoo nauw.

Grappen uithalen is een teeken van jeugd!

Als dus je hoofdje wat helderder was,

Dan zou je begrijpen, mijn lieflijk juweel,

Je liefste maakt grappen … ergo is hij jong!

Anitra.

Ja, u is jong. Heeft u nog meer ringen?

Peer Gynt.

Ja, niet waar? Daar; neem! Als een bok kan ik springen!

Was hier wijnloof in de buurt, dan zou ’k mij bekransen.

Ja, waarachtig ben ’k jong! Hopsa! ’k Ga dansen!

(danst en zingt).

Ik ben een gelukkig haantje!

Pik mij, mijn lief kippetje![412]

Hei! Hop! Laat mij trippelen;…

Ik ben een gelukkig haantje!

Anitra.

U zweet er van, Profeet; ’k ben bang dat u zal smelten;…

Geef mij dat zware, dat aan uw gordel bengelt.

Peer Gynt.

Teedre bezorgdheid! Hoû de beurs maar voor goed;…

Zonder goud zijn minnende harten content!

(danst en zingt weer).

Jonge Peer Gynt is een dolleman;

Hij weet niet op welken voet hij zal staan.

Pah, zei Peer;… laat maar begaan!

Jonge Peer Gynt is een dolleman!

Anitra.

Verruklijk is ’t den Profeet te zien dansen!

Peer Gynt.

Profeet? Malligheid!… Laat ons van kleeren wislen!

Komaan! Trek uit!

Anitra.

Uw kaftan is te lang,

Uw gordel te wijd en uw kousen te nauw …

Peer Gynt.

Eh bien! (knielt neer).

Maar doe mij een groot verdriet,

Het is zoet te lijden, voor minnende harten!

Hoor, als wij aankomen in mijn slot,…

Anitra.

In uw Paradijs;… is dat héél ver weg nog?

Peer Gynt.

O, zoo wat duizend mijlen …!

Anitra.

Te ver!

Peer Gynt.

Je krijgt daar de ziel, die ik je eerst heb beloofd.

Anitra.

Veel dank, maar ik red mij wel zonder ziel.

Doch u vroeg om verdriet …

Peer Gynt (staat op).

Ja, bij mijn ziel!

Hevig, maar kort,… voor een dag of twee, drie!

Anitra.

Anitra volgt uw gebod!… Wees gegroet!

[413]

(Zij geeft hem een duchtigen slag met de karwats over zijn vingers en holt in vliegenden galop terug door de woestijn).

Peer Gynt (staat een tijdlang als door den bliksem getroffen).

Neen maar,… heb je nu toch ooit …!

Zelfde plaats. Een uur later.

Peer Gynt bedachtzaam en nadenkend, trekt zijn Turksche kleeren uit, stuk voor stuk. Het laatst haalt hij zijn reispetje uit zijn jaszak, zet het op, en staat weer in zijn Europeesche kleeding.

Peer Gynt (terwijl hij den tulband ver van zich afgooit).

Daar ligt de Turk dan, en hier sta ik!…

Die heidensche boel deugt ook al niet.

’t Was gelukkig, dat ’t mij alleen zat in de kleeren,

En niet diep tot in ’t merg was doorgedrongen …

Wat wou ik toch eigenlijk, vraag ik mij af?

Een mensch doet toch ’t best als een christen te leven,

Te versmaden het kleurige pauwenkleed,

Zijn doen te steunen op wet en moraal,

Zich zelf te zijn, en ten slotte te krijgen

Een toespraak aan ’t graf en een krans op de kist.

(doet eenige stappen).

Dat deerntje,… het scheelde zoo waar maar een haar,

Of door haar had ’k haast mijn verstand verloren.

’k Ben een kabouter als ik nòg recht begrijp

Wat het was, dat zóó me in de war gebracht heeft.

Nou goed: het is uit! Was één stap verder

De grap gegaan, was ’k belachlijk geworden.

’k Heb gefaald. Och ja;… maar het is toch een troost

Dat ik faalde als gevolg van mijn valsche positie.

Het was niet dezelfde persoon die nu viel.

Het is eigenlijk dat: als-profeet-moeten-leven,

Zoo gansch ontbloot van der werkzaamheid zout,

Dat nu zich met weeë smaakloosheid wreekte.

Een slechte betrekking profeet te zijn!

In dat beroep moet je zweven in wolken;…

Profetisch beschouwd heb je afgedaan

Zoodra als je optreedt nuchter en wakker.

In zoover heb ik de rol volgehouden,[414]

Juist door dat gansje aldus te huldigen.

Maar, dat laat niet na …

(barst in lachen uit).

O, als ik ’t bedenk!

Met trip’len en dansen mijn dagen vertreuz’len,

Zwemmen tégen den stroom al draaiend en kwisp’lend,

Kozen bij snarenspel, spelen en zuchten,

En eindigen als haan … met mij te laten plukken!

Voorwaar, mijn doen was profeetachtig dol …

Ja, plukken!… Jongens, wat bén ik geplukt;

Nou; iets hield ik gelukkig nog achter de hand;

Ik heb nog wat in Amerika, en wat in mijn zak;

Ben dus nog niet tot den bedelstaf gebracht.

En dit gemiddelde is in den grond het beste,

Nu ben ik niet afhanklijk van koetsier of paarden;

Ik heb niets te maken met koffers en karren;

Kortom, zooals ’t heet, ik beheersch de positie …

Welken weg moet ik kiezen? Vele staan mij nu open;

En de keus doet een dwaas van een wijze onderscheiden.

Mijn zakenmans-leven is ’n afgedaan hoofdstuk,

Mijn minnarij is een afgelegd jasje.

Tot den kreeftengang voel ik volstrekt geen lust:

“Heen en terug, het is even lang;

Er uit of er in, ’t is een zelfde gang,”…

Zoo staat er, meen ’k, in een geestig geschrift …

Dus weer iets nieuws; een verheffend werk,

Een doel, dat het geld en de moeite loont.

Mijn leven beschrijven, zonder iets te verbloemen …?

’n Boek, dienend tot wegwijzer, desnoods als voorbeeld …?

Of wacht …! ’k Heb den tijd gansch tot mijn beschikking …

Als ’k eens de begeerigheid van vroeger tijden,

Als een reizend geleerde ging bestudeeren …?

Ja waarlijk; dàt is nu net iets voor mij!

Kronieken las ik, toen ’k nog klein was,

En wetenschap heb ik ook later beoefend …

’k Zal volgen der menschheid oeroude baan!

’k Zal drijven op den stroom der historie als ’n veer,

Die weer doorleven, als in een droom,…

Der helden strijd zien, voor wat groot is en goed,…

Doch als toeschouwer maar, op een veilige plek,…

Zien denkers vallen, martelaars sneven,

Zien rijken stichten en rijken vergaan,…[415]

Zien wereldmomenten uit het kleine ontstaan …

Kortom, ’k wil de heele historie afroomen …

Ik moet zien mij een Becker aan te schaffen,

En chronologisch te reizen zoo ver ik kan komen.

’t Is waar … in geschiedenis ben ik niet sterk,

En hoe ’t in elkaar zit begrijp ik nooit recht.

Maar och! waar ’t uitgangspunt soms het gekst is,

Wordt dikwijls de oorspronklijkste uitkomst verkregen …

Hoe verheffend toch is ’t zich een doel te kiezen,

En alles te willen om dat te bereiken!

(stil aangedaan).

Losmaken, scheuren familiebanden,

Alles wat bindt aan magen en vrienden,…

In de lucht laten vliegen je geld en goed,

Zeggen zijn liefdegeluk goeden nacht,…

Alles om te vinden der waarheid mysterie..

(droogt een traan af).

Dat is het kenmerk van ’n waar onderzoeker!

’k Gevoel mij toch zoo bovenmatig gelukkig

Nú weet ik dan ’t raadsel van mijn bestemming.

Nu maar mij er doorslaan, door dik en dun!

’t Is wel te vergeven dat ik ’t hoofd hoog draag

En voel wat ik waard ben als man, Peer Gynt,

Ook wel genaamd de keizer van ’t leven …

De som van ’t verleden wil ik bezitten;

Nooit meer loopen der levenden wegen;…

Het heden is nog geen schoenzool waard;

Zonder merg of pit is der mannen gedoe:

Hun geest heeft geen vlucht, hun daden geen kracht;…

(haalt de schouders op).

En vrouwen,… dat ’s maar een poover geslacht!…

[416]

Zomerdag. Hoog boven in ’t Noorden. Een hut in ’t bosch in de bergen. Open deur met een groot houten slot. Een rendiergewei boven de deur. Een troep geiten bij den muur van de hut staande.

Een vrouw van middelbare jaren, blond en mooi, zit te spinnen buiten in den zonneschijn.

De Vrouw (werpt een blik op den weg beneden en zingt).

Misschien zullen winter en lente vergaan,

En zomer en herfst met stervende blaân …

Maar ééns zal je komen … mijn liefde gelooft!

En wachten zal ik … dat heb ik beloofd.

(lokt de geiten, spint en zingt weer).

God helpe je, waar je op aarde ook gaat,

God zegen je, als aan zijn voeten je staat!

Hier zal ik wachten van jaar tot jaar …

En wacht jij hier boven, dan vind ik je daar!

In Egypte. Morgenschemering. De Memnonszuil in het zand. Peer Gynt komt aanloopen en kijkt een oogenblik rond.

Peer Gynt.

Hier kon ik, gevoeglijk mijn tocht beginnen …

Dus nu ben ’k Egyptenaar voor de verandring;

Maar Egyptenaar, steunend op ’t Gyntsche ik;

Later denk ik dan naar Assyrië te gaan.

Te beginnen heelemaal met de schepping,

Zou enkel tijdverlies na zich slepen;…

’k Laat de bijbelsche historie er dus maar buiten,

Het spoor dáárvan vind ’k toch altijd terug;

En om, zooals ’t heet, ’t naadje van de kous te zoeken,

Ligt buiten mijn plan en buiten mijn kunnen.

(gaat op een steen zitten).

Nu ga ik wat rusten en wachten, geduldig,

Tot Memnon zijn morgenzang heeft voorgezongen.

Na ’t ontbijt ga ik dan de Pyramide beklimmen;

Heb ik tijd, ga ik later er ook nog eens binnen.

Dan over land naar de Roode Zee;

Misschien vind ik daar Koning Potifars graf …[417]

Dan ben ik Aziaat weer. In Babylon ga ’k zoeken

De wereldberoemde hangende tuinen,

Te weten, ’t voornaamste spoor van cultuur.

En dan met een sprong naar Troja’s muur.

Van Troja is er directe verbinding

Over zee, naar ’t heerlijke, oude Athene;…

Daar wil ’k op de plaats zelf, goed bezien

En berijden, den pas dien Leonidas dekte;…

Dan maak ’k mij vertrouwd met de beste filosofen,

Zoek het huis op, waar Socrates stierf als offer …;

Neen, ’t is waar ook,… daar wordt nu gevochten …!

Nou, dan moet ’t Hellenisme maar blijven liggen.

(kijkt op zijn horloge).

’t Is toch al te gek dat ’k zoo lang moet wachten

Vóór de zon opgaat. Mijn tijd is kort.

Dus ’t oude Troja;… daar kwam ik van daan …

(staat op en luistert).

Wat is dat voor een wonderlijk ruischen en suizen?

(Zonsopgang).

De Memnonzuil (zingt).

Uit Goddelijke asch verrijzen verjongende

Vogels, zingende.

Zeus, de Alwetende,

Schiep hen als strijdenden.

Wijsheidsuilen,

Waar slapen mijn vogels?

Gij moet sterven of raden

’t Gezongen raadsel!

Peer Gynt.

Waarachtig,… klonk het niet of daar kwam

Geluid uit de zuil! Dat was oudheidsmuziek.

Ik hoorde het stijgen der stem en het dalen …

Dit zal ik noteeren. Iets voor de geleerden.

(noteert in zijn zakboekje):

“De zuil zong. Ik hoorde duidlijk het geluid,

Doch verstond van het lied de woorden niet heel goed.

Het geheel was natuurlijk zinsbedrog.

Anders niets belangrijks opgemerkt van daag.”

(gaat verder).

[418]

Bij het dorp Gizeh. De groote, in de rotsen uitgehouwen sfinx. In de verte de torens en minarets van Kaïro.

Peer Gynt komt op; hij bekijkt de sfinx aandachtig, dan door zijn lorgnet, dan door de holle hand.

Peer Gynt.

Waar ter wereld heb ik toch vroeger gezien

Iets, dat mij herinnert aan dit model?

Want ’k héb ’t gezien ergens, in Noord of Zuid.

Was het een persoon? En zoo ja dan, wie?

Hij, Memnon, dat viel mij achterna in,

Leek op den ouden Kabouterkoning,

Zoo als hij zat daar, stijf en strak,

Zijn zitvlak rustend op stompe zuilen …

Maar hier, dit tweeslachtige wonderdier,

Deze kruising, zoo vreemd, van leeuw en vrouw,…

Zit mij dit ook uit een sprookje in ’t hoofd?

Of herinner ik ’t mij uit de werkelijkheid?

Uit een sprookje? Wacht, nu weet ik het weer!

’t Is Böjgen, zoo waar, dien ik sloeg op zijn kop,…

Dat ’s te zeggen, ik droomde … want ik lag te ijlen …

(komt nader).

Net dezelfde oogen; en dezelfde lippen;…

Niet zoo dof, de oogen, wat meer geslepen;

Maar verder in hoofdzaak vrijwel dezelfde …

Zoo, zoo, jij Böjg; je lijkt op een leeuw,

Als men je ziet van achtren en ontmoet over dag!

Kan je nog wel raden? Dat zal ’k eens probeeren.

Nu zal ’k eens zien of je weer antwoordt als laatst!

(roept tegen de sfinx).

Zeg, Böjg, wie ben je?

Een Stem (achter de sfinx).

Ach, Sfinx, wer bist du!

Peer Gynt.

Wat! De echo antwoordt in ’t Duitsch! Merkwaardig!

De Stem.

Wer bist du?

Peer Gynt.

En spreekt het daarbij uitstekend!

Die opmerking is van mij en nieuw.

(noteert in zijn zakboekje:)

“Echo in ’t Duitsch. Dialect van Berlijn.”

[419]

Begriffenfeldt (komt van achter de sfinx te voorschijn).

Een mensch!

Peer Gynt.

Ah zoo! ’t Was hij die sprak.

(noteert weer:)

“Kwam tot een ander besluit naderhand.”

Begriffenfeldt (onder allerlei zenuwachtige gebaren).

Mijnheer, excuseer …! Een levensvraag …!

Wat voert u op heden juist hierheen?

Peer Gynt.

Een bezoek. Ik begroet een vriend uit mijn jeugd.

Begriffenfeldt.

Wat? De sfinx …?

Peer Gynt.

Is een kennis uit vroeger tijd.

Begriffenfeldt.

Verbazend … En dat na dezen nacht!

Mijn voorhoofd hamert! Ik vrees dat ’t zal barsten!

Kent u de sfinx? Antwoord! Spreek! Kan u zeggen

Wat zij is?

Peer Gynt.

Wat zij is? Ja, dat kan ik glad;

Zij is zich zelf.

Begriffenfeldt (opspringend).

Ha, de oplossing flitste

Als ’n bliksemschicht daar!… Inderdaad? Weet u ’t vast?

Zich zelf?

Peer Gynt.

Ja, dat zei zij mij ten minste.

Begriffenfeldt.

Zich zelf! ’t Uur der omwenteling naakt!

(neemt zijn hoed af).

O, uw naam, bitte sehr?

Peer Gynt.

Peer Gynt, met verlof.

Begriffenfeldt (met stille bewondering).

Peer Gynt! Allegorisch! Dat was te verwachten …

Peer Gynt! Dat wil zeggen: de onbekende,…

De komende, wiens komst mij verkondigd was …

[420]

Peer Gynt.

Och, waarlijk? En komt u mij hier nu afhalen …?

Begriffenfeldt.

Peer Gynt! Diepzinnig! Raadselvol! Scherp!

Ieder woord is een bron van diepe wijsheid!

Wat is u?

Peer Gynt (bescheiden).

’k Heb altijd getracht te wezen

Mij zelf. En ovrigens, hier is mijn pas.

Begriffenfeldt.

Alweer dat raadselvolle woord op den bodem!

(grijpt hem bij den pols).

Naar Kaïro! Der navorschers keizer is gevonden!

Peer Gynt.

Keizer?

Begriffenfeldt.

Kom!

Peer Gynt.

Ben ik waarlijk bekend …?

Begriffenfeldt (terwijl hij hem meetrekt).

Der navorschers keizer … op grondslag van het zelf!

In Kaïro. Een groote binnenplaats met hooge muren, omgeven door gebouwen. Getraliede vensters; ijzeren kooien.

Drie oppassers op de binnenplaats. Een vierde komt op.

De Komende.

Schafmann, zeg eens, waar is de directeur?

Een Oppasser.

Van morgen heel vroeg al uitgereden.

De Eerste.

’k Geloof dat hem iets aakligs is overkomen;

Want van nacht …

De Tweede.

Sst, wees stil; hij is daar aan de deur!

(Begriffenfeldt leidt Peer Gynt binnen, sluit de deur en steekt den sleutel in zijn zak).

Peer Gynt (in zich zelf).

In waarheid, een uiterst begaafde man;[421]

Bijna al wat hij zegt gaat boven mijn begrip.

(kijkt rond).

Dus dit hier is de geleerden-club?

Begriffenfeldt.

Hier zijn ze allen, de heele troep;…

Een zeventig navorschers en geleerden,

Sedert kort nog tot honderd en drie vermeerderd …

(roept tegen de oppassers).

Michel, Schlingelberg, Schafmann, Fuchs,…

Gauw in je kooien, een, twee, drie!

De Oppassers.

Wij?

Begriffenfeldt.

Wie anders? Vooruit! vooruit!

Draait rond de wereld, dan draaien wij mee.

(dwingt ze in een kooi).

Van daag is hij gekomen, de groote Peer;…

De rest kan je wel begrijpen,… ik zeg verder niets meer.

(sluit de kooi af en gooit den sleutel in een put).

Peer Gynt.

Maar, waarde heer dokter en directeur …?

Begriffenfeldt.

Niets van dat alles! Dat ben ik niet meer …

Mijnheer Peer, kan u zwijgen? Ik moet mij uiten …

Peer Gynt (in toenemende onrust).

Wat is er?

Begriffenfeldt.

Beloof dat u niet zal beven.

Peer Gynt.

’k Zal mijn best doen …

Begriffenfeldt (trekt hem in een hoek en fluistert).

De volstrekte rede

Is gistren gestorven precies om elf uur.

Peer Gynt.

God bewaar me …!

Begriffenfeldt.

Ja, dat is uiterst bedroevend,

En dubbel onaangenaam in mijn positie,

Want dit huis werd tot op dit uur nog beschouwd

Als een gekkenhuis.

[422]

Peer Gynt.

Wat! Als een gekkenhuis!

Begriffenfeldt.

Nu niet meer, begrijpt u!

Peer Gynt (bleek en zachtjes).

Nú herken ik de plaats wel!

En gek is die man;… en niemand weet het!

(tracht weg te komen).

Begriffenfeldt (volgt hem).

Ik hoop ovrigens dat u mij heeft begrepen?

Als ik zeg: zij is dood, dan is dat schijn.

Zij ging van haar zelve … is uit haar vel gesprongen,…

Net precies als deed wijlen Münchhausens vos.

Peer Gynt.

Een oogenblik maar …

Begriffenfeldt (houdt hem vast).

Neen, het was als een aal;…

Niet als een vos. Door het oog stak een naald;

Zij spartelde hevig …

Peer Gynt.

Waar vind ik een uitweg!

Begriffenfeldt.

Om haar hals heen een snee en, rits! naar beneden!

Peer Gynt.

Hij ’s gek! Volslagen krankzinnig nu!

Begriffenfeldt.

Eén ding is klaar, en laat zich niet verbloemen …

Dit van-zich-zelf-gaan zal ten gevolge hebben,

Een heelen omkeer te land en te zee.

De personen, die vroeger krankzinnig heetten,

Zijn gistren avond normaal geworden,

Overeenkomstig ’t verstand in zijn nieuwe phase.

En kijkt men dan verder de zaak goed aan,

Dan volgt dus, dat juist op datzelfde uur

De zoogenaamd wijzen begonnen te razen.

Peer Gynt.

U noemde ’t woord uur; mijn tijd is kort …

Begriffenfeldt.

Uw tijd? ’t Is goed dat u daarvan spreekt!

(opent een deur en roept).

Er uit! Nu breekt aan de nieuwe tijd!

De rede is dood. Leve Peer Gynt!

[423]

Peer Gynt.

Maar, mijn goede man …!

(De krankzinnigen komen allengs naar buiten de binnenplaats op).

Begriffenfeldt.

Goêmorgen! Komt hier!

Begroet der bevrijding morgenrood!

Uw keizer staat vóór u!

Peer Gynt.

Keizer?

Begriffenfeldt.

Gewis.

Peer Gynt.

Maar de eer is zoo groot, zoo gansch buitensporig …

Begriffenfeldt.

Ach, laat alle valsche bescheidenheid varen

In ’n uur als dit …

Peer Gynt.

Ja, maar gun mij toch tijd …!

Neen, ik deug er niet voor; ik ben glad versuft al!

Begriffenfeldt.

Een man, die gehoord heeft der sfinx opinie?

Die zichzelf is?

Peer Gynt.

Daar zit juist de knoop, ja.

Ik ben mijzelf in allen deele;

Maar hier, zoover ’k begrijp, hier moet

Men buiten zichzelf zijn, om zoo te zeggen.

Begriffenfeldt.

Wat? Buiten zichzelf? Neen, daar tast u mis!

Hier is men zichzelf juist zonder genade,

Volstrekt zichzelf, zonder ook maar iets anders;

Men zeilt als zichzelf, vlak voor den wind.

In ’t vat van zijn ik bergt een ieder zich op;

In eigen gisting duikt hij naar den grond,…

En sluit zich hermetisch met de prop van zijn ik;

En dicht het hout in de bron van zijn ik.

Niemand heeft tranen voor andermans smarten,

Niemand gedachten voor andermans denken.

Ons zelf, dat zijn wij in geest en geluiden,

Ons zelf, tot den uitersten rand van de springplank …

En dus, moet er keizer hier iemand worden,[424]

Is u voor den troon onze ware man.

Peer Gynt.

Ik wou dat de duivel …!

Begriffenfeldt.

Maar goeden moed!

Haast alles op aarde is nieuw in ’t begin.

“Zichzelf”;… kom, hier zal ’k een voorbeeld u toonen,

Ik kies maar het eerste het beste dat ’k zie …

(tegen een sombere gedaante).

Goêndag, Hoehoe! Wel, loop je, mijn zoon,

Nog altijd maar rond in droefheids gewaad?

Hoehoe.

Kan ik anders, als mijn volk steeds

Onvertolkt, vergeten sterft? (tegen Peer Gynt).

U is vreemdling; wil u hooren?

Peer Gynt (buigt).

’t Zal me een eer zijn!

Hoehoe.

Goed dan, luister …

Als een bloemkrans, ver in ’t Oosten,

Ligt de Malabaarsche kuststreek.

Hollanders en Portugeezen

Hebben daar gebracht beschaving.

Bovendien zijn daar nog massa’s

Van de echte Malabaren.

Zij, die onze taal verknoeiden,

Zijn nu meester van het land daar;

Maar in lang vervlogen tijden

Heerschte daar de Orang-oetan.

Hij was heer van ’t bosch en meester;

Vrij mocht hij daar dooden, brullen.

Ongetemd natuurvoortbrengsel

Groeide en gaapte hij als zoodanig.

Onbelemmerd mocht hij schreeuwen;

Hij was in zijn rijk de heerscher …

Maar toen kwam het juk der vreemden

Onze oerwoudstaal verwarren.

’n Nacht van viermaal honderd jaren

Sloopte Orang-oetan’s krachten;

En men weet, zoo lange nachten

Houden alle ontwikling tegen.

’t Oergeluid van ’t woud verstomde[425]

En men hoorde niet meer brommen;…

Zullen wij gedachten uiten

Moeten wij dat doen met woorden.

Welk een dwang voor alle standen!

Hollanders en Portugeezen,

Kleurlingen en Malabaren,

Alles was het even lastig …

’k Heb beproefd er voor te vechten,

Voor onze oerwoudstaal, de echte,…

’t Arme lijk te doen herleven,…

’t Recht van ’t volk op schreeuwen steunend,…

Zelf geschreeuwd, en aangetoond ook

’t Nut er van in volksgezangen …

Doch geen mensch waardeert mijn pogen …

Mijn verdriet zal u begrijpen.

Dank, dat u naar mij wou luistren;…

Weet u raad, laat mij dien hooren!

Peer Gynt (zachtjes).

Geschreven staat er: men moet huilen

Met de wolven, die in ’t bosch zijn.

(luid).

Waarde vriend, ik meen te weten

Dat er in Marokko’s bosschen

Nog zijn Orang-oetantroepen,

Levend zonder tolk of zangen;

Hun geluid klonk Malabarisch!

’t Ware mooi en exemplarisch,

Als u nu, als andre grooten,

Daarheen trok, uw volk ten bate …

Hoehoe.

Dank, dat u naar mij wou luistren!

Ik zal doen wat u mij aanraadt.

(met een plechtig gebaar).

’t Oosten heeft zijn tolk verstooten!

Orang-oetans heeft het Westen! (Af).

Begriffenfeldt.

Nu wàs hij zichzelf? Dàt zou ik meenen.

Van zichzelf is hij vol, en alleen van dat ééne.

Hij ’s zichzelf in alles wat hij van zich geeft,

Zichzelf juist krachtens zijn ván-zichzelf-zijn.

Kom hier! Nu zal ’k u een ander wijzen,

Sedert gistren niet minder behoorlijk verstandig.

[426]

(tegen een Fellah die een mummie op zijn rug draagt).

Koning Apis, verheven heer, hoe gaat het?

De Fellah (woest tegen Peer Gynt).

Ben ’k koning Apis?

Peer Gynt (schuift achter den dokter).

Ik moet helaas bekennen

Dat ’k niet ben op de hoogte der omstandigheden.

Maar ’k geloof toch, als ’k mag afgaan op den toon, dat …

De Fellah.

Nu lieg jij ook!

Begriffenfeldt.

Laat uwe Hoogheid vertellen,

Hoe dan de zaken staan.

De Fellah.

Dat zal ik u zeggen.

(wendt zich tot Peer Gynt).

Zie je hem, dien ik hier op mijn rug draag?

Koning Apis was eens zijn naam.

Nu draagt hij den naam van mummie,

En is dan ook heelemaal dood.

Hij bouwde de Pyramiden,

Beeldhouwde de groote sfinx,

En streed, zooals zegt de dokter,

Met de Turken, rechts en links.

En daarom heeft heel Egypte

Als ’n God hem geprezen hier,

En vereerd hem in al zijn tempels

In de afbeelding van een stier …

Maar ik ben die koning Apis,

Dat ’s zoo zeker als ’k hier sta;

En als je dat niet begrijpt nog,

Dan zal je ’t zien weldra.

Koning Apis, die was op de jacht eens,

En steeg even af, de held,

En ging een oogenblik zitten

Terzijde, op mijn voorvaders veld.

Maar ’t veld dat de koning bemestte,

Dat voedde mij met zijn graan;

En eischt iemand meer bewijzen,

’k Toon onzichtbare horens hem aan.

En is ’t dan voor mij niet wanhopig[427]

Dat niemand erkent mijn macht!

’k Ben Apis naar recht van geboorte,

Maar word als Fellah veracht.

Kan een goeden raad je mij geven

O, doe het dan, zonder bedrog;…

Wat moet ik doen om te worden

Als Apis, de Groote, nu nog?

Peer Gynt.

Uw Hoogheid bouw’ Pyramiden,

Beeldhouwe een groote sfinx,

En strijde, als zegt de dokter,

Met de Turken, rechts en links.

De Fellah.

Ja, dat is een prachtig praatje!

Een Fellah! Zoo’n kale luis!

’k Heb mijn handen vol om mijn hut vrij

Te houden van ’t rattengespuis.

Ga, man,… ga, zoek naar wat beters,

Wat groot maakt, geeft rust mij terug!

En daarbij geheel mij gelijk maakt

Aan Apis, den held, op mijn rug!

Peer Gynt.

Als dan Uw Hoogheid zich ophing,

En daarnà in der aarde schoot,

Zich binnen de grenzen der doodkist

Ook hield als volslagen dood?

De Fellah.

Dat zal ik! Een strop voor mijn leven!

Aan de galg dan met mijn huid …

Aanvanklijk maakt ’t eenig verschil wel;

Maar dat slijt mettertijd wel uit.

(gaat heen en maakt toebereidselen om zich op te hangen).

Begriffenfeldt.

Dat was een persoonlijkheid, mijnheer,…

Een man met methode …

Peer Gynt.

Jawel, dat zie ’k …;

Maar hij doet het waarachtig! God zij ons genadig!

Ik word duiz’lig;… ’k voel in mijn hoofd al verwarring!

Begriffenfeldt.

Een overgangstoestand; dat duurt maar kort.

[428]

Peer Gynt.

Een overgang? Wat? Excuseer … ik moet weg …

Begriffenfeldt (houdt hem vast).

Is u krankzinnig?

Peer Gynt.

Nog niet … God bewaar me!

(Alarm. De minister Hoessein dringt vooruit door de menigte).

Hoessein.

Men zegt dat hier een keizer is gekomen van daag?

(tegen Peer Gynt)

Is u dat?

Peer Gynt (wanhopend).

Ja, dat ’s een uitgemaakte zaak!

Hoessein.

Goed … Hier zijn stukken die antwoord eischen.

Peer Gynt (grijpt zich in ’t haar).

Heisa! Goed zoo; hoe doller hoe beter!

Hoessein.

Wil u mij de eer doen mij in te doopen? (buigt diep).

Ik ben een pen.

Peer Gynt (buigt nog dieper).

En ik, als u ziet,

Een verfrommeld keizerlijk perkament.

Hoessein.

Mijn geschiedenis, heer, is kortweg dit:

Mij houdt men voor ’n zandkoker en ’k ben een pen.

Peer Gynt.

En de mijne, heer pen, kan ’k ook u vertellen …

’k Ben een vel wit papier en werd nooit nog beschreven.

Hoessein.

Waar ik voor dien, kunnen de menschen niet begrijpen;

Allen willen mij gebruiken om zand uit te strooien!

Peer Gynt.

Ik behoorde aan een vrouw, als boek met zilver slot;…

Wees wijs of wees gek, dat ’s alleen maar een drukfout!

Hoessein.

Denk eens: welk een leven van lijden,

Pen te zijn en nooit ’t genot van een mes te smaken!

Peer Gynt (maakt een sprong).

Denk eens: een rendier zijn; springen van boven;…

Aldoor vallen,… nooit grond voelen onder zijn hoeven!

[429]

Hoessein.

Een mes! Ik ben stomp;… laat snijden en splijten mij!

De wereld vergaat, als men ’t mes er niet in zet!

Peer Gynt.

’t Waar’ zonde van de wereld, die, als meest eigen werk,

Door onzen-lieven-Heer zoo goed gelukt werd gevonden.

Begriffenfeldt.

Ziehier een mes!

Hoessein (grijpt het).

O, wat zal ’k de inkt opslurpen!

Wat een wellust zich te snijden.

(snijdt over zijn keel).

Begriffenfeldt (wijkt op zij).

Niet zoo spatten!

Peer Gynt (in stijgenden angst).

Houdt hem vast!

Hoessein.

Houd mij vast! Dat is het woord!

Houd! Houd de pen vast! Papier op de tafel …! (valt neer).

Nu ben ’k verbruikt. Onthoud dat: dit is ’t naschrift:

Hij leefde en hij stierf als een vastgehouden pen!

Peer Gynt (wankelend).

Wat moet ik …! Wat ben ik? Gij groote, houd mij vast!

’k Ben al wat gij wilt … een Turk, een zondaar,…

’n Kabouter …; maar help!… er was iets dat brak …!

(schreeuwt).

Ik weet niet meer hoe gij heet, zoo gauw!…

Help mij … gij toevlucht voor alle dwazen!

(valt flauw).

Begriffenfeldt (met een krans van stroo in de hand, gaat met een sprong schrijlings boven op hem zitten).

Ha, kijk hoe hij in ’t stof zich hoog houdt!…

En van zichzelf is …! Hij zij gekroond!…

(drukt hem den krans op het hoofd en roept uit:)

Lang leve de keizer van het zelf!

Schafmann (in de kooi).

Es lebe hoch der grosse Peer

EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.

[430]

[Inhoud]
VIJFDE BEDRIJF.
Aan boord van een schip in de Noordzee, bij de kust van Noorwegen. Zonsondergang. Stormachtig weer.

Peer Gynt, een krachtig oud man, haar en baard zilvergrijs, staat achter op het dek. Hij is half-en-half als zeeman gekleed, met een jekker en hooge laarzen. Zijn kleeren zien er wat versleten en afgedragen uit; hij zelf verweerd en met een hardere uitdrukking in zijn gezicht. De kapitein van het schip aan het roer bij den stuurman. Het scheepsvolk verder vooruit.

Peer Gynt (leunt met de armen op de reeling en tuurt naar de kust).

Kijk daar de Halling in winterkleed,…

Hij tooit zich, de oude, met ’t avondrood.

Schuins achter hem staat de Jökel, zijn broer;

Die heeft nog zijn groenen ijsmantel om.

De Folgefaan is al bizonder fijn,…

Ligt als een jonkvrouw in lichtenden schijn.

Weest toch geen dwazen, oude jongens!

Blijft waar je staat maar, granieten kerels!

De Kapitein (roept naar voren).

Twee man aan ’t roer,… en lantarens uit.

Peer Gynt.

Een stijve bries!

De Kapitein.

Er komt storm van nacht.

Peer Gynt.

Kan je van zee uit den Ronden zien?

[431]

De Kapitein.

Neen, dat kan niet;… hij ligt achter den gletscher.

Peer Gynt.

Of Blaahö?

De Kapitein.

Ook niet; maar boven in de ra’s

Zie je bij mooi weer den Galdhöpig.

Peer Gynt.

Waar ligt nu Haartejgen?

De Kapitein (wijst).

Daar, zoo wat.

Peer Gynt.

Juist, ja.

De Kapitein.

U is hier naar ’t schijnt bekend.

Peer Gynt.

Toen ik wegtrok uit ’t land, voer ik hier voorbij;

En ’t aanzetsel, zegt men, hangt ’t langst in den pot.

(spuwt en tuurt naar de kust).

Daarginder, waar ’t waast, blauw, in scheer en kloof,…

Waar de bergspleet donkert, nauw als een groef,

En onderlangs, aan de open fjord,…

Dáár wonen óók nog menschen, zegt men.

(kijkt den kapitein aan).

Zij bouwen ver uit elkaar hier.

De Kapitein.

Ja.

Er is ruimte en afstand van huis tot huis.

Peer Gynt.

Zijn wij binnen voor daglicht?

De Kapitein.

Zoo ongeveer,

Als de nacht niet àl te bar wordt, althans.

Peer Gynt.

In ’t westen broeit wat.

De Kapitein.

Dat doet ’t, ja.

Peer Gynt.

Stop!

Herinner ’r mij aan, als wij afreeknen straks …

Ik ben van plan ’t met het scheepsvolk … zooals men zegt …

“Goed te maken”…

[432]

De Kapitein.

Ik dank u!

Peer Gynt.

O, ’t is maar weinig;

Goud heb ik gegraven en verloren wat ik vond;…

’t Fatum en ik zijn geen vrienden meer;

U weet wat ’k u hier te bewaren gaf.

Dat is ’t overschot;… de rest nam de duivel mij af.

De Kapitein.

Het is meer dan genoeg om vertoon te maken

Bij de menschen daarginds.

Peer Gynt.

Ik heb geen familie.

Geen mensch verwacht er den rijken booswicht …

Nou,… dan ben ik ook vrij van herrie bij mijn aankomst.

De Kapitein.

Daar is de bui al.

Peer Gynt.

Daar heb je ’t, ja …

Heeft één van de mannen ’t bizonder noodig,

Dan zie ik zoo nauw niet op ’n paar centen.

De Kapitein.

Dat ’s royaal. De meesten hebben ’t maar arm;

Allen hebben een vrouw en kindren thuis.

Alleen met hun loon, is ’t armoe troef;

Maar brengen ze soms nog wat extra’s mee,

Wordt het weerzien een nooit te vergeten feest.

Peer Gynt.

Wat zegt u? Hebben zij vrouw en kindren?

Zijn ze getrouwd?

De Kapitein.

Wis en drie! Allemaal …

Wie ’t slechtst er aan toe is, dat ’s wel de kok;

Bij hem thuis heerscht bittre honger en armoe.

Peer Gynt.

Getrouwd? Hebben thuis iemand die wacht?

Die blij is als zij komen? Wat?

De Kapitein.

Jawel,…

Op armelui’s manier.

Peer Gynt.

En als zij er dan zijn,[433]

Wat dan?

De Kapitein.

Ik denk dat de vrouw dan eens opschept

Wat lekkers, zoo’n enklen keer …

Peer Gynt.

En licht op tafel?

De Kapitein.

Misschien wel twee; en een slokje bij ’t eten.

Peer Gynt.

En dan zitten zij daar bij de kachel, gezellig?

Met kindren om zich heen? En in huis een leven

Dat niemand verstaat wat de andren vertellen,…

Is dat hun feestvieren, zeg …?

De Kapitein.

Dat kon wel gebeuren;

En daarom zou ’t royaal zijn, wat u daar straks

Beloofde, te doen.

Peer Gynt (slaat op de reeling).

Waarachtig niet!

Houdt u mij voor den gek? Denkt u dat ik afschuif

Om andermans kindren te plezieren?

’k Heb zuur genoeg zwoegend mijn geld verdiend.

Niemand verwacht er den ouden Peer Gynt.

De Kapitein.

Nu, zooals u wil; uw geld behoort u.

Peer Gynt.

Juist! ’t Is van mij, en het is niet heel veel.

Uw nota, zoodra u het anker laat vallen!

Passage van Panama als kajuitspassagier,

En ’n borrel voor het scheepsvolk. Verder niets meer;

Als ik meer geef, mag u mij doodslaan, kapitein!

De Kapitein.

’k Heb u kwitantie te geven, geen slaag;…

Maar pardon; nu wordt de bries een storm.

(Hij loopt naar het voordek. Het is donker geworden; in de kajuit wordt licht opgestoken. De zee wordt woelig. Mist en zware wolken).

Peer Gynt.

Thuis een troep wilde bengels hebben;…

In ’t aandenken van andren als ’n vreugde leven;…

Door hun gedachten gevolgd op hun weg …

Er is geen mensch die ooit denkt eens aan mij …[434]

Licht op tafel? Dat zal ’k beletten!

Ik zal wat bedenken …! Ik maak hen stomdronken;…

Geen een van de kerels komt nuchter aan land.

Zat zullen ze komen bij vrouw en kinderen!

Vloeken zullen ze! Beukend slaan op de tafel,

Bang maken die wachten, dat ze beven van angst!

De vrouw zal schreeuwen en ’t huis uit vluchten;

De kindren mee! Alle vreugd zal ik dooden!

(Het schip slingert hevig; hij wankelt en heeft moeite zich staande te houden).

Nou, dat heet je slingren naar behooren.

De zee werkt of ze er voor betaald wordt;…

Het is nog hetzelfde langs de kust hier in ’t Noorden;…

Dwarsdrijvend de zee, altijd woest nog en nijdig … (luistert).

Wat is dat voor een kreet?

De Wacht (vooruit).

Een wrak aan lei!

De Kapitein (midscheeps, kommandeerend).

’t Roer hard stuurboords! Dicht voor den wind!

De Stuurman.

Is er volk op ’t wrak?

De Wacht.

’k Onderschei er drie!

Peer Gynt.

Zet toch een boot uit!…

De Kapitein.

Die was gauw gezonken.

(gaat naar voren).

Peer Gynt.

Wie denkt aan zoo iets?

(tegen sommigen van het volk).

Als je kerels bent

Helpt dan! Wat hindert het of je een nat pak haalt …

De Bootsman.

’t Is niet te doen bij zoo’n hooge zee.

Peer Gynt.

Zij roepen weer! De wind gaat ruimen …

Kok, durf je ’t wagen? Kom, ik betaal je …

De Kok.

Neen, al gaf u mij twintig pond sterling …

[435]

Peer Gynt.

Ouwe wijven! Lafbekken! Kan je vergeten

Dat het menschen met vrouw en kindren thuis zijn?

Die zitten te wachten …

De Bootsman.

Geduld houdt vroolijk.

De Kapitein.

Zandbank … afhouden!

De Stuurman.

’t Wrak is gezonken.

Peer Gynt.

Het werd plotseling stil …?

De Bootsman.

Als ’t getrouwde lui waren

Dan zijn er drie nieuwbakken weeuwen meer nu.

(Het stormweer wordt heviger. Peer Gynt gaat naar het achterdek).

Peer Gynt.

Er is geen geloof onder de menschen meer,…

Geen christendom, zoo, als ’t geleerd en geschreven is,…

Goed doen ze weinig, en bidden nog minder,

En letten niet op de geweldige machten …

In een weer als van nacht, is God soms gevaarlijk.

De kerels moesten oppassen, denken, wat waar is,

Dat ’t gevaarlijk is te spelen met olifanten;…

En dan maken ze ruzie met hem, waarachtig!

Ik heb geen schuld; de offerschaal heeft,

Ik kan ’t bewijzen, mijn geld ontvangen.

Maar wat geeft mij dat nu?… Men zegt zoo wel eens:

Op een goed geweten is ’t heerlijk rusten;

Och ja, dat houdt wel steek op den drogen grond,

Maar beteekent waarachtig geen lor aan boord,

Waar ’n fatsoenlijk man onder schurken vertoeft.

Op zee kan je nooit je zelf goed wezen;

Je moet mee met de andren van ’t dek naar den kelder;

Slaat de ure der wrake voor bootsman of kok,

Dan word ik met de bende ook meegesleept;…

Je eigen verdienste wordt in ’t geheel niet geteld,

Je bent niet meer waard dan een worst in den slachttijd …

De fout is dat ik te vroom ben geweest.

En ondank is nu mijn loon voor alles.

Was ik jonger, dan keerde ik misschien nog om,[436]

En probeerde eens een tijd den baas te spelen.

Wel, ik heb nog den tijd! In ’t dorp zal men zeggen:

Peer kwam terug als een groote meneer!

De hoeve wil ’k weer hebben, het ga hoe het ga;…

Het huis verbouw ik, het zal schittren als een slot.

Maar niemand krijgt toegang of komt er binnen!

Ze zullen staan voor de deur en bakzeil halen;…

Beedlen en smeeken,… dat mogen ze vrij;

Maar niemand krijgt een enkle shilling van mij;…

Moest het lot mij onder zijn zweepslag doen huilen,

Dan vind ik er wel, die ’k op mijn beurt slaan kan …

De Vreemde Passagier (staat in ’t donker naast Peer Gynt en groet vriendelijk).

Goên avond!

Peer Gynt.

Goên avond! Wat …? Wie is u?

De Vreemde Passagier.

Ik ben uw medepassagier, om te dienen.

Peer Gynt.

Zoo, ja? Ik dacht dat ik de eenige was.

De Vreemde Passagier.

Dat was een dwaling, die is nu voorbij.

Peer Gynt.

Maar zonderling toch dat ’k van avond eerst

U hier zie …

De Vreemde Passagier.

Ik kom overdag niet buiten.

Peer Gynt.

Is u misschien ziek? U ziet wit als een laken …

De Vreemde Passagier.

Neen, dank u,… ik voel mij volkomen wel.

Peer Gynt.

Het stormt hard.

De Vreemde Passagier.

Ja, gezegend, man!

Peer Gynt.

Gezegend?

De Vreemde Passagier.

De golven zijn huizenhoog.

Het is om er van te watertanden!

Bedenk wat een wrakken de nacht zal maken;…

En hoeveel lijken zullen drijven aan land!

[437]

Peer Gynt.

Lieve God!

De Vreemde Passagier.

Zag u nooit iemand hangen,

Gestikt,… of verdronken?

Peer Gynt.

Nu wordt het te erg …

De Vreemde Passagier.

Lijken lachen. Maar hun lach is gedwongen;

En de meesten hadden liever hun tong afgebeten.

Peer Gynt.

Schei nu toch uit!…

De Vreemde Passagier.

Nog een enkle vraag!

Als wij bijvoorbeeld stootten op grond …

En zonken …

Peer Gynt.

Denkt u dat er gevaar is?

De Vreemde Passagier.

Ik weet waarlijk niet welk antwoord te geven.

Doch, gesteld dat ik drijf en u zinkt naar den grond …

Peer Gynt.

Och, onzin …

De Vreemde Passagier.

Ik stel het als mooglijkheid maar.

Maar staat men met éénen voet in het graf,

Wordt men zacht, en geeft graag nog milde gaven …

Peer Gynt (tast in den zak).

O, geld dus!

De Vreemde Passagier.

Neen; maar och, wees u zoo goed

Mij uw hoog vereerd kadaver te schenken?

Peer Gynt.

Dat gaat toch te ver!

De Vreemde Passagier.

Alleen ’t lijk maar, begrijpt u;

’t Is voor de wetenschap …

Peer Gynt.

Nu is ’t genoeg!

De Vreemde Passagier.

Ik bid u, bedenk,… de zaak is voordeelig!

Ik open uw lichaam en toon het der wereld.[438]

Voornaamlijk wil ’k zoeken den zetel der droomen …

En overigens kritisch ’t geheel onderzoeken …

Peer Gynt.

Pak u weg!

De Vreemde Passagier.

Och kom,… een verdronken mensch …

Peer Gynt.

Ga weg, heiligschenner! U roept ’t onweer op!

Het is toch te erg, met storm en regen

Een woeste zee en allerlei teekens

Van iets, dat ons een kop kleiner kan maken,

Doet u alles als ’t ware om ’t uit te lokken!

De Vreemde Passagier.

U is niet gestemd voor verdre onderhandling;…

Maar och, de tijd brengt dikwijls verandring …

(groet vriendelijk).

’k Zie u weer bij ’t zinken, zoo al niet eer!

Misschien is u dan in een beter humeur.

(gaat de kajuit binnen).

Peer Gynt.

Griezelige kerels, die wetenschap’lijke lui!

Zulke vrijdenkers toch …

(tegen den bootsman die langs hem komt).

Zeg eens, die man …

Die andre passagier? Wat is dat voor een snuiter?

De Bootsman.

Ik weet niet dat er een andre is dan u.

Peer Gynt.

Geen andre? Nu wordt het hoe langer hoe gekker.

(tegen het jongmaatje dat uit de kajuit komt).

Wie ging daar de kajuit in?

Het Jongmaatje.

De scheepshond, meneer!

(gaat verder).

De Wacht (roept).

Land vlak vooruit!

Peer Gynt.

Mijn koffer! Mijn geld!

Mijn bagage aan dek!

De Bootsman.

’r Is wel wat anders te doen.

[439]

Peer Gynt.

’t Was maar gekheid, kaptein! ’k Zei ’t maar voor de grap;…

Ik beloof ’t u vast, ’k geef wat aan den kok …

De Kapitein.

Kluiffok gebroken!

De Stuurman.

En de fokkemast ook.

De Bootsman (roept vooruit).

Land voor den boeg!

De Kapitein.

Wij zijn er bij!

(Het schip stoot. Leven en verwarring).

Aan de kust, tusschen klippen en branding. Het schip vergaat. In den mist ziet men onduidlijk de sloep met twee man. Een stortzee doet die omkantelen; men hoort een kreet; daarna een poos alles stil. Dan komt de omgekeerde boot aandrijven.

Peer Gynt duikt op, dicht bij de boot.

Peer Gynt.

Help! Boot van land! Help! Ik verga!

Help mij, o God,… als zegt uw woord!

(klampt zich vast aan de kiel).

De Kok (duikt op aan den anderen kant).

Och, lieve Heer,… och sta mij bij!

Mijn arme kindren! Stuur me aan land!

(houdt zich aan de kiel vast).

Peer Gynt.

Los!

De Kok.

Los!

Peer Gynt.

Ik sla!

De Kok.

Ik sla terug!

Peer Gynt.

’k Verpletter je! Ik trap je dood!

Laat los! De kiel draagt geen twee man!

[440]

De Kok.

Dat weet ik! Weg!

Peer Gynt.

Weg jij!

De Kok.

Jawèl!

(Zij vechten; de kok bezeert zijn eene hand; hij klampt zich vast met de andere).

Peer Gynt.

Doe weg die knuist!

De Kok.

Om Godswil toch!

Denk aan mijn vrouw en kindren thuis!

Peer Gynt.

Dan komt mij eerder ’t leven toe,

Want ik laat nog geen kindren na.

De Kok.

U heeft geleefd al; ik ben jong!

Peer Gynt.

Weg; gauw wat! Zink;… je wordt te zwaar.

De Kok.

Genade! Laat mij, in Godsnaam!

Om u wordt door geen mensch getreurd …

(schreeuwt en laat los).

’k Verdrink …!

Peer Gynt (grijpt hem vast).

Ik hou je bij je kraag;

Bid gauw je Onze-Vader nog!

De Kok.

Ik weet niet meer …; ’t wordt alles zwart …!

Peer Gynt.

’t Voornaamste dan maar … haast je wat …

De Kok.

Geef ons van daag!

Peer Gynt.

Sla over dat;

Je krijgt wel wat je noodig hebt.

De Kok.

Geef ons van daag …

Peer Gynt.

Dezelfde deun!

’t Is merkbaar … altijd was je kok … (laat hem glippen).

[441]

De Kok (zinkend).

Geef ons van daag ons … (zinkt weg).

Peer Gynt.

Amen, man!

Je was en bleef tot ’t eind je zelf …

(werkt zich boven op de kiel).

Waar leven is, daar is nog hoop …

De Vreemde Passagier (slaat de hand aan de boot).

Goêmorgen!

Peer Gynt.

Hoei!

De Vreemde Passagier.

Ik hoorde uw roep!

’t Doet mij plezier dat ’k u toch vond.

Wel? Ziet u dat ’k voorspellen kan?

Peer Gynt.

Los! Los! ’k Heb nauwlijks plaats alleen!

De Vreemde Passagier.

Ik zwem wel met mijn linkerbeen.

Ik drijf, al houd ik maar den top van

Mijn vinger hier, in deze gleuf vast.

Maar à propos van ’t lijk …

Peer Gynt.

Wees stil!

De Vreemde Passagier.

Als ’t nu dan toch ten einde loopt …

Peer Gynt.

Mond houden!

De Vreemde Passagier.

Net zooals u wil! (stilte).

Peer Gynt.

Nou … èn …?

De Vreemde Passagier.

Ik zwijg.

Peer Gynt.

Wat Satanswerk!…

Wat wil je?

De Vreemde Passagier.

Wachten.

Peer Gynt (grijpt zich in ’t haar).

Ik word gek!…[442]

Wat ben je?

De Vreemde Passagier (knikt).

Vriendlijk!

Peer Gynt.

Wat nog meer?

De Vreemde Passagier.

Wat denkt u? Weet u iemand anders

Die op mij lijkt?

Peer Gynt.

Den duivel weet ik …!

De Vreemde Passagier (zachtjes).

Brengt hij gewoonlijk dan nog licht aan

Op ’s levens weg door angst en donker?

Peer Gynt.

Wel ja! Als ’t er op aankomt is

U mooglijk wel een lichtgezant?

De Vreemde Passagier.

Vriend,… heeft u elk halfjaar maar éénmaal

Den diepen ernst van angst gevoeld?

Peer Gynt.

Bang wordt men als gevaren dreigen;…

Maar opgeschroefd vind ik uw woorden …

De Vreemde Passagier.

Viel u te beurt één keer in ’t leven

De zege, in den angst gegeven?

Peer Gynt (kijkt hem aan).

Komt u mij met een uitweg aan?

Dat had u eerder moeten doen.

Het lijkt naar niets uw tijd te kiezen

Als ik op ’t punt ben te verdrinken.

De Vreemde Passagier.

U steunt meer op een overwinning,

Gezellig bij uw haardvuur zittend?

Peer Gynt.

Mij wel … maar hou die gekheid voor u.

Denkt u dat die opwekkend zijn kan?

De Vreemde Passagier.

Waar ik van daan kom, geldt een lach

Net zooveel als verheven taal.

Peer Gynt.

Een ieder ’t zijn’, wat past voor mindren,

Mag ’n bisschop zich niet permitteeren.

[443]

De Vreemde Passagier.

En zij, wier asch rust in de urnen

Gaan ook niet altijd op kothurnen.

Peer Gynt.

Ga weg, jij spooksel! Weg die hand!

Ik wil niet sterven! Wil aan land!

De Vreemde Passagier.

Wees maar gerust! Zoo midden in

De vijfde akte sterft men niet.

(glijdt weg).

Peer Gynt.

Daar kwam ’t er uit ten slotte nog!…

’t Was een zwaarwichtig moralist.

Kerkhof in een hoog gelegen berggehucht. Een begrafenisstoet. De priester en het volk. Het laatste psalmvers wordt gezongen. Peer Gynt gaat er langs over den weg.

Peer Gynt (bij het hek).

Daar gaat een landsman onder den grond.

God lof en dank dat ik ’t niet ben.

(gaat het hek binnen).

De Priester (spreekt aan het graf).

En nu, terwijl zijn ziel ten hemel stijgt,

En ’t lichaam als een leeg omhulsel ligt,…

Nu, lieve vrienden, zij een woord gezegd

Van ’t leven van dien doode, hier op aard’.

Hij was niet rijk, en ook niet heel verstandig.

Zijn stem was zwak, zijn optreden onmanlijk.

Zijn meening sprak hij slap en weiflend uit,

En nauwlijks was hij baas in eigen huis;

In ’t kerkje kwam hij stil, verlegen binnen,

Als vroeg hij of, als andren, hij mocht zitten.

Uit ’t Gudbransdal, gij weet ’t, was hij gekomen.

Toen hij hier kwam, was hij nog haast een knaap;

En tot op ’t laatst, gij weet het vast nog wel,

Hield hij zijn rechterhand steeds in zijn jaszak.

De rechterhand verstopt,… dat was het kenmerk …

Dat ’t beeld van dezen man onthouden deed,

En daarbij dat gedrukte, die verlegen

Teruggetrokkenheid, bij ’t binnen gaan.[444]

Hoewel hij liefst maar stil zijn eigen weg ging

En ook een vreemdling bleef hier onder ons,

Toch weet gij wel, hoe hij het ook verborg,

Dat aan die hand vier vingers nog maar waren.

Ik weet nog goed, dien morgen, lang geleên,

Toen er te Lunde keuring werd gehouden.

Het was in oorlogstijd. In aller mond was

De nood van ’t land en wat te wachten stond.

Ik was er ook. Breed voor de tafel zat

De kapitein met ambt’naar en sergeanten;

En de eene knaap na d’andere werd gemeten,

Gekeurd, en ingeschreven als soldaat.

Vol was ’t vertrek, en buiten voor de ramen

Klonk van het jonge volk luidruchtig lachen.

Een naam werd afgeroepen. ’n Nieuwe kwam,

Die bleek zag, doodlijk wit, als gletschersneeuw.

Men wenkte hem; hij naderde de tafel,

De rechterhand gewikkeld in een doek;…

Hij hijgde, slikte, hapte naar zijn woorden,

Maar kon niet spreken, schoon men ’t hem gebood.

Toch eindlijk nog; en toen, de wangen gloeiend,

Half staamlend, stotterend en dan weer snel,

Vertelt hij van een sikkel, die uitschietend,

Hem had glad afgekapt den éénen vinger.

’t Werd in de kamer doodlijk stil.

Men keek elkander aan; kneep dicht den mond;

Men steenigde den knaap met stomme blikken.

Hij voelde ’t wel, maar dorst niet op te kijken.

De kapitein stond op, oud, grijs en stram;…

Hij spuwde, wees de deur hem, zeggend: ga!

En hij ging heen. Men week naar beide kanten,

Dat ’t was of hij spitsroeden loopen moest;…

Eens buiten, ging hij ijlings aan den haal;…

Naar boven nu,… òp, tusschen rots en struiken,

Op, tusschen losse steenen, rollend, stortend …

Hoog boven in ’t gebergte lag zijn woning …

Een half jaar later was het toen hij hier kwam

Met moeder, zuigling en aanstaande vrouw.

Hij pachtte ’n stukje land, dat braak lag ginds,

Daar, waar de grens is van de groote hei.

Hij trouwde toen zoo gauw als ’t doenlijk was;

Hij bouwde een hut; hij brak den harden grond;[445]

Hij kwam vooruit, wat menig stukje land

Getuigde, golvend als een gele zee;…

Ter kerke kwam hij met de hand verborgen,…

Maar ongezien en thuis, daar werkten wel

Die negen vingers ruim zoo hard als tien …

Een voorjaarsvloed eens sleepte alles weg.

Hun leven redden zij. Toen arm en naakt,

Toog hij opnieuw aan het ontginningswerk.

En vóór het najaar, steeg alweer de rook

Op meer beschutte plek, uit ’n nieuwe hut.

Beschut? Voor ’t water, ja … niet voor lawinen;

Twee jaar daarna lag ze onder sneeuw bedolven,

Doch moedig bleef de man, en onverschrokken;

Hij ruimde en hakte, hij groef steenen uit,…

En vóór in ’t volgend jaar de eerste sneeuw viel

Stond daar ten derde maal zijn huis gebouwd.

Drie zoons had hij, drie flinke, sterke jongens;

Die moesten schoolgaan en de school was ver.

Om van zijn huis te komen op den landweg,

Moest men een rotskloof door, heel nauw en steil,

Wat deed hij toen? De oudste moest zich redden

Zoo goed als ’t ging,… waar ’t pad werd àl te steil,

Sloeg hij een touw om ’t kind om het te steunen;…

De andre twee droeg hij op arm en rug.

Zoo streed hij jaar op jaar; zij groeiden op.

Kreeg hij nu dank, die hem wel toekwam toch?

Drie rijke heeren in de nieuwe wereld

Vergaten ’t Noorsche bergland en hun vader.

Hij had geen ruimen blik. Van wat er buiten

Zijn naaste omgeving was, kon hij niets zien.

Geen zin had het voor hem, wat ons als klokken,

Sonoor van klank, tot diep in ’t harte dringt.

Volk, vaderland, ’t verhevene, het hooge,

Stond als in mist gehuld voor ’t oog zijns geestes.

Maar hij was needrig, needrig deze man;

En van dien keuringsdag af droeg hij ’t oordeel,

Zoo zeker als het schaamrood op zijn wang,

En zijn vier vingers, in zijn zak verborgen.

Een schender van de wet des lands? O, ja!

Maar er is iets dat uitschijnt boven wetten,

Zoo wel als ginds dier toppen blanke tent

Heeft wolken en daar boven uit weer toppen.[446]

Slecht burger was hij. En voor kerk en staat

Onvruchtbaar hout. Maar hier, op ’t hooge veld,

In zijn familiekring, waar hij zijn arbeid zag,

Dáár was hij groot, omdat hij was zichzelf!

Zijn ingeschapen klank bleef zich gelijk;

Gedempt van toon, dat was zijn heele leven.

En daarom: vrede zij u, stille strijder,

Die kampte en viel in kleinen boerenstrijd!

Wij willen hart en nieren niet doorgronden;

Dat is geen werk voor ons, maar voor den Schepper;…

Doch vast en vrij durf ik de hoop uitspreken:

Die man zal voor zijn God niet als verminkt staan!

(De menschen van den stoet gaan uiteen en weg. Peer Gynt blijft alleen achter).

Peer Gynt.

Kijk dat, dat noem ik nu Christendom!

Volstrekt niets dat iemand griezelig aandoet …

Ja, ’t thema; zichzelf te wezen onwrikbaar,…

Waar heel de preek zich omheen bewoog,…

Is op zichzelf alleen al opbouwend.

(kijkt in het open graf).

Was hij het misschien, die zich daar verminkte

Toen ik in ’t bosch was aan ’t boomen vellen?

Wie weet? Stond ik hier niet met mijn stok

Aan den rand van ’t graf van dien geestverwant,

Kon ik denken dat ik het was, die sliep

En hoorde, als waar-gedroomd, mijn lof …

Inderdaad, ’t is een christelijk mooi gebruik,

Welwillend den blik nog te laten gaan

In herinring over des dooden leven.

Ja, zelf zou ’k wel mijn lot willen hooren

Den volke verhaald door dien waardigen man.

Nou, het kan licht nog een poosje duren,

Eer de doodgraver komt en mij noodigt te gast;…

En, als de Schrift zegt: beter is best,…

En eveneens: alle leed op zijn tijd,…

En verder: leen voor je begraafnis geen geld …

De kerk blijft toch maar je ware troost.

’k Heb er vroeger zooveel niet aan gehecht;…

Nu voel ik toch hoeveel goed het doet,

Door kundige menschen te hooren verzeekren:

Wat iemand zaait, dat zal hij ook oogsten …[447]

Zichzelf moet hij wezen; om zich en ’t zijne

Moet hij zich bekomren in ’t groote en ’t kleine.

Loopt ’t hem niet mee, dan blijft hem de eer toch

Dat hij zijn leven naar de leer wist te richten …

Nu huiswaarts! Valt moeilijk en steil ook de weg,

Laat ’t lot toch lang nog maar met mij spotten;…

Oude Peer Gynt gaat zijn eigen weg,

En blijft wie hij is altijd: arm maar braaf.

(af).

Een berghelling met het uitgedroogde bed van een beek. Een ingestorte molen aan de beek; opengebarste grond, verwoesting rondom. Hoogerop een groote hoeve.

Boven, op de hoeve, wordt publieke verkooping gehouden. Veel menschen zijn er bijeen. Drinken en lawaai. Peer Gynt zit beneden op een puinhoop dicht bij den molen.

Peer Gynt.

Heen en terug, het is even lang;

Er in of er uit, ’t is een zelfde gang;…

De tijd verwoest, de beek is verdroogd.

Ga buitenom, zei Böjgen;… dat doe ’k dus ook.

Een Man-in-de-rouw.

Nu is er niets dan rommel meer …

(krijgt Peer Gynt in het oog).

Zijn hier nog vreemden ook? God zegen je, vriend!

Peer Gynt.

Insgelijks! Het gaat vroolijk toe hier van daag.

Is hier een doopfeest, of wordt bruiloft gevierd?

De Man-in-de-rouw.

Ik zou ’t liever noemen een inwijdingsfeest.

De bruid, die ligt in een wormenkast.

Peer Gynt.

En de wormen vechten om ’t lekkere beetje.

De Man-in-de-rouw.

Dat is ’t einde van ’t lied; daarmee is het uit.

Peer Gynt.

Alle liedjes eindigen eender;

En allemaal zijn ze oud; ik kende ze al als knaap.

Een Twintigjarige (met een gietlepel).

Kijk nu eens hier, wat ik heb gekocht!

Hierin goot zijn zilvren knoopen Peer Gynt!

[448]

Een Tweede.

En ik dan! Een geldschepper voor een schelling!

Een Derde.

Is dat al? Vijfd’half voor ’n marskramers-randsel!

Peer Gynt.

Peer Gynt? Wie was dat?

De Man-in-de-rouw.

Ik weet alleen

Dat hij zwager van Aslak was en van den dood.

Een-man-in-’t-grijs.

Vergeet je nu mij? Ben je dronken, zeg?

De Man-in-de-rouw.

Vergeet jij dat ’r op Haegstad ’n blokhuisdeur was?

Die-in-’t-grijs.

Ja, ja; maar jij was nooit erg kieschkeurig.

De Man-in-de-rouw.

Als zij nu den dood maar niet bij den neus neemt …

Die-in-’t-grijs.

Een borrel, zwager! Op ons zwagerschap!

De Man-in-de-rouw.

De duivel je zwager! Dat ’s dronkenmanstaal …

Die-in-’t-grijs.

Och, gekheid; ons bloed is nog niet zoo verdund,

Je voelt je toch altijd verwant aan Peer Gynt.

(gaat met hem weg).

Peer Gynt (zachtjes).

Ik ontmoet nog kennissen.

Een Jongen (roept den man-in-de-rouw na).

Als je weer drinkt,

Dan komt moeder uit haar graf je nog halen, Aslak!

Peer Gynt (staat op).

Hier is niet van pas ’t woord van den agronoom:

Hoe meer men omgraaft, hoe beter het riekt.

Een Jongen (met een berenvel).

De kat van Dovre! Alleen maar het vel, kijk!

Dat was ’t wat kabouters weg joeg, met Kerstmis!

Een Tweede (met een rendierschedel).

Hier is het wilde rendier, dat eens

Peer Gynt droeg over den Gendinskam.

[449]

Een Derde (met een hamer, roept tegen den man-in-de-rouw).

Heidaar, Aslak! Ken je dien hamer?

Heb je dien niet gebruikt om die noot te kraken?

Een Vierde (met leege handen).

Mads Moën, dit ’s de mantel die onzichtbaar maakt!

Daarmee vloog Peer Gynt met Ingrid de lucht in!

Peer Gynt.

Brandewijn, jongens! Iets dat mij wat opwekt …!

Nu ga ik eens wat ouden rommel veilen!

Een Jongen.

Wat heb je te koop dan?

Peer Gynt.

Ik heb een slot,…

Dat ligt in den Ronden; ’t is stevig ommuurd.

De Jongen.

Een knoop geboden!

Peer Gynt.

Er mag ’n borrel op staan.

Minder te bieden zou schande zijn.

Een Tweede.

Hij is moppig, de oude!

(De menschen komen om hen heen staan).

Peer Gynt.

Grane, mijn klepper,

Wie biedt er?

Een-uit-den-hoop.

Waar loopt hij?

Peer Gynt.

In ’t Westen,

Ver van hier, jongens! Die draver kan rennen,

Zoo gauw, zoo gauw, als Peer Gynt maar kon liegen.

Stemmen.

Wat heb je nog meer?

Peer Gynt.

Zoowel lorren als goud!

’t Is gekocht met verlies! ’k Verkoop het met schâ.

Een Jongen.

Roep op!

Peer Gynt.

Van een kerkboek een droom!

Die ’s voor een kromme vischhaak te koop.

[450]

De Jongen.

Naar den duivel met droomen!

Peer Gynt.

Mijn keizerrijk!

Dat gooi ik te grabb’len; je moogt vechten er om!

De Jongen.

Is de kroon er bij?

Peer Gynt.

Van het prachtigste stroo.

Die past d’eersten den besten, die ze zet op zijn hoofd.

Hier is nog meer! Een windei, kijk!

Een grijs haar van ’n gek! Een profetenbaard!

Alles krijgt hij, die mij toont op den berg

Den wijzer met opschrift: hier loopt de weg!

De Ambtenaar (die er bijgekomen is).

Mijn goede man, als dat lang nog zoo duurt,

Kan het zijn dat je weg regelrecht in arrest voert.

Peer Gynt (met zijn hoed in de hand).

Best mooglijk. Maar zeg mij, wie was Peer Gynt?

De Ambtenaar.

Geen gekheid …

Peer Gynt.

Pardon! Ik meen het in ernst!…

De Ambtenaar.

Och, ze zeggen hij was een afschuwelijk dichter …

Peer Gynt.

Een dichter …?

De Ambtenaar.

Ja, al wat sterk was en groot,

Dat stelde hij voor alsof hij ’t had gedaan.

Maar permitteer,… ik heb andre plichten … (af).

Peer Gynt.

En waar is hij nu, die merkwaardige man?

Een Oudere Man.

Hij trok over zee naar een ver, vreemd land,

Daar ging het hem slecht, als men wel had verwacht …

En jaren geleden hing men hem op.

Peer Gynt.

Gehangen? Ja, juist, dat dacht ik wel;

Wijlen Peer Gynt bleef tot ’t laatst zich gelijk. (groet).

Gegroet,… en vriendelijk dank voor van daag!

(gaat enkele schreden verder maar blijft weer staan).

[451]

Zeg, vroolijke jongens en mooie meisjes,…

Zal ik, op mijn beurt, je nu een verhaal doen?

Verscheidenen.

Ja, weet je er een?

Peer Gynt.

Dan is het in orde …

(Komt nader; er glijdt als een vreemde uitdrukking over zijn gezicht).

In San-Francisco groef ik naar goud.

Heel de stad was van kermisvolk vol.

Eén kon viool spelen met zijn teenen;

Eén danste een Spaanschen dans op zijn knieën.

Een derde, hoorde ik, maakte verzen

Terwijl men zijn hersenkas doorboorde.

Daar kwam ook de duivel met zijn kunsten;…

Wou zien, als zoovelen, wat te verdienen.

Zijn kunst was dit: op bedrieglijke wijs

Te kunnen knorren als een werklijke big.

Zijn persoonlijkheid trok, hoewel onbekend.

’t Huis was propvol, de verwachting was groot.

Hij kwam òp in een mantel met zwierende slippen;

Men moet zich “drapiren”, als zeggen de Duitschers.

Maar onder dien mantel, wat niemand wist …

Was ’t hem gelukt te verstoppen een big.

En nu kon de voorstelling dan beginnen.

De duivel kneep en de big gaf geluid dan.

’t Geheel werd gegeven als een fantazie

Over ’t bestaan van de big, gevangen en vrij;

Tot slot een schreeuw, als onder ’t slagersmes;…

Waarna dan de artist buigend groette en ging …

’t Geval werd door vaklui besproken heel druk;

De toonaard gelaakt, zoowel als geroemd;

Het stemgeluid klonk toch te dun, vond de één;

Een ander den doodsschreeuw te veel bestudeerd;…

Maar allen waren het daarover eens: als geknor

Was de prestatie bepaald overdreven …

Kijk, zoo ging ’t den duivel, omdat hij dom was,

En met zijn publiek geen rekening hield.

(Hij groet en gaat heen. Een weifelend zwijgen overvalt de menigte).

[452]

Pinksteravond. In het groote bosch. Verder weg, op een stuk ontgonnen land, een hut met een rendiergewei boven den gevel.

Peer Gynt kruipt door het hout en zoekt wilde uien.

Peer Gynt.

Dit hier is een standpunt. Waar is ’t volgende?

Onderzoek alles, en kies dan het beste.

Zoo deed ik ook;… van af keizer Caesar

Tot in de diepte naar Nebukadnezar,

Zoo moest ik nu toch heel den bijbel doorwerken.

De oude kwam weer bij zijn moeder terecht.

Er staat immers ook: uit stof zijt gij geboren …

Waar ’t op aankomt in ’t leven, is je pens te vullen.

Met uien te vullen? Dat lijkt mij niet bijster;…

Ik zal liever sluw zijn en strikken zetten.

Hier is weer water, dorst zal ik niet lijden;

Onder wilde dieren geld ik als nommer één nog.

Als ik eens dood ga,… wat ook wel gebeurt …

Dan kruip ik onder ’n omgewaaiden boom;

En dek,… als een beer … mij toe met dorre blaren,

En snijd in den bast met heel groote letters:

Hier rust Peer Gynt, die brave kerel,

Keizer van alle andere dieren,…

Keizer?

(lacht in zichzelf).

Jij waarzegger, oude dwaas!

Je bent geen keizer; je bent een ui.

Nu zal ’k je eens schillen, mijn waarde Peer!

Het helpt niets of je al huilt of smeekt.

(neemt een ui en schilt laag voor laag af).

Daar ligt de gehavende buitenste huid,

De schipbreukeling op de kiel van de jol.

De passagiershuid hier, schraal en dun;…

Heeft in haar smaak toch iets weg van Peer Gynt.

Daar onder weer zit de goudgravers-ikheid;

Het sap is er uit … als ’t er ooit in geweest is.

Die dikke huid hier, met die harde slip,

Is de pelsjager aan de Hudsons-baai.

Dat daaronder lijkt op een kroon … dank je wel!

Dat gooien wij zonder praatjes maar weg.[453]

Hier d’oudheidsnavorscher, kort, maar krachtig.

En hier de profeet, kersversch en sappig.

Hij stinkt, als geschreven staat, naar leugens,

Dat een eerlijk man tranen krijgt in de oogen.

Dit huidje, dat week en slap zich laat rollen,

Is ’t heertje, dat lui en lekker geleefd heeft.

Dat nu komt lijkt wel ziek. Het heeft zwarte strepen;…

Zwart kan beteeknen priesters en negers.

(plukt er verscheidene tegelijk af).

Wat een verbazende massa lagen!

Komt nu de kern niet voor den dag haast?

(plukt de heele ui kapot).

Neen, nog altijd niet! Tot ’t allerbinnenste

Zijn ’t allemaal huidjes,… al kleiner en kleiner …

De natuur is geestig!

(gooit de overblijfselen weg).

Vervloekt dat gezanik!

Ga je aan het denken, kom je slecht te pas soms.

Nou, ik heb althans van gevaar niets te vreezen,

Want ik lig hier stevig op handen en voeten.

(krabt zich in den nek).

’n Wonderlijk stel, de heele boel toch!

’t Leven als men zegt, heeft een vos achter de ooren;

Maar grijpt men er naar, gaat heer vos aan den haal,

En men vangt dan wat anders,… of ook niemendal.

(hij is de hut genaderd, krijgt ze in het oog en schrikt).

Die hut daar? In ’t pijnbosch …! O!

(wrijft zich de oogen).

’t Is mij net

Of ik eens aan dat bouwwerk kennis had …

’n Rendierschedel, die prijkt aan den gevel …?

Een zeemeermin, half visch, half vrouwmensch …!

Leugens! Geen zeemeermin!… Spijkers,… planken,…

’n Slot dat afsluit kaboutergedachten …!

Solvejg (zingt in de hut).

Nu is hier voor ’t Pinksterfeest alles bereid.

Mijn lieve jongen, zoo ver, ver weg …

Je komt toch, zeg?

Heb je een zware vracht,

Gun je dan tijd;…

Je weet dat ik wacht …

Dat heb ik gezeid.

[454]

Peer Gynt (staat op, stil en doodsbleek).

Een, die getrouw bleef,… en een, die vergat …

Een, die bewaard heeft,… en een, die verloor …

O, ernst!… En nooit is ’t over te doen!

O, angst!… Hier lag mijn keizerrijk!

(loopt het bosch in).

Nacht. Pijnbosch. Een boschbrand heeft gewoed. Verkoolde boomstammen mijlen ver. Witte nevels hier en daar over den boschgrond hangend.

Peer Gynt loopt haastig door het bosch.

Peer Gynt.

Asch en stof en witte dampen,…

Al genoeg bouwstoffen hier!

Stank en rottend loof van binnen,

Saâm te mets’len tot een graf.

Schijn, droom, doodgeboren weten,

Daarmee wordt het geplaveid dan;

Overwelfd, door ’t werk, als koepel,

Waarvoor leugens treden vormen.

Vlucht voor ernst, afkeer van boete,

Als een wapenschild er boven …

Prijkt er met de oordeelswoorden:

Petrus Gyntus Caesar fecit!

(luistert).

Wat een schreien!—kinderstemmen?

Schreien, dat op zingen lijkt …

Voor mijn voeten rollen kluwen …!

(schopt er naar).

Weg! Je hindert mij in ’t gaan!

De Kluwen (op den grond).

Wij zijn gedachten;

Ons moest je denken;…

Trippelvoetjes

Moest je ons schenken!

Peer Gynt (loopt er om heen).

’t Leven schonk ik er aan één;…

’t Werd een leelijk, kreupel wicht!

[455]

De Kluwen.

Wij moesten stijgen

Als trillende stemmen,…

Nu moeten wij rollen

Als grauw-garen kluwen.

Peer Gynt (struikelt).

Kluwen! Jij vervloekte deugniet!

Wou jij vader beentje lichten?

(vlucht).

Verwelkte Blâren (vliegen in het rond).

Wij zijn een leuze,

Die moest je voeren.

Zie hoe de asch ons

Jammerlijk scheurde.

’n Worm doorknaagde ons

Iedere vezel;

Nooit mochten wij vormen

Een krans om vruchten.

Peer Gynt.

Niet voor niet was je ontstaan toch;…

Ligt maar stil en dient voor mest nog.

Een Suizen-in-de-lucht.

Wij zijn gezangen;

Ons moest je zingen!…

Duizende malen

Heb je gesmoord ons.

Diep in je ziel eens

Lagen en wachtten wij;…

Nooit riep je óp ons.

Gif in je keel nu!

Peer Gynt.

Gif in jou, jij dwaas gezang!

Had ik tijd voor lied en zang?

(slaat zich door het kreupelhout heen).

Dauwdroppels (druppelen van de takken).

Wij zijn tranen,

Die je niet stortte.

IJskorst, die open rijt,

Konden wij smelten.

Nu zit het ijs vast

Om ’t hart gevroren;[456]

Dicht is de wond nu;

En wij zijn machtloos.

Peer Gynt.

’k Heb gehuild in ’t slot van Ronden,…

En toch kreeg ik daar een staart aan!

Gebroken Halmen.

Wij zijn daden,

Die moest je volbrengen;

Twijfel, de moordende,

Knakte en kloofde ons.

Aan ’t einde der dagen

Komen wij allen

Om je aan te klagen,…

Dan krijg je ’t loon!

Peer Gynt.

Schurkenstreken! Durf je schrijven

Op mijn schuldboek ’t negatieve?

(ijlt weg).

Aase’s Stem (ver weg).

Foei, wat een voerman!

Ach, je hebt me omgegooid!

Sneeuw viel den heelen dag;…

Kwaad heeft die mij gedaan …

Mis ging de heele rit.

Peer, waar is ’t slot nu?

Verlokt heeft de duivel je

Met den stalbezemsteel!

Peer Gynt.

’t Best doe ’k mij maar weg te pakken.

Moet ’k bij al mijn zonden ook nog

Die des duivels voortaan dragen,

Dan zal ik wel gauw bezwijken.

(haastig af).

Een ander gedeelte van het bosch.

Peer Gynt.

Een doodgraver! Waar zit je, kerel?

Gezang uit balkende kostermonden;

Een rouwfloers, gebonden om mijn hoed.

Ik heb vele dooden; die begraaf ik nu!

[457]

De Knoopengieter (met een kist met gereedschappen en een grooten gietlepel, komt van een zijweg).

Goên avond, oude!

Peer Gynt.

Van ’t zelfde, man!

De Knoopengieter.

’t Schijnt dat je haast hebt. Waar gaat het heen?

Peer Gynt.

Naar ’t kerkhof.

De Knoopengieter.

Zoo? Ik zie niet heel goed,…

Vraag excuus,… heet jij bij geval ook Peer?

Peer Gynt.

Peer Gynt, is mijn naam.

De Knoopengieter.

Wel, dat noem ik geluk!

Peer Gynt is het juist, dien ’k moet halen van daag.

Peer Gynt.

Moet je? Wat wil je dan?

De Knoopengieter (wijst op zijn gietlepel).

Kijk maar eens hier;

’k Ben knoopengieter. En jij moet hierin.

Peer Gynt.

Waarvoor?

De Knoopengieter.

Om opgesmolten te worden.

Peer Gynt.

Gesmolten?

De Knoopengieter.

Hier, hij is leeg en geschuurd.

Je graf is gegraven, je kist gereed.

Je lichaam is voor de wormen bestemd;…

Maar ik heb order, om, zonder dralen,

Op last van mijn Meester je ziel te halen.

Peer Gynt.

Onmooglijk! Zoo zonder vooraf iets te zeggen …!

De Knoopengieter.

’t Is een oud gebruik bij geboorte en bij sterven

In stilte den dag voor het feest te kiezen,

En den held van het feest niets vooruit te zeggen.

[458]

Peer Gynt.

Zeer zeker. Mijn hoofd draait mij wel een beetje.

Je bent dus …?

De Knoopengieter.

Je hoorde ’t toch:… knoopengieter.

Peer Gynt.

Begrepen! Veel namen heeft ’t lieve kindje.

Zoo zoo, Peer, kom je dus daar te belanden!

Maar dit, goede vriend, is geen eerlijk spel!

Ik weet dat ik beet’re behandling verdien;…

Ik ben niet zoo slecht als je denkt misschien,…

Heb hier op aarde ook wel goeds gedaan;…

Op zijn ergst kan men een domkop mij noemen,…

Maar volstrekt niet zoo’n bizonder groot zondaar.

De Knoopengieter.

Neen, dáár zit ook juist de knoop, mijn vriend;

Je bent ook geen zondaar in hoogeren zin;

En daarom ontkom je dan ook aan de hel,

En komt in mijn lepel, als zoovelen meer.

Peer Gynt.

Noem ’t zooals je wilt,… lepel of hel;

Brown stout of ale, ’t is allebei bier.

Weg Satan!

De Knoopengieter.

Je bent toch niet zoo onbeleefd

Om te denken dat ’k loop op een paardevoet?

Peer Gynt.

Op paardevoet of vosseklauw,…

Pak je weg! En let op wat je doet!

De Knoopengieter.

Goede vriend, je verkeert in een groote dwaling.

Wij hebben allebei haast, en om tijd te sparen

Zal ik je grondig de zaak verklaren.

Je bent, als je zelf daareven gezegd hebt,

Niet wat men noemt een waarlijk groot zondaar;

Op z’n best middelmatig …

Peer Gynt.

Kijk, nu begin je

Verstandig te praten …

De Knoopengieter.

Ja … wacht nog even;

Maar je deugdzaam te noemen, zou wat te ver gaan …

[459]

Peer Gynt.

Daar maak ik ook heelemaal geen aanspraak op.

De Knoopengieter.

Dus zoo tusschenbeiden, zoo om en bij.

Een zondaar van ’t echte voorname slag

Vindt men tegenwoordig niet zoo langs den weg;

Daar hoort wat meer toe dan ploetren in vuil;

Echte zonde eischt ernst, echte zonde eischt kracht.

Peer Gynt.

Ja, dat ’s waarachtig een juiste bewering;

Je moet er op los gaan als de oude Vandalen.

De Knoopengieter.

Jij, evenwel, nam de zonde licht op.

Peer Gynt.

Uitwendig maar, man, als een vuile vlek.

De Knoopengieter.

Nu worden wij ’t eens. De zwavelpoel

Is niet voor jullie, die ploetert in ’t vuil …

Peer Gynt.

En dus, goede vriend, kan ’k vrij weer heengaan?

De Knoopengieter.

Neen, dus wordt je opgesmolten, man.

Peer Gynt.

Wat is dat voor een streek, die je hebt bedacht

Hier thuis, terwijl ik in ’t buitenland was?

De Knoopengieter.

’t Gebruik is zoo oud als de slang en haar wording,

En berekend om waardeverlies te voorkomen.

Je kent toch het handwerk,… weet wel dat vaak

Een gietsel mislukken kan, en niets meer waard is;

Soms worden het knoopen zonder oog.

Wat zou jij doen?

Peer Gynt.

’k Gooide ’t gietsel weg.

De Knoopengieter.

Jawel; Jon Gynt verstond ook dat kunstje,

Zoo lang er nog geld was in geldkist en zak.

Maar, Meester, zie je, die is heel spaarzaam;

En daardoor is hij ’n welgesteld man.

Hij gooit ’t minste niet weg, als geheel ondeugdlijk,

Zoo het als grondstof nog valt te gebruiken.

Jij was bedoeld als een blinkende knoop[460]

Op ’t vest van de wereld; maar ’t oog hield niet.

Daarom moet ’k je nu met het uitschot smelten,

Om, zooals ’t heet, òp te gaan in de massa.

Peer Gynt.

Je bedoelt toch niet mij met Jan, Piet en Klaas

Samen op te smelten, weer tot iets nieuws?

De Knoopengieter.

Ja, dat is inderdaad juist mijn plan.

Dat hebben we al zoo vaak gedaan.

In Kongsberg doen zij hetzelfde met de munten,

Waar de stempel van afsleet door ’t lange rollen.

Peer Gynt.

Maar dat ’s toch een gemeene schraperij!

Beste vriend, hoor eens, laat mij nu vrij!…

Een knoop zonder oog, een versleten stuk geld,…

Wat is dàt nu voor iemand in je Meesters positie?

De Knoopengieter.

O, hoe dan ook, als de geest er nog in is,

Heeft als metaal iemand altijd nog waarde.

Peer Gynt.

Neen, zeg ik! Neen! Met hand en tand

Zal ik mij verzetten. Alles liever dan dat!

De Knoopengieter.

Maar wàt dan anders? Wees toch verstandig,

Je bent toch niet luchtig genoeg voor den hemel …

Peer Gynt.

’k Ben bescheiden; mijn streven gaat niet zoo hoog;

Maar van mij zelf geef ik niets af.

Laat mij straffen op de oude manier, volgens recht!

Zet mij een tijdlang bij hem-met-de-hoef,…

Een honderd jaren, als ’t niet minder kan;

Kijk, dat is iets wat iemand kan dragen;

Want de pijn is toch enkel maar moreel

En dus ook wel niet zoo pyramidaal.

Het is een overgang, zooals er staat,

En zooals de vos zei:… men wacht dan; eens slaat

Het uur der verlossing; men trekt zich terug,

En hoopt maar intusschen op betere dagen …

Maar dat andere,… óp te moeten gaan

In een vreemd, onverschillig lichaam, als damp,…

Die gietlepel-manier, dat oplossen van Gynt,…

Dat brengt in oproer mijne heele ziel!

[461]

De Knoopengieter.

Maar, waarde Peer, hoe kom je er bij

Zoo’n drukte te maken voor een kleinigheid.

Je bent nooit vroeger je zelf geweest;…

Wat hindert ’t dan nu of je heelemaal sterft?

Peer Gynt.

Ben ik nooit geweest …? Nu moet ik toch lachen!

Peer Gynt is wat anders geweest dus? Och kom!

Neen, Knoopengieter, je praat in den blinde.

Kon je doorzoeken mijn hart en mijn nieren,

Dan vondt je daar Peer, en nog eens Peer.

En stellig niets anders en ook niet veel meer.

De Knoopengieter.

Dat kan toch niet waar zijn. Hier heb ik mijn order.

Kijk, hier staat duidlijk: Peer Gynt moet je halen.

Hij heeft zijn levensbestemming gemist.

In den gietlepel met hem, als mislukte waar.

Peer Gynt.

Malligheid! Er is zeker een ander bedoeld.

Staat er werkelijk Peer? Is ’t niet Rasmus of Jon?

De Knoopengieter.

Die heb ik al lang geleden gesmolten.

Kom dus nu goedschiks en verspil geen tijd meer!

Peer Gynt.

Waarachtig niet! Ja, dat ware wat moois

Als het morgen dan bleek dat een ander bedoeld was.

Jij bent verantwoordelijk, mijn goede man!

Pas dus maar op, voor wat volgen kan …

De Knoopengieter.

Ik heb ’t hier op schrift toch …

Peer Gynt.

Maar gun mij toch tijd!

De Knoopengieter.

Wat wil je dan doen?

Peer Gynt.

Bewijzen wil ik,

Dat ik was mijzelf mijn heele leven;

En dat is toch de kwestie waarover wij keven.

De Knoopengieter.

Bewijzen? Hoe?

Peer Gynt.

Met getuigen en attesten.

[462]

De Knoopengieter.

Ik vrees dat mijn meester die niet zal erkennen.

Peer Gynt.

Onmooglijk! Maar dat is van later zorg!

Goede vriend, laat mij stellen mijzelf als borg;

Ik kom gauw weer terug. Men komt ééns maar ter wereld,

En men houdt aan zichzelf, als schepsel, vast.

Zeg zijn wij ’t nu ééns, hè?

De Knoopengieter.

Nou, ’t zij zoo, dan.

Maar onthoû, ’k vind je weer op den volgenden kruisweg!

(Peer Gynt loopt hard weg).

Verder weg in het bosch.

Peer Gynt (in volle vaart).

Tijd is geld, als geschreven staat.

Als je nu maar wist waar een kruisweg komt …

Misschien is ’t nog ver, misschien al vlak bij,

De grond brandt mij hier als gloeiend metaal.

’n Getuige! ’n Getuige! Waar vind ik er een?

Het is haast ondenkbaar hier in het bosch.

De wereld is knoeiwerk. De inrichting slecht,

Als iemand moet bewijzen zijn zonneklaar recht.

(Een kromgebogen, oude man, met een stok in de hand en een zak op zijn rug, sukkelt voor hem uit).

De Oude (blijft staan).

Ach, goede heer; een aalmoes voor een dakloos man!

Peer Gynt.

’t Spijt me; ik heb geen klein geld bij de hand …

De Oude.

Prins Peer! Neen maar! Dat is een ontmoeting …

Peer Gynt.

Wie ben je?

De Oude.

Kent hij den oude van Ronden niet meer?

Peer Gynt.

Maar je bent toch niet …?

De Oude.

De Kabouterkoning, ja!

[463]

Peer Gynt.

De Kabouterkoning? Meen je ’t? De Kabouterkoning, zeg?

De Oude.

Och ja, ik ben er maar heel slecht aan toe …!

Peer Gynt.

Geruïneerd?

De Oude.

Uitgekleed tot op het hemd.

Nu loop ik te bedelen met een honger als ’n wolf.

Peer Gynt.

Hoera! Zoo’n getuige groeit niet aan de boomen!

De Oude.

Meneer de prins is ook grijs geworden, sinds ik hem zag.

Peer Gynt.

Waarde schoonpapa, de jaren knagen en slijten.

Nou; wij halen ’n streep door private affaires,…

En, bovenal geen familietwist.

Ik was een dolleman …

De Oude.

Och ja, och ja;…

Maar wijs was de prins dat hij de bruid niet wou;

Daardoor heeft hij zich verdriet en schande bespaard!

Want sedert heeft zij zóó er op los geleefd …

Peer Gynt.

Och kom!

De Oude.

Zij ging geheel haar eigen gang;

En nu,… denk eens aan, woont zij samen met Trond.

Peer Gynt.

Welken Trond?

De Oude.

Van de Valbergen.

Peer Gynt.

Hem? Wel, wel;

Hij was ’t wien ik eens drie meiden ontstal.

De Oude.

Mijn kleinzoon is groot, en dik en vet geworden,

En heeft knappe kindren over ’t heele land …

Peer Gynt.

Ja, goede man, spaar mij je verhalen;…

Er ligt mij iets heel anders nu op ’t hart …

Ik ben in een moeilijk parket geraakt, naamlijk …[464]

En verlang een getuignis of een attest;…

Daarmee kan nu schoonpapa mij helpen ’t best …

’k Heb daar natuurlijk wel wat voor over …

De Oude.

Zoo zoo? Kan ik meneer den prins van dienst zijn?

Misschien krijg ik dan ook een getuigschrift in ruil?

Peer Gynt.

Met plezier. ’k Zit een beetje slecht in m’n contanten,

En moet zuinig zijn, en sparen aan alle kanten.

Maar hoor nu wat de zaak is. Je weet nog wel

Toen ik om je dochter kwam, op Ronden, dien dag …

De Oude.

Dat zal waar zijn, prins!

Peer Gynt.

Laat dat prins nu maar weg!

Genoeg. Jullie wilden met alle geweld toen

Mij ’t gezicht benemen door een snee in de lens,

En van Peer Gynt een kabouter maken.

Wat deed ik toen? Ik bleef mij verzetten,…

Zwoer dat ik mijn eigen zin wou volgen;

Ik deed afstand van liefde en eer en macht,

Enkel en alleen om mijzelf te zijn.

Dit feit, zie je, moet je voor de rechtbank bezweren …

De Oude.

Dat kan ik niet!

Peer Gynt.

Wat beteekent dat nu?

De Oude.

Je wilt mij toch niet tot een leugen dwingen?

Je weet toch wel dat je onze broek aantrok,

En dronk van de mede …?

Peer Gynt.

Ja, je lokte verleidend,…

Maar tegen ’t beslissende bleef ’k mij verzetten.

En het is juist dááraan dat men zijn man kent.

De slotwoorden zijn het waar het op aan komt.

De Oude.

Maar aan het slotwoord hieldt je juist vast.

Peer Gynt.

Wat moet dat nu weer?

De Oude.

Toen je Ronden verliet,[465]

Schreef jij je achter ’t oor mijn levensleuze.

Peer Gynt.

Welke?

De Oude.

Het woord … ’t afsnijdende, sterke …

Peer Gynt.

Het woord?

De Oude.

Dat ons scheidt van het menschenvolk,

En zegt: kabouter, wees u zelf genoeg!

Peer Gynt (wijkt achteruit).

Genoeg!

De Oude.

En je hebt je heele leven

Sedert altijd daarnaar gehandeld.

Peer Gynt.

Ik! Peer Gynt?

De Oude (huilt).

Dat ’s toch ondankbaar!

Je leefde als ’n kabouter maar hieldt het verborgen.

’t Woord, dat ik je leerde, stelde je in staat

Om vooruit te komen als ’n welgesteld man!…

En nu kom je hier en wilt niets meer weten

Van mij en van ’t woord, waaraan je ’t hebt te danken.

Peer Gynt.

Genoeg! ’n Kabouter! Een egoïst!

Dat is toch alles onzin; ’t is zeker een streek!

De Oude (haalt een pak oude couranten te voorschijn).

Je weet zeker niet dat wij ook een krant hebben?

Wacht; dan zal je eens zien hier, rood op zwart,

Hoe de “Bloksberg-post” je prijst en verheerlijkt;

En dat zelfde deed ook de “Heklaberg-courant”,

Al sinds den winter toen je vertrok …

Wil je ze lezen, Peer? Doe ’t dan gerust;

Hier staat iets onderteekend met: “Paardehoef”,

En hier: “Van ’t kabouterachtig-nationale”.

De schrijver discht hier de waarheid op

Dat het weinig aankomt op staart en horens,

Als je er verder van binnen maar op gelijkt.

“Ons genoeg”, zegt hij, “drukt kabouters” stempel

“Op den man”,… en dan noemt hij jou als exempel.

[466]

Peer Gynt.

’n Kabouter? Ik!

De Oude.

Ja, ’t lijkt er wel naar.

Peer Gynt.

Kon dus net zoo goed gebleven zijn, waar ik was?

Kon in Ronden blijven zitten op mijn doode gemak?

Sparen zorg en moeite en schoenen menig paar?

’n Kabouter … Peer Gynt!… Dat is onzin! Dat ’s klets!

Vaarwel! Daar heb je een fooitje voor tabak.

De Oude.

Maar, lieve prins Peer!

Peer Gynt.

Kom, je bent gek,

Of misschien kindsch. Zoek een hospitaal op.

De Oude.

Och, dat is het nu juist wat ik zoek.

Maar mijn kindskindren, zooals ik al zei,

Hebben verbazend veel invloed in ’t land;

En zij zeggen, dat ’k enkel besta in boeken.

Men zegt wel eens, van je familie moet je het hebben …

Ik stakkerd, voel wat een waar woord dat is.

’t Is hard om voor leugen en nonsens te gelden …

Peer Gynt.

Goede man, dat ongeluk overkomt velen.

De Oude.

En wij zelf hebben geen armenkas,

Geen spaarpot, hulpkas of bedeeling;…

In Ronden zou zoo iets toch ook niet gaan.

Peer Gynt.

Neen, dáár gold dat helsche: wees je zelf genoeg!

De Oude.

O, de prins mag zich over dat woord niet beklagen.

En als hij, op eene of andere wijs …

Peer Gynt.

Manlief, je bent heelemaal op een dwaalspoor.

Ik ben zelf, als men zegt, zoo kaal als een kerkrot …

De Oude.

Dat kan toch niet waar zijn? Is de prins ook arm?

Peer Gynt.

Straatarm. Mijn prinselijk ik is verpand.

En dat ’s jullie schuld, vervloekte kabouters![467]

Zoo ziet men wat ’t gevolg is van slecht gezelschap.

De Oude.

Dan is dus de kans voor mij ook weer verkeken!

Vaarwel! ’k Zal mijn best doen de stad te bereiken.

Peer Gynt.

Wat wil je daar?

De Oude.

Gaan naar de comedie.

Zij vragen in de krant nationale sujetten …

Peer Gynt.

Nu, goede reis dan; en groet hen van mij.

Als ’k los komen kan, ga ik ook maar dien weg.

Dan schrijf ik een farce, dwaas en diepzinnig,

Die heeten zal: “Sic transit gloria mundi.”