De spoorzoeker: Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis by Aimard

DE SPOORZOEKER.
SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS.
Naar de zesde Fransche uitgave.
VAN
GUSTAVE AIMARD.
DOOR
L. C. CNOPIUS.
Derde druk.
LEIDEN,
Firma VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN.
GENT, W. ROGGHÉ. BATAVIA, G. KOLFF & Cie.
1867.
[1]

[Inhoud]
DE SPOORZOEKER.
I.
De Verrassing.
Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst bezochte streken der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen, op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, aan welke rivier de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben gegeven van: Gouden golvenstroom zonder einde.

Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan had afgelegd, vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge cederboomen, terwijl het onzeker schijnsel van hare sidderende stralen, naauwelijks licht genoeg verspreidde, om de afwisselende voorwerpen op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. Geen windje beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche stilte beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, afgebroken door het korte gekef en gejank der op buit loerende coyoten (wolven) of het spotachtig gehuil van panter en jaguar aan het naaste rivierwed.

Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche savane, waar geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van den nacht verstoort, onder het immer wakend oog der Godheid, een onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten mensch, en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied.

Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden de digte takken van een floripondio-boschje voorzigtig uit één geschoven. Uit de gemaakte opening kwam een nieuwsgierig menschenhoofd te voorschijn, met schitterende oogen, als van een wild dier, die in alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij tot hiertoe verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten.

Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het sombere rood van gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum [2]en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije gelaatstrekken, hem terstond kenbaar als een dier stoutmoedige canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag zeldzamer wordt en weldra geheel dreigt te zullen uitsterven.

Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan den trekker, en bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende kreupelboschjes en rotsholten. Nadat hij zich, zoo het scheen, door de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had gerust gesteld, bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van den centzontle, of amerikaanschen nachtegaal.

Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden doorgelaten, kwam een tweede personaadje te voorschijn.

De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij met eene stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien werkelijk bezat:

—Wel, hoe is ’t?

—Alles is stil, antwoordde de jager, de Cihuatl kan gerust komen.

De Indiaan schudde het hoofd.

—Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt.

Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager.

—De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen op zijne verliefde wachtplaats, in het stam-dorp?

—Het opperhoofd is niets vergeten.

—Laat hij haar dan roepen.

De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den Walkon deed de stilte weêrgalmen.

Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, eene jonge vrouw sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn vriend was, tot zulk een vertoon van teederheid had laten vervoeren, en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig van zich af, onder het uiten van eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering of hartstogt te kennen gaven.

—Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden zullen haar bewaken.

—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij [3]met eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den Machsi-Karehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de bescherming van zulk een magtig opperhoofd veilig is.

De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk dien schijn van norsche ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen.

—Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, zeide hij.

De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep, of althans deed alsof zij sliep.

De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij zag, wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, die zijn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde.

—Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij, het opperhoofd zal waken.

—De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, en een graauwe lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde de Canadees, weldra zal het dag worden, de slaap is mijne oogleden ontvloden, het past den mannen zich te beraden.

De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn buks op den grond en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde.

De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden.

Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt, gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie personaadjen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk eene gewigtige rol te spelen.

De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes engelsche voeten lang, rank, mager en droog van gestel; bijna geheel uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone kracht en stoutmoedigheid worden vereischt.

Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat den stempel van het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn [4]breed voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde neus, zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende mond, en de digte blonde met enkele graauwe haren vermengde lokken, die welig en krachtvol onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Vogel, een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei wild, inzonderheid herten en dassen wist te ontdekken.

Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen moest, hetzij om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te verkoopen, of om zich van eenen nieuwen voorraad kruid en kogels te voorzien.

Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der magtigste en krijgshaftigste volksstammen der Comanchen.

Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen.

De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden, dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle rigtingen doorkruisen.

Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd, bezat hij fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, eene zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren.

Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum is merkwaardig genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven te worden.

Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den mach-akoub-hachka, eene muts welke slechts door krijgslieden van rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zij bestaat uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden lap rood laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er eene pluim van regtstandige [5]witte en zwarte adelaarsvederen op vast gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blaauwgekleurde en aan de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes, om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven zijn linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbond met de Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn aangezigt was voor de helft roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar de verw door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder afgerekend, waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden geteekend, om het getal zijner groote wapenfeiten aan te duiden, en op zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur van een menschenhand, die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om zijn hals droeg hij een prachtige mato-un-knappininde of collier van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten witgemaakt. Zijne schouders waren bedekt met den grooten mih-ihee of bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, en hing zoo wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne hampes, of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar op de vreeg met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen gevuld, benevens zijn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer, lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk gebruik zoo het noodig mogt zijn.

Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezigt schrik inboezemde.

Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te zeggen, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in zwang was.

Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot kennismaking met de personen, die op ons tooneel verschijnen zullen, hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij ons verhaal.

Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, [6]zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees de kop van zijn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte het woord tot zijn makker.

—Is mijn broeder voldaan? vroeg hij.

—Ooah! antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn broeder heeft een vriend.

—Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen?

—De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken.

—Waartoe zou dat dienen?

—De Vliegende-Arend wil zich wreken.

—Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof dat gij deze zaak niet uit het regte oogpunt beschouwt.

—Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen?

—Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben, wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij ons reeds van den hals heeft geschoven.

De Indiaan haalde hooghartig de schouders op.

—De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij, de Vliegende-Arend veracht hen.

—’t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen zouden wij echter wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen, totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen, in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; wij zijn hier nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp.

—Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn te slapen.

—Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat zij klaar wakker zijn en ons zoeken.

Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den voorzigtigen jager willen regtvaardigen, hoorde men meer dan een tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud, en een dertigtal Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op den brandstapel af, waar onze drie avonturiers zich bevonden hadden; maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen.

De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende welke rigting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te vinden. Plotseling vielen er drie geweerschoten uit het digtst van het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen, op den grond.

De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten [7]voorwaarts in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn in zijne hand een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede.

Die man was de Canadees Loer-Vogel.

De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar niet veel goeds in ’t zin. De Canadees scheen dit echter niet op te merken en stapte bedaard naar hen toe, met den vasten en langzamen tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun opperhoofd hield hen echter terug.

—Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen glimlach, zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten.

[Inhoud]
II.
De gast.
Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen plaats grepen, had in eene uitgebreide kampplaats, aan den ingang van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan den oever der Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen.

Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat van vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de zware vermoeijenissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan was zamengesteld uit omtrent dertig à vijf en dertig personen, allen gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed jagers en gambucinos, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen, en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen, om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt.

De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig, om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een [8]soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval der zwervende Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den vorm van een Sint-Andries-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken.

Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote tent opgerigt, boven eene digt gesloten en door twee muildieren—een vóór- en een achter—gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was, werd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar werd.

Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond; iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor zich zelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het doortrekken van een moeijelijken bergpas, een der jagers,—gebruik makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla, die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op te heffen en naar binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen, of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten.

Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd:

—Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat ik voor allen verkies geheim te houden?

Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden en het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim van hun kapitein uit te vorschen.

De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks afgeloopen, of een gedruisch van paardenhoeven deed zich hooren, en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden.

—Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander.

De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende bedienden de teugels hunner paarden over en rigtten zich met haastige stappen naar de tent. Aldaar gekomen zijnde, bleef de eerste staan en zeide tegen zijn medgezel:

—Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm, zullen wij het weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen.

—Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik zal van uwe beleefde gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het krieken van den dag zal ik, zoo ik hoop, genoeg rust hebben genoten om mijne reis voort te zetten.[9]

—Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij het vuur, dat voor mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige oogenblikken in deze tent begeef; zoo aanstonds kom ik terug en zal ik de eer hebben u gezelschap te houden.

De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van de tent brandde, terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn achter zich vallen liet, dat hem voor de oogen van zijn gast verborg.

Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne korte forsch gespierde ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen; ettelijke rimpels op zijn krachtvol gelaat schenen aan te duiden, dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, ofschoon zijn stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde, en geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde, die zoo zwart was als een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der rijke mexicaansche hacendero’s, of landedelen, namelijk de manga, de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën open, en een paar botas vaqueras, of koeherders laarzen; aan den bol van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden hoed, was een rijke met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; eene machete zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen ijzeren ring; de loopen van twee zesschots revolvers blonken in zijn buikriem, en naast hem op het gras lag zijn amerikaansche prachtig met zilver gedamasceerde buks.

Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik in ’t rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik te bekommeren over hetgeen hij deed.

Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der rassen van het Zuiden.

—Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen.

Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot zijn zegsman.

—Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij.

—O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet [10]en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het gegeven hebben.

—Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede spottenderwijs aan, dat paard is een “costeno,” (kustpaard) hij zal te grootsch zijn om met zulke arme “tierras adentro” (binnenlanders) te grazen als de onze.

Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach.

De onbekende glimlachte schalks.

—Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen, dat ik gaarne wil aanwenden.

—Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat?

—Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los!

—Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan.

—Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, kom hier!

Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik.

—Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk.

—Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij ook zijn mag.

—Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei de vreemdeling.

—Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; ’t is een edel dier, maar hij heeft den duivel in ’t lijf!

De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur.[11]

Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent.

—Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben ik geheel tot uwe dienst.

De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd:

—Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak.

—Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein zich naast zijn gast.

—Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult, een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus.

—Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen, wat het ook wezen mogt.

—Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden blik toewierp.

Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam.

—Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger.

—Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud veroorzaakte.

—Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner!

De knecht—dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef; eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden den bijna kloosterlijken maaltijd.

Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard, droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe.

—Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der maïskoeken doorbrak.

—Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach.

De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen [12]ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret te geven.

Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd, terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte hoedanigheden zich verscholen.

Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen.

—Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen, en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt?

—Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: tijd is geld.

—Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen!

—Ik zeg u dank, caballero.

—Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden.

—Spreek.

—Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten.

—Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag.

—Ik heet don Miguel Ortega.

—En ik don Stefano Cohecho.

De kapitein maakte eene eerbiedige buiging.

—Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte de vreemdeling.

—Als ik u verzoeken mag!

—Waarom hebt gij mijn naam willen weten?

—Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne vijanden te kunnen onderscheiden.[13]

—Dat is zoo, welnu?

—Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten zal tellen.

—Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare kansen.

Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen.

Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag.

Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen verscholen zat.

Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen, greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord.

De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om zoo scherp mogelijk rond te zien.

Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk, en verdween in de prairie.

Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over de borstwering en ijlde hem na.

Die man was Domingo.

[Inhoud]
III.
De nachtelijke zamenspraak.
Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, [14]wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen slechts een onvoldoende bescherming verleenden.

Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet.

Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet kon betrappen.

De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne boosaardige neigingen laten besturen.

In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de waagschaal stelde.

Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de hielen zat.

Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote (wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid.

—Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u te ontmoeten.[15]

—Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers in de kaan.

—Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen.

—Dat konden we onmogelijk.

De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën.

—Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken.

—Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen over zijne schouders golfden.

—Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze scheiding gedaan?

—Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, om u te kunnen helpen in geval van nood.

—Dank u; geen nieuws?

—Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben?

—Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien?

—Neen.

—Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken.

—Men zal er zich van weten te bedienen.

—Dat weet ik, Vrij-Kogel,1 ik ken uw moed sedert lang; maar gij, uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen, dat is alles.

—Geen nood!

—Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken, bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen moeten onderdoen.

—Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo velen.

—Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden?

—Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht.[16]

—Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft.

—Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af.

—Het is om gek van te worden.

—Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte spoor zijt?

—Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb.

—Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn.

—Waartoe zullen wij besluiten?

—Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal.

—Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan de hand geven?

—Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk een slag te durven slaan.

—Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen, help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt van Loer-Vogel.

—Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven.

Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte:

—Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt.

—Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en trouwe kameraad ben.

—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht!

Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk van Vrij-Kogel hield hem terug.

—Wat is er? vroeg de vreemdeling.[17]

De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote!

Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer.

Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in de ooren.

—Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde.

—Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust.

—Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij volgen zou. ’t Was slechts een spion, die u achter de broek zat; dat is al.

—Een spion!

—Por Dios! gij zult het zien.

—O wee! dat ziet er gek uit.

—Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen.

—Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden?

—Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen.

Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata (paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte.

—Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel) is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op!

—In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen.

De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat hij nog vrij had, en keek den jager aan:[18]

—Het staat u heel mooi om mij “goede man” te noemen en mij raad te geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt?

—Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei don Stefano spotachtig.

—Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten te verbergen.

Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen.

—En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij.

—Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd.

—Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen?

—O, ontzaggelijk veel, waarde heer.

Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat hij te vertellen heeft.

De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd voelde, en ging op het gras overeind zitten.

—Cuerpo de Christo! riep hij op vrolijken toon, thans is mijne positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten.

—Niet waar?

—Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles wat gij verlangt.

—Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken.

—Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet anders dan winnen door met u te praten.

—Zoudt gij dat denken?

—Ik ben er van overtuigd.

—Daar kondt gij misschien wel gelijk in hebben; zeg mij eens, hebt gij behalve die edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken?

De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord van eer, senor, ik zie niets.

—Zijt gij daar zeker van?

—Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen.

—Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt.

—Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid; zoo als gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt.[19]

Don Stefano knikte toestemmend.—Als ik u een beetje op weg hielp, zeide hij, misschien zou .…

—zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo hem met drift in de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg, ik verlang niets liever dan dat.

—Zoo, bijvoorbeeld .… maar let wel, ik bevestig niets, ik veronderstel het alleen, meer niet.

—Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet.

—Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld?

—Voor goud vooral.

—Dat wou ik juist zeggen.

—Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer.

—Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een algemeene trek .…

—Niet waar?

—Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn.

—Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt.

—Ziet gij nu, dat ik het wel wist?

—O! goud, eerlijk gewonnen.

—Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palankijn van don Miguel Ortega?

—Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg.

—En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien, als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als deze bijvoorbeeld?

Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de oogen schitteren.

—Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van onmiskenbare begeerigheid, al zou ik mijne hoop op het paradijs er voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen.

Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel.—Maak den man los, zeide hij koeltjes, wij verstaan elkander.

Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde.

—De ring! riep hij.

—Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; is onze koop nu gesloten?

Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker, rigtte fier zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke stem:—Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles wat in mijn vermogen is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig zoekt te verbergen; ook zweer ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik onderhandel, nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de drie caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om, zoo ik hem [20]ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf, al ware het den dood zelf, te ondergaan, die deze drie caballeros zullen goedvinden mij op te leggen.

De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door een Spaansch-Amerikaan kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld dat zij dien ooit verbroken hebben. Don Stefano boog dus, ten volle overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen.

Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten, gevolgd door een vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid.

Vrij-Kogel ontstelde er van.—Don José, zeide hij tegen den vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe ons! keer naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk meer nieuws kunnen vertellen.

—Maar dat schieten dan?

—Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat mij handelen.

—Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan.

—Tot morgen?

—Ja, tot morgen.

—En ik nu? riep Domingo, caramba! kameraden, als gij met messen gaat spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten doen?

De oude jager keek hem oplettend aan.

—Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is zoo kwaad niet, kom dan maar meê, als gij het verlangt.

—Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden voor mijne afwezigheid.

Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne zamenkomst voor den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het boschje, en rigtte zijne schreden naar het kamp.

De beide jagers en de mesties bleven alleen.

1Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen. ↑

[Inhoud]
IV.
Indianen en Jagers.
Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren wateren zachtkens voortkabbelden door eene schoone schilderachtige streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, verhief zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en bergen van ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond langzaam af in lagchende weiden, getooid met het weligste groen, of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte van allerlei soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van Vrij-Kogel aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt gordijn van [21]opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden op den dag, aan den bespiedenden blik hebben kunnen ontsnappen van iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; thans echter, in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer van digt gebladerte heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden zij zich volkomen veilig rekenen. Door de sterkte zijner strategische stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond nadat don Stefano hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de ervaringen der woestijn had geoefend.

—Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie?

—Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo zedig; maar toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming, die gij wagen wilt.

—Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw werk goed verlangt te doen; luister dus met aandacht: de kleur van mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt geven u reden genoeg om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar ik mijn gansche leven in de wouden heb doorgebragt; er is om zoo te zeggen geen grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen rekenschap kan geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en weergalmde de oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten, ben ik zeker de buks te hebben gehoord van een man, voor wien ik de warmste vriendschap koester, die man is op dit oogenblik in gevaar, hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn slaap hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen dat mijn vriend niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij hem dus niet te hulp komen is hij verloren, want zijne vijanden zijn talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna hopeloos; wij hebben alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. Zijt gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord, om uw scalp en uw leven in ons gezelschap te wagen?

—Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens; misschien krijg ik nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om een eerlijken dood te sterven. Gij kunt over mij beschikken, oude klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel.

—Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt, om u op het gevaar opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans zullen wij er niet verder over spreken, maar handelen, want de tijd dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw voor hem, dien wij willen redden. Trek mijne moksens1 aan, houd uwe oogen en ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne orders; laat ons gaan![22]

Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg, die door de anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden staan om zich niet te vergissen; toen stapte hij, met de instinctmatige vastheid, die bij de jagers schier tot een tweede gezigt wordt, snel maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen.

Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld te maken van hetgeen een marsen in de prairiën beteekent, bij nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, verward in elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege ineenslingeren en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen, welke een eeuwenheugend warbosch kan opleveren. Op marsch in zulk een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, die door vele jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare kuilen en moerasgronden,—is het niet alleen reeds moeijelijk, zich in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis een spoor te banen en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en niet vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk, wanneer men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen en geen tak kan doen zwiepen, geen blad doen ritselen, zonder gevaar van den vijand wakker te maken, dien men tracht te overrompelen.

Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch de noodige bekwaamheid geven, om dit moeijelijke werk tot stand te brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel in de hoogste mate; hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor hem opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele reeds genoeg zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden uitslag te doen wanhopen. De twee andere jagers hadden alleen het spoor te volgen, dat door hunnen gids even behendig als moeijelijk werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts door een kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen; zonder dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij hen te komen. Zoo Vrij-Kogel zulks gewild had, had hij den rand van het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen door het hooge gras behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker en minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn door gewoonte geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij gekozen had, de eenige was, die hem in staat zou stellen om tot het tooneel van den strijd door te dringen, zonder door de Indianen te worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er niet in ’t minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen, hen langs zulk een weg te naderen.

Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De drie jagers waren op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken zachtjes uiteenschoven, wat zagen zij?

Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; [23]op deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal krijgslieden der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden, aan piketten gekoppeld, het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn vriend Loer-Vogel stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks leunende, en nu en dan eenige woorden met hen wisselend. Vrij-Kogel begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door gebaar noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried!

Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover elkander waren geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen afwas gegaan, een bisonsmantel zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren.

—Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der opperhoofden, hem groetende.

—Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde Loer-Vogel op gebelgden toon.

—Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der blanken is; mijne ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, die hij mij geven zal.

Loer-Vogel trok minachtend de schouders op.

—Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide hij, dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof uit te gaan? Waarom hebben zij mij aangevallen?

—Mijn broeder weet het wel.

—Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten; maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn stam in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn komen aanvallen gedurende mijn slaap.

Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de wenkbraauwen.

—Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een adderentong, zeide hij barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de woorden, die zijne borst uitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch; hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt.

—Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd [24]want aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend.

—Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch; maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan!

—Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is een mist voor mijne oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen.

—Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder omwegen antwoorden, want zijne stem is eene muziek, die mij langen tijd zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft dien ik meende verloren te hebben.

—Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden.

Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd; hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad in ’t zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, die tusschen hunnen sachem en den jager scheen te heerschen, hadden zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door een vriend werden bezocht.

Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van zijne krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige woorden aan de omstandigheden eene geheel andere rigting had weten te geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen, die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in een wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, geen kans zag zich te redden.

De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte van te voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen, en hij zijne eenige hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de verklaring onstuimig afliep.

—Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf.

—Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen!

—Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een opperhoofd spreekt.

—Ik luister!

—De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij de Comanchen, die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de Roode-Wolf in een altepetl (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen waren dien dag op de jagt in de prairiën, hunne krijgslieden en jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid?[25]

—Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende.

—Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der Apachen zijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar zijn stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager?

Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik op Loer-Vogel; deze echter wendde zijne oogen niet af, en zeide: Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, opdat ik moge weten wat hij mij ten laste legt.

De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem:

—De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en voerde haar weg als een lafhartige verrader!

Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand; maar bijna oogenblikkelijk zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij:

—Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden vloeijen van zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter laat hij zich door zijn hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd.

—Ooah! riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan moet zijne bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen.

—Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans is de beurt aan hem om de mijnen te hooren.

—Goed! dat mijn broeder spreke.

Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn helder en open oog schoot als een bliksemflits, en een zegevierende glimlach plooide zich om zijne lippen.

—Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van mijn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem uit naam van Machsi-Karehde, den grooten sachem der Bison-Comanchen, de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier erupahs (geweren), zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe beeren-klaauwen; ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen te verhoeden; mijn broeder de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen, wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd, dat de Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw zou terug halen, die men verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken [26]zin of in welk opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft zijne vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij was in zijn goed regt; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat ik kwalijk gehandeld heb.

—Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn.

—Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en die zijne vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de Vliegende-Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan.

—De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven, zeide de Indiaan trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen, hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten?

Loer-Vogel glimlachte.

—De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op dit oogenblik in het kamp der bleekgezigten gevlugt, welks wachtvuren de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat mijn broeder maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren.

De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er drie mannen de kampplaats binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel, Ruperto en Domingo.

Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer goed kenden, onstuimig op, slaakten een kreet van verbazing, om niet te zeggen van angst en ontsteltenis, en grepen terstond naar hunne wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun weg en naderden ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning acht te geven.

Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers toelichten, en de verandering opgeven die hunne tusschenkomst waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg brengen.

1Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen. ↑

[Inhoud]
V.
Wederzijdsche Ophelderingen.
Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige plaats waar zij stonden, niet alleen alles wat er in het kamp der Apachen omging, kunnen zien, maar tevens zonder een woord er van te missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den Rooden-Wolf gesproken was.

Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan [27]elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers gewoon zijn tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd of uitgevoerd; zij hadden voor elkander geene geheimen; alles was onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen zoo wel als hunne vriendschappen.

Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat door den Rooden-Wolf ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen, die wij later zullen vermelden, het hem niet hadden belet, zou hij waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos uit de magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met deze zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem, namelijk, de vreedzame tegenwoordigheid van Loer-Vogel in het kamp der Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten had gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen.

Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt.

Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet het minste gedruisch maakte.

Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette:

—Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den nacht op de boomen te wandelen.

—De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien?

—In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, vooral in deze oogenblikken.[28]

—Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen?

—Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te slapen in mijn kampement.

—Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten en is daarom hier gekomen.

—Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets.

—Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord?

—Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets?

—Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem overrompeld bij zijn vuur.

—Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid?

—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees.

—Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij thans niet spreken; wat denkt gij te doen?

—Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en deze honden overrompelen.

—Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets aan veranderen.

—De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen.

—Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen.

De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd.

Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden.

—Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij liever list te baat nemen.

—De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter.

—Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel aan ons, daar wij hen misleiden.

De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen.

—Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk.[29]

—De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen.

—Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten.

Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden.

Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst onder de Apachen te weeg bragt.

De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel.

—Vriend, zeide hij in ’t Spaansch, welke taal de meeste Indianen verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos.

—Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt?

—Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters.

—Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen … of neen, ik zal liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen.

Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken indruk.

Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend; en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt, en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is.

De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, [30]wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van ’t spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij.

—Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden.

—De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen.

—Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten.

—Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen.

Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden.

—Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid gelegerd? hervatte de Roode-Wolf.

—Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten op zijn best genomen, in westelijke rigting.

—Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld.

—En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen te zullen worden?

—Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig.

—Niemand, voorzeker.

De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen rang en fluisterde hem eenige woorden in ’t oor; deze stond op en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, [31]kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest.

—Wel? vroeg hem de Roode-Wolf.

—Nilijti—het is waar—antwoordde de Indiaan laconisch.

Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken in ’t gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene gansch andere manier zou hebben behandeld.

Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters in den zadel.

—De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah mijne blanke broeders beschermen!

—Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet met ons mede?

—Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed.

—Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen de tanden.

De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk verstoren.

De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden weten te verdrijven.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong, en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der Indianen bekend; maar ik herinner mij wel …

—Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende.

Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk [32]leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken.

Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij:

—Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven aan, gij weet wel wie.

—Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel!

—Goed fortuin!

Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam.

—Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op mijne vraag te antwoorden.

—Ja toch, vriend, een ding nog.

—En dat is?

—Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben volstrekt geen haast.

—Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt.

—En wat zal dat woord zijn?

—Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen?

—Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u op dit oogenblik te kunnen voldoen.

—Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met zonsopgang te verlaten.

—Komaan, dat is immers onmogelijk?

—Met uw verlof, ja; ik moet!

—Maar wat dringt u dan zoo?

—Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En [33]gij weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus niet willen verleiden om mijn woord te breken.

—Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen den weg wijzen?

—Dat zal ik morgen hooren.

—En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden of Gringos?

—Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, dat zal zich wel vinden.

—He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; hoe zegt gij ook weer?

—Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet.

—Dat’s vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven.

—Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor.

—Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt?

—Op den besten voet.

—Als spoorzoeker.

—Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift.

—Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer zamen te leven.

—Zoudt gij onder zijne bende willen gaan?

—God bewaar mij!

—Dan begrijp ik er niets meer van.

Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen weder tot zijn vriend wendende, zeide hij:

—Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen; ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard.

Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de oude jager aannam, en zag hem ongerust aan:

—Spreek, zeide hij.

Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien.

De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager nog sprak.[34]

[Inhoud]
VI.
Eene duistere geschiedenis.
Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen.

Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, 2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl—een rookende vulkaan—en de Iztaczehuatl, of de “Witte Vrouw,” welks grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den oostelijken straatweg,—een der vier groote wegen langs welke men den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd is—ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog boven de azotea’s (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de Moneda en de San-Francisco.

De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario (de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president der [35]republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote verkoophuizen—de Parian en de Portal de las Flores.

Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea’s, om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er uit de calle San-Francisco een onderofficier—gemakkelijk te herkennen aan den druivenstok1 dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had—en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond gelezen werd: “Juan Bautisto Leporella, Evangelista.” De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien [36]had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.

De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in het slot steken, eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn.

—Ha! zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare! ik had u nog niet zoo spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen toon, daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich zien dien zij niet aandurven.

—Cuerpo de Christo! houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote, antwoordde de sergeant barsch; wie anders als ik zou mijne voeten nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten?

De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver gevatten bril met ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd.

—Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden genoeg in mijn ministerie, mooije “chérubin d’amour.”

—’t Is mogelijk, hervatte de soldaat, hem zonder pligtpleging terugduwend en het winkeltje binnentredend, ik beklaag ze allen die onder de greep van zulk een ouden roofvogel komen als gij; maar dat is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom.

—Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken een ander doel hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de oude beschroomd.

—Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden, zoodat niemand daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij hebben geen tijd te verliezen.

De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan men van hem zou verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn pothuis des nachts tegen de rateros (dieven) moesten beschermen; daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig de deur van binnen te hebben gegrendeld.

Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende candil (keukenlamp) gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong, schoon, sterk en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd en gluiperig, wisselden zij ter sluik blikken van onverklaarbare beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool zich waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte stemmen oor aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van verschillende soort die op den val van een engel uitwaren.

De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo zacht, als ware hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis hem zouden beluisteren.

—Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij ter zake komen en elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds half elf geslagen, spreek dus, wat hebt gij voor nieuws?

—Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders.

De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te bezinnen.[37]

—’t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet meer om; waar staat mijn hoofd toch?

Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel voorziene beurs te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een aantal goudstukken blinken van verscheidene oncen zwaarte; vervolgens een lang knipmes, dat hij opende en naast zich op de tafel legde. De oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat zijne beurs en stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken voor zich uit op de tafel. De evangelista vergat oogenblikkelijk het mes, om zich met niets anders bezig te houden dan met het goud, welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet.

De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid van iemand, die zich bewust is, allesafdoende middelen in handen te hebben.

—Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel, hervatte hij, of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met mij te doen hebt en uwe zaken vergeet.

De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik op de verleidelijke goudstukken wierp.

—Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde hij, om u niet te willen believen met al de middelen daar ik over te beschikken heb.

—Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap, en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn.

Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen zeggen waar ze gebleven waren.

—Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven.

—Ter zake, ter zake.

—Ik ben er reeds.

—Spreek op dan; ik luister.

De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg.

Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven, de menigte had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen teruggekeerd; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk langzaam en statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles.

—Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en op dreigenden toon.[38]

De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd gewekt, en streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd.

—Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem.

—Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere.

—Gij moet dan weten, begon hij.… maar, vervolgde hij, op eens weder afbrekende, moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden vertellen?

—Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij er doorkomen; ge weet wel dat ik de volledigste narigten hebben moet. Canarios! speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel zijn voor u.

De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon op nieuw:

—Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne papieren geschikt en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan de deur geklopt; ik stond op om open te doen; het was eene jonge en schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er over kon oordeelen, want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij niet kenbaar was.

—Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks bezocht? viel de sergeant hem in de rede.

—Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij elk bezoek in eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor onkenbaar te maken; in weerwil echter van deze voorzorgen, heb ik haar telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen dadelijk herkend, daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door te laten misleiden.

—Zeer goed; ga voort.

—Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen met haar waaijer; ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar van dienst kon zijn.—“O!” antwoordde zij mij op vrijpostigen toon, “wat ik van u verlang is zeer eenvoudig.”—“Spreek slechts, senorita,” zeide ik, “zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan verzekerd dat ik het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen.”—“Als het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn,” was haar antwoord; “maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen kan?” En terwijl zij dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den meesten ernst en met de hand op het hart:—“Senorita, een evangelista is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen blijven in mijn hart begraven.” Hierop haalde zij een geschrift uit den zak van hare saya (overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers om, maar eensklaps begon zij te lagchen, en riep:—“Wat ben ik toch dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf niet begrijpen zult wat gij schrijft.” Ik boog op goed geluk af, [39]en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen, die zij mij sedert eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven.

—Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede.

—Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en, zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoo dat de woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag verdoemd zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis sloeg, als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift dat zij mij copiëren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was.

—Wat verder?

—Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, en er een adres op geschreven.

—Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor het eerst.

—Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen.

—Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres?

—Z. p. V. 2 Calle S. P. Z.

—Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk; maar vervolgens?

—Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven.

—Zij is wel genereus.

—Povre nina! (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met zijne kromme vingers zich de drooge oogen afwischte.

—Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van; is dat alles wat zij u gezegd heeft?

—Nagenoeg, zei de oude aarzelend.

De sergeant keek den evangelista strak aan.

—Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende, die Tio Leporello dadelijk deed verdwijnen.

—Bijna niets.

—Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel weten dat de hoofdzaak van een brief gewoonlijk in een post scriptum staat.

—Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een providencia2 die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge meisje zeer zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: Naar het Bernardijnen klooster![40]

De sergeant huiverde onmerkbaar.

—Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid, dat adres beteekent niet veel; maar geef mij intusschen het overgedrukte blad.

De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit papier uit te voorschijn, daar eenige woorden in bijna onleesbare krabbels op stonden.

Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep, scheen de inhoud hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte zigtbaar en eene zenuwachtige rilling liep hem door de leden; maar hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.

—’t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;—zie daar, dat is voor u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver nog een hand vol goudstukken toe.

—Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op het kostbare metaal, terwijl hij tevens naar het mes greep.

Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat; hij rukte den oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik makende waarop Leporello bukte om het goud op te rapen, stak hij hem het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide schouders. De stoot was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, dat de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt of zucht te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en onverschillig aan; toen door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer gerustgesteld, meende hij dat hij dood was.

—Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste niet klappen.

Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het mes af, raapte zijn goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur, sloot die weder achter zich digt en verwijderde zich met rustigen, ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die te lang is uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen.

De Plaza Major was eenzaam en stil.

1Een rotting of zoogenaamde sixpence. ↑

2Naam der huurrijtuigen te Mexico. ↑

[Inhoud]
VII.
Eene duistere historie (vervolg).
Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of om naauwkeuriger te spreken als vele steden in Holland, want er liep langs de meeste grachten doorgaans een straat tusschen het water en de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op een enkele wijk der stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen vergelijken; evenwel, ofschoon de grachten voor het oog verdwenen [41]zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere gedeelten der stad, waar men hen in afvoerkanalen of liever in open riolen heeft herschapen, ontwaart men ze dadelijk door den vuilen stank dien zij uitwasemen of liever door de massa fecale stoffen, die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt.

De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo knaphandig te hebben vereffend, was het plein in de volle breedte overgegaan en toen de calle de la Monterilla ingeslagen.

Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten van het winkeltje had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer twintig minuten, door een aantal eenzame straten en donkere steegjes, wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend en dreigender werd, hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, boven welks deur, achter een retablo des animas benditas (schilderij der gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige wachthonden naargeestig tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op de deur met den druivenstok, dien hij in de hand had.

Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en zingen daar binnen hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand naderen met zwaren stap. De deur werd half geopend, want als overal in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten en eene grove stem vroeg op dronkenmans toon:

—Quien es?—Wie is daar?

—Gente de paz—Goed volk, antwoordde de sergeant.

—Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief binnen te komen! riep de andere, die zich scheen te bedenken.

—Ik verlang niet om binnen te komen.

—Wat duivel verlangt gij dan?

—Pan y sal! por los caballeros errantes (brood en zout voor de dolende ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, terwijl hij zich derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen.

De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing:

—Valgame dios! Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen eerbied, wie zou u onder die ellendige plunje hebben herkend! Kom binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld.

Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige oogenblikken te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten en de deur geheel te openen.

—’t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens dat ik niet binnen kom! Met hun hoevelen zijn ze?

—Met hun twintigen, Senor.

—Gewapend?

—Ten volle.

—Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten, mijn zoon, de tijd is kort.

—En gij dan, Senor?[42]

—Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar gaauw wat, haast u.

Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd; hij liet de deur open en liep op een drafje naar binnen.

Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan de tanden gewapend den trap af en de straat op, suizebollend en tegen elkander tuimelend. Toen zij den sergeant in ’t oog kregen, groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend en onbewegelijk staan.

Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den evangelista don Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die nog wie weet hoeveel andere namen had, doch dien wij vooreerst zijn laatsten naam zullen laten behouden.

—Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn uniform met den mantel bedekte, een langen degen aangespte, en een paar pistolen met dubbelen loop in zijn gordel stak.

—Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand.

—Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd heb; maar terwijl het thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen, zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos (nachtwakers) te letten.

De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge aanbeveling.

—Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand opzette, dien Pepito hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij vertrekken; luistert nu aandachtig, caballeros.

De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich gevleid voelende dat zij als caballeros werden toegesproken, traden digter bij don Torribio om hem des te beter te kunnen verstaan.

Deze vervolgde:

—Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten vertoonden, zouden zij zeker de aandacht en achterdocht der politie-agenten wakker maken; het is derhalve voor het welslagen der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken; gij zult u dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren van het Bernardijnen-klooster begeven; daar aankomende zult gij u zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige houding aannemen, en u niet verroeren buiten mijne orders. Vooral houdt u stil en maakt geen leven of twist: hebt gij mij begrepen?

—Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig.

—Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij het klooster zijt.

De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later waren allen, links of regts, aan de hoeken der naast bijliggende straten verdwenen.[43]

Pepito was alleen overgebleven.

—En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik hier alleen achterbleef.

—Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat?

—Dat ’s waar, daar dacht ik niet aan.

—Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne onderneming mag slagen, daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig bij mij komen.

Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot.

Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed in de oogen, wikkelde zich digt in zijn mantel en verwijderde zich met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende:

—Zou ik slagen?

Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden.

Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel maakt een statige en indrukwekkende vertooning, als alle Spaansche kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad in de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, een groote spijskamer en keuken, een uitgestreken moestuin, boomgaard en wel aangelegde warande met prachtig geboomte bezet, tot geschikte wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met groote schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende uit het leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen, met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan: een kleine slaapsteê, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich een spiegel bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een guitare en een tuchtroede, eene beeldtenis der Heilige maagd van hout of albast, met een krans van witte rozen op het hoofd en een altoos brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat op geringe uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is.[44]

Het Bernardijnen-klooster bevatte, op het tijdstip van ons verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig novicen. In dit land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters opgesloten; de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of ontvangen; de regel orde is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche godsdienstpligten, die zij met de grootste stiptheid moeten naleven, hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn teruggekeerd, schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat iemand er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen.

Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op elkander gelijken; alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke beschrijving. Men zou inderdaad bezwaarlijk een boudoir vinden, waar zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het was eene spatieuze vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee boogvensters met in lood gezette ruiten, op welks glazen heilige voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld goud-leerbehangsel gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit het leven van den heiligen Bernardus voorstellende, versierden hier en daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen smaak, dien men zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter een eenvoudig maar keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met welriekende olie gevuld, hing aan de zoldering voor het outaar, dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon door eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en onzigtbaar gemaakt.

De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk zich de slaapstede der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van gesneden eikenhout en met een wit gazen behangsel, om de moskieten af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, waarop eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer geplaatst; in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast, geheel opgevuld met werken van godsdienstigen aard, wier prachtige, rijk vergulde banden men door de glazen deuren zag blinken; verder stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde pooten hier en daar tegen den wand.

Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat, tegenover een prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk, wat snijkunst betrof, als een meesterstuk in den stijl der renaissance kon worden beschouwd.

Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten getemperd, over al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans, die den bezoeker met zeker gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde en aan het ruime vertrek een gestreng, bijna somber aanzien gaf.

Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden—namelijk weinige minuten voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven [45]hebben—zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige leuning, boven welken de kroon der kloostervoogdij prijkte, en welks goud-lederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud geboord was.

De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent zestig jaar; hare gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeijende lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door een hevige drift bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en scheen in diepe aandacht verzonken.

De deur van hare cel werd zachtjens geopend; een jong meisje, in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden voet te durven aanraken.

Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de abdis zat, verlegen staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op haar zou gelieven te rigten.

—Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk, toen zij de tegenwoordigheid der proefnon opmerkte; kom nader.

De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit.

—Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof te vragen?

Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden.

De abdis hervatte op strengen toon:

—Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den nonnensluijer eerst over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij, even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand anders.

Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die het jonge meisje deden sidderen.

—Heilige moeder! prevelde zij zacht.

—Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze kind, dat zich voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als een rietstaf, en dat dezen morgen gestorven is.

—Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de nieuwelinge bedeesd en met eene haperende stem.

—Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik eener slang.

—Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik terugdeinzende.

—Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart bijgewoond? vervolgde de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de gebeden dan niet gehoord die over hare kist werden uitgesproken?

—Dat heb ik, moeder!

—Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen [46]de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt gij deze treurige en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt gij dan nu nog durven beweren dat dit alles slechts bedrog is en dat zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijnen toorn plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen die de Satan tot muiterij aanspoort?

—Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan er niet aan twijfelen, zij is voorzeker dood.

Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer bedwingen en liet hare tranen den vrijen loop.

De abdis zag haar uitvorschend aan.

—Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas op! Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw hart tot opstand drijft, en ik zal u in ’t oog houden.

Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan.

Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, als van een onstuimige troep volk, schenen snel te naderen.

—Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer?

Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van hare cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd.

—O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons eindelijk komen verlossen?

Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio terugkeeren, dien wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne kameraden in de rigting van het klooster optrok.

Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond gestopt en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet minder dan twaalf serenos waren op deze wijs opgevangen en gekneveld.

Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order gegeven om de medegesleepte serenos op den grond te leggen, en aan den voet van den muur op elkander te stapelen.

Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn gezigt mede; de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook door zijne medgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar eene kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deur met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed [47]te voorschijn, om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte; de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk een schaar van gemaskerden voor zijne deur verzameld zag.

Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op den man af.

—Buenas noches! goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde dat ik u zoo wel zie.

De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide:

—Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed.

—Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede.

—Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende.

—Ja, gij.

—Maar waarin kan ik u van dienst zijn?

—Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster op een witten voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en ten tweede als hombre de bien y religioso (fatsoenlijk en vroom man.)

—O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend.

—Geen gemaakte nederigheid, als ’t u b’lieft! ik weet dat gij in het klooster genoeg vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te zien openen; en om die reden alleen verzoek ik u ons te vergezellen.

—Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero … riep de arme pulquero verschrikt.

—Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra Senora del Carmen, ik steek uw huis in brand!

Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de zwarte maskers en begon tegen wil en dank te gehoorzamen.

Het huis van den pulquero1 lag slechts weinige schreden van het klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, en don Torribio wendde zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem stond:

—Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak nu maar handig dat de deur van het convent ons geopend wordt.

—In ’s hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende om zich te verzetten; hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik geen middel weet om.…

—Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat ik geen tijd heb om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het klooster komen en deze beurs, die vijftig oncen goud bevat, is voor u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit zijn gordel halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop.

Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten van zijn land waren hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten.[48]

—Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool overhaalde, hebt gij u bedacht?

—Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal beproeven wat ik kan.

—Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de beurs overreikende.

De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard, en een glans van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij langzaam naar de poort van het convent, blijkbaar met zich zelf in beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke som die hij ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het minste gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten het bekennen, zich niet zoo gemakkelijk laat vinden.

1Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten pulquerios. ↑

[Inhoud]
VIII.
Eene duistere geschiedenis. (Slot)
De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens schoot hem eene heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op de lippen greep hij den klopper die voor de deur van het klooster hing.

Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen.

—Wat is het? vroeg Salado.

—Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten minste behoort te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander middel te gebruiken.

—Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster waakt altijd.

—Weet gij dat zeker?

—Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en bang was dat hij het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio misschien van besluit veranderde—het Bernardijnen-klooster te Mexico is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen komen halen voor zieken. Laat mij dus begaan.

—Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm loslatende.

Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen: hij maakte dus spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn koperen knop.

Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden de poort tegen den muur gedrongen, om zich niet te laten zien.

Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en verscheen het gerimpeld gezigt der portierster voor de opening.

—Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig [49]schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der Bernardijnen?

—Ave Maria purissima (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een toon zoo kwezelachtig mogelijk.

—Sin peccado concebida (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek, broeder?

Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is bitter verslagen.

—Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar de nacht is zoo donker dat ik uw gezigt niet kan zien.

—Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de pulquero; maar hij vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont.

—Ah! nu ken ik u wel, broeder.

—Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don Torribio.

—Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje, riep de oude, een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk nadeed; het is zoo koud van nacht en ik moet nog zooveel paternosters bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen.

—Valga me Deos! zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank; de pater gardiaan der Franciscanen heeft mij aanbevolen om u drie flesschen wonderwater te vragen.

In ’t voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in Mexico zeker geheim geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht heeft om alle kwalen te genezen en waarvan de opbrengst ten voordeele der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht van dit water betreft zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel duur verkocht wordt en aan het klooster groote inkomsten verschaft, laat zich ligt begrijpen.

—Santa Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen glinsterden van genoegen bij de buitengewone aanvraag van den pulquero,—drie flesschen! herhaalde zij.

—Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten, daar ik zoover heb moeten loopen; en bovendien de angst over mijne zieke vrouw en kinderen heeft mij zoo ter neêrgeslagen, dat ik naauwelijks op mijne beenen staan kan.

—Arme ziel, riep de portierster medelijdend.

—O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster.

—Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er niemand in de straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men nooit te voorzigtig kan zijn.

—Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de bandieten een wenk gaf om zich gereed te houden.

—Dan zal ik u de deur openen.

—De hemel zal u loonen, zuster.[50]

—Amen! zei de oude non.

Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels afschuiven, en de deur werd geopend.

—Kom gaauw binnen, broeder, riep zij.

Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan don Torribio zijne plaats in te ruimen.

Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om zich te herstellen, greep hij haar bij de keel en kneep die met de beide handen als in een schroef.

—Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in ’t oor, draai ik u den hals om.

Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt met een zwart masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig, dat zij op den grond viel en geheel buiten kennis liggen bleef.

—Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte gevolgen van zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen?

In ’t eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te brengen; doch weldra ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee der zijnen een wenk om haar stevig te binden en een prop in den mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan de deur op schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos meester dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in, gevolgd door al zijne kameraden, om het eigenlijke verblijf der nonnen op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk om in dit eindelooze doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis te vinden, daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken.

Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want ofschoon zij zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, waren zij met de inwendige gelegenheid volstrekt onbekend. Op het oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, hun plan deed gelukken.

De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over de binnenplaatsen en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren, terwijl zij schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek hoe verborgen of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van hun chef.

De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden natuurlijk door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of er had eene aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zij hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed, als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt naar de kamer der kloostervoogdes.

De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen [51]en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende terstond hare deur, verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en zich thans aan het hoofd der troep stellende, trok zij onverschrokken naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met allerlei soort van wapenen zwaaijend rondliepen, of de moed ontzonk haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had, snelde don Torribio naar haar toe en riep:

—Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen dat gij zelve bedreven hebt.

Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende en gemaskerde mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan den grond geworteld.

—Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem.

—Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef, en zich thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de gezwavelde lonten.

De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde.

—Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd had den sluijer aan te nemen, hier plotseling gestorven.

De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen tot den spreker.

—Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij onverschrokken.

—Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik vervolg dus: die nieuweling, naauwelijks zestien jaar oud, heette dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van dit klooster; vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning, in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten.

Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden blik op de abdis.

—Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde zij koelzinnig.

—Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door uwe angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten over te gaan.

—Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos even onverstoorbaar; ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal [52]mij derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan.

—Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is godslastering, het is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat; maar dat gaat mij niet aan, dat is uwe zaak; de mijne daarentegen is deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang der grafkelders aanwijzen en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat.

—En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig.

—Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, als om het haar des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel worden opgeofferd en gij,—gij, vervolgde hij met een grijns die allen deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen worden, die u, ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken.

De abdis glimlachte met minachting.

—Begin maar met mij, zeide zij.

—Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met eene ruwe stem tegen zijne gezellen, terstond de handen aan ’t werk.

Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde geen de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon eene onwillekeurige naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen hare innerlijke ontroering bewees.

—Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio.

—Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of gij den wil van eene oude vrouw kunt beheerschen.

—Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel.

De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen.

—Houdt op, in ’s hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet.

Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd.

Er volgde eene tweede plegtige aarzeling.

—Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot ondergaan. God ziet ons.

—Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde het meisje met nadruk; Hij is het die deze mij onbekende mannen herwaarts heeft gezonden, om eene groote misdaad te beletten. Volgt mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de grafkelders wijzen.[53]

—Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de handen der bandieten poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich al mijn toorn vereenigen.

—Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden van zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen pligt te vervullen.

—Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een einde aan! riep de kommandant. Zijn bevel werd onmiddellijk uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen weinige minuten tot zwijgen gebragt.

—Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd.

Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.—Ik zeg u duizendmaal dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem, voleindig wat gij zoo wel begonnen zijt, en geleid ons naar die afschuwelijke grafkelders.

—Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende.

De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied.

Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds verspreid en waren zij naar hare cellen teruggekeerd.

Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar deden sidderen.

—Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat ik alles wist, Senorita; ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen.

Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden.

—Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij; alleen en zonder beschermer ten prooi aan den haat van deze furie, die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen; zou het dus niet beter zijn haar te volgen?

—Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar.

—Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe hulp en troost zal noodig hebben? Zijt gij niet hare pleegzuster, hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou het u beletten? Gij zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich op Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u.

Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees.

—Kent gij mij dus? riep zij.

—Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was het niet om u zelve, doe het dan om harentwil; ga met mij mede en dwing mij niet om u hier achter te laten, in handen van vijanden die u met gruwzame straffen bedreigen.

—Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig.[54]

—Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond.

—Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen, ofschoon ik niet weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik u niet en al verbergt uw masker u voor mijn oog, ik wil uwe woorden gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel hart bezit, de Hemel verhoede dat ik hierin dwaal.

—Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven, mijn arm kind.

Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht, en dreigde in tranen uit te barsten.

De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit oogenblik de holle gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren ledig hadden gestaan.

—Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht dat de grafkelders in dit klooster, even als in alle anderen, zich onder den vloer der kerk bevonden.

Het jonge meisje glimlachte droevig.

—Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene bevende stem.

—Waarheen dan?

—Naar het in pace!

Don Torribio smoorde eene bittere verwensching.

—O! mompelde hij.

—De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder nederdaalde, vervolgde dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, de dooden niet anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra was de plegtigheid niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren werden voor de toeschouwers gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, die nog niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het in pace in het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar—hier zijn wij er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene groote zerk aanwees, die plat op den vloer lag, midden in de ruime zaal waar zij thans binnen traden.

Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle, geheel ledige zaal, die gemaskerde mannen, in groepen verzameld rondom dat jeugdige, geheel in ’t wit gekleede meisje, en alleen verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, dit alles had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten der middeleeuwen, wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers en koningen te vonnissen.

—Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem.

Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende zich een donker keldergewelf, waar een laauwe walm uit opsteeg. Don Torribio nam een toorts en bukte om in de opening te zien.[55]

—Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel ledig.

—Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager.

—Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne ontroering naauwelijks meester bleef.

—Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk ontdekken, of het geschreeuw der martelaars daar buiten kunnen hooren weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde grootte als deze, en boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, een der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden afzonderen, wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten, dien men de hel noemt! Daar smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. O! de inquisitie wist hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort geleden in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen verdwijnen; zoek dus lager, caballero, zoek dieper.

Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd parelen, hij dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl hij met de uiterste inspanning zijne woede bedwong, klom hij langs een touwladder, die aan een der wanden van het onderaardsch gewelf hing, in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd.

Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De steen werd opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle spelonk.

—Zij is ledig! riep hij verschrikt.

—Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona Luisa die aan den rand van den bovenkelder stond.

—Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus verdiende gemarteld te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig van smart.

—Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het jonge meisje; maar haast u, haast u toch! iedere minuut langer is eene eeuw voor haar die u wacht.

Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan ’t werk om den derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken zag hij zijn arbeid bekroond.

Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht te geven die uit het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed uitgaan, bukte hij voorover in de diepte.

—Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle gewelf meer geleek naar die van een tijger, dan van een mensch.

En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten, sprong hij in den kelder.

Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in de zaal, met het levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen.

—Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen toe; blijven wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf van wilde dieren met menschelijke aangezigten.[56]

Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten opgenomen, en allen verwijderden zich op een draf in de rigting van het klooster. Weldra bereikten zij de plaats waar de abdis lag.

Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze poging om hare banden los te rukken, en kronkelde zich als eene geboeide slang, terwijl zij de mannen die hare snoode plannen hadden vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp.

—Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en verachtelijk met den voet schopte, wees vervloekt doemwaardige, uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt.

Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste toppunt bereikt, mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop een weinig te verschuiven.

—Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een doodkreet in de ooren klonk.

Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte.

Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone bewoners overgebleven.

[Inhoud]
IX.
Vrij-Kogel en Loer-Vogel.
Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon hij met een nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen.

Er volgde een ruime poos stilte.

Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone geschiedenis gebogen, veroorloofden zich geen enkele aanmerking.

Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op.

—Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie; maar neem mij niet kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo vrij ben u aan te merken dat zij in geen het minste verband schijnt te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met de gebeurtenissen in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij ten minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn.

—Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers met de gebeurtenissen te maken die er in Mexico, of in eenige andere stad in het binnenland voorvallen? Wij zijn hier in de wildernis om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden te vechten, alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan.

Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van gewigt, werktuigelijk zijne pijp naast zich neêr.

—Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat [57]ik over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen aanhooren, zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige beteekenis had?

—Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft, moet ik u zeggen dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons verteld hebt.

De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige oogenblikken de hoogte der zon waar te nemen om het uur te berekenen.

—Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus nog meer tijd dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar de karavaan u wacht die gij den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; wat ik u verteld heb bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo gij lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen.

Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen wil prijs geeft, om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die hij te voren weet dat hem weinig belang kan inboezemen.

Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten, of zich om zijne gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal weder op, in dezer voege:

—Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken behandeld had met eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat schenen om allen argwaan te verwijderen en zijn avontuur met een ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter was de evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet alleen nog spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven, die hij alle dagen aan den jongman had ter hand gesteld,—brieven daar deze hem zoo duur voor betaalde en die de oude rekestschrijver, met de aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig bewaard had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio, of zelfs, wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken, wanneer hij het slagtoffer mogt worden van een of ander verraad. Dit laatste was thans werkelijk gebeurd: de evangelista, den volgenden morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in zijn pothuis gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring aan den Juez de lettras (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren te overhandigen, eer hij stierf. Deze manslag, in verband met de opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed spoor aan, dat zij met den meesten ijver begon te volgen, des te meer daar de jonge dochter wier lijk zoo stoutmoedig werd weggeroofd, veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen bekende redenen, dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat de bandieten, het klooster verlatende, paarden hadden genomen, die [58]hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden teugel waren weggereden in de rigting der presidios. Tevens gelukte het, een der personen te ontdekken, die de paarden geleverd hadden; dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door het goud dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf, verklaarde, dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en twintig remonte paarden had verkocht, af te leveren des morgens ten twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; daar deze paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd over de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur der aflevering. Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende twee vrouwen in hunne armen, waarvan de eene naar het scheen in onmagt lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen galop verwijderd. Het spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, waar don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar had hij een gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en de noodige levensmiddelen voor eene langdurige reis in de woestijn; en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen met zijn geheelen troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat iemand wist te zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd genoeg, maar toch in zoo verre voldoende, dat zij de ouders van het vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen voort te zetten.

—Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend, viel Loer-Vogel hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als gij gedaan hebt zal ik u eenige opmerkingen maken, waarvan gij, zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen.

—Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel, en hij vervolgde: Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een gewigtige dienst had bewezen en dien ik sinds al dien tijd niet weder ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, als hij mij zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven die ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken; Ruperto en ik bevonden ons juist aan het presidio de Tubac om eenige tijger- en pantervellen te verkoopen. De man dien ik bedoel deelde mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde er nog bij dat hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist mij zoodanig te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan zijne vijanden te wreken. Twee dagen later gingen wij zamen op weg om de bandieten op te sporen; voor iemand die zoo bedreven is als ik, om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen der bandieten slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der Spaansche karavaan onder kommando van don Miguel Ortega.

—Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal?[59]

—Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben?

—Waartoe zou dat dienen in de woestijn?

—Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen.

—De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging?

—Don José verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat hij haar altijd zoo lief had gehad als een vader.

—Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd hebt, als ik mij niet vergis.

Vrij-Kogel krabde zich achter het oor.

—Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt dat zij alles behalve dood is, integendeel.…

—Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij dit, en is het dan met zijne toestemming geweest dat men het arme schepsel levend heeft begraven! Maar als dat zoo is, dan steekt er een verfoeijelijk geheim achter.

—Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste stem. Nu gij het zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en dat ik er bang voor begin te worden! Intusschen heeft die man mij eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste reden om hem te verdenken, en.…

Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager.

—Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten, wij beminnen elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de prairie ons gezamentlijk nachtleger en deelen wij elkanders geluk en ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, hetzij in den strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen; zeg ik de waarheid, of niet?

—’t Is de waarheid, Loer-Vogel, ’t is de waarheid, en hij die anders sprak zou moeten liegen! antwoordde de jager getroffen.

—Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat op het punt van begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten wij waken, zorgvuldig waken; wie weet of de Voorzienigheid ons niet als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen te ontmaskeren en de onschuldigen te doen zegevieren. Die don José, zegt gij, heeft verlangd dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, Ruperto en ik, wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend, nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden.

—Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik wil u wel zeggen dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond mij zwaar op het hart woog. Ik ben maar een arme jager die van zulke schandelijke streken uit de steden niets begrijp.

—Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op de regte plaats; maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu wij het over de zaken eens zijn geworden en elkander verstaan hebben, dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg te gaan.[60]

—Ik zal vertrekken zoodra gij wilt.

—Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen?

—Opperbest.

—Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto.

—Gij kunt mij eene dienst bewijzen.

—Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid.

—Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een paar dagen bondgenooten noodig op welke wij vast kunnen staat maken; die bondgenooten zou het hier aanwezige opperhoofd, zoo wij er hem om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus naar zijn dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor te volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij maar zorgt dat wij, wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u vinden kunnen.

—Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond; stel u gerust.

Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit wat hij van hem verlangde.

—Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd met edele waardigheid; de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam; tweehonderd krijgslieden zullen op den eersten wenk van mijn vader het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun mond uitblaast komen voort uit hun hart.

—Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand drukkende die de Roodhuid hem toestak, dat de Wacondah u behoede terwijl gij op weg zijt!

Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde, die geen sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander: Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos in westelijke rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd.

—Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen hebben, merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den linker arm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten woudlooper kenschetst.

—Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer bezorgden toon. In allen geval zullen wij een gewigtige waarheid gaan ontdekken.

—Zoo denk ik er ook over, zeide de ander.

—Een ding is er dat ik vooral zou willen weten.

—En dat is?

—Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt.[61]

—Pardi! eene vrouw, zonder twijfel.

—Wie heeft u dat gezegd?

—Niemand, maar ik vermoed het.

—Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles zich ophelderen.

—God geve het!

—God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem behaagd heeft in onze harten de vermoedens te verwekken, die ons op dit oogenblik verontrusten, dan is het, zoo als ik u daar even reeds gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid wil maken.

—Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel, eerbiedig zijn muts afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt.

Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat, en liepen de een achter den ander, om de moeijelijkheden van den weg beter te vermijden.

Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken.

—Het is reeds laat, zei Loer-Vogel.

—Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten den verloren tijd weder zien in te halen.

—Hoe zoo?

—In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u?

—Ja, als wij maar paarden hadden.

—Die denk ik u juist te bezorgen.

—Hebt gij dan paarden?

—Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens in den omtrek gelaten, om de plaats te bereiken waar don José mij besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met eene praauw.

—Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part, ik wil u wel zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie gemarcheerd dat mijne beenen mij naauwelijks willen dragen.

—Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden.

Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door Vrij-Kogel aangewezen rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden rustig grazen en peul-vruchten of jonge struiken knabbelen. De edele dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken de fijne en schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te gemoet. Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld; alleen hing de bossal (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten het tuig in orde, stegen in den zadel en stelden zich in beweging.

—Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij zeker in tijds te zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven ons zelfs niet te haasten, maar kunnen op ons gemak zamen praten: zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien?

—Nooit, moet ik u zeggen.[62]

—Dus kent gij hem niet.

—Als ik mij op don José beroepen mag, is hij een schurk; wat mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem te doen heb gehad, zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem kunnen geven.

—Dat is bij mij anders, ik ken hem.

—Ei!

—Ja, door en door.

—Sinds lang reeds?

—Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem te beoordeelen.

—Zoo; en wat denkt gij wel van hem?

—Veel goeds, maar ook veel kwaads.

—Te duivel!

—Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in hetzelfde geval?

—Min of meer, dat stem ik u toe.

—Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen; toen ik dus dezen nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken, heb ik u een uitwijkend antwoord gegeven en gezegd dat ik hem te weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst niet wilde belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen opzigte weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen zult over de hulp die gij tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij hem noemt, verleend hebt.

—Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan God alleen?

—Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw gevoelen gansch en al te kennen.

—Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis die gij mij dezen nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft.

—Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat?

—Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:.…

—Laat hooren.

—Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding in wereldsche zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te nemen van iemand, dien gij, volgens de beginsels welke wij hier in de prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen—zoo niet als een vijand, dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne verbindt, en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan.

Loer-Vogel begon te lagchen.

—Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij.

—Niet waar?

—Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan goede redenen waarom ik de verdediging van dien man op mij heb genomen; over die redenen kan ik mij echter thans niet uitlaten; [63]zij zijn een geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat gij spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude vriendschap te berusten en mij naar eigen goedvinden te laten handelen.

—Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de zaak te krijgen, en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen.

—Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar houd u thans stil en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen moeten.—Te duivel! de Mexicanen hebben zich niet laten wachten, ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen.

Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de eene zijde tegen de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende, in geregelde orde was aangelegd, als een verschanste redoute, met balen en gekruiste boomstammen versterkt en front biedende aan de prairie.

De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden, en kregen zonder moeite verlof om binnen te komen.

Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder oogenblik.

De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig neer bij het kampvuur.

Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had, des morgens vroeg reeds vertrokken.

[Inhoud]
X.
Nieuwe Personaadjen.
Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt als verhalers gebruik makende, ruim veertien dagen in ons verhaal terugtreden, om den lezer op een tooneel te verplaatsen dat met de gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband staat, al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval onze hoofdpersonen verzameld had.

De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende benamingen, het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte van het zuiden tot het noorden doorloopt, heeft vele uitgestrekte llanos of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene talrijke bevolking leeft, op hoogten waar in Europa alle plantengroei verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac—een vooruitgeschoven post der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn—voorbij is en dan het tierra caliente, of warme land, ongeveer honderd mijlen in zuidelijke rigting is binnengetrokken, komt men eensklaps en zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld, als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en ruim tachtig mijlen breedte.[64]

Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende voorstelling te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze wonderen te beschrijven die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit warbosch van boomen en gewassen in zich bevat; de stoutste schildering schiet te kort om er den indruk van weer te geven, zoo wonderbaar fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding deinst terug voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte natuurbosschen, die gestadig als uit hun eigen vernietiging herboren zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom ontwikkelen; reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend, dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te kruipen of op nieuw wortel te schieten, en een eind verder zich weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander kruisend in tallooze kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken doolhof, om een schier onoverkomelijken slagboom te vormen, als ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde zij hare geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des stervelings, wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf dezer wouden slechts zelden, en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen van allerlei leeftijd en soort, als door de hand des toevals gezaaid, schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt als halmen op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen, rank en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten gewelf der ouderen, wier trotsche kruinen de kracht der stormen en der eeuwen hebben verduurd, en die hunne magtige armen ver in het rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen heldere en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen, na tallooze wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer of rivier zonder naam, wier bruischende stroom of kalme waterspiegel nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets anders terugkaatste dan de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig over hen uitbreidt.

Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle pracht hunner schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen der tropische plantenwereld: de acajou-boom, de palissander, de ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, de kurkboom, de ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa, spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen, vruchten en bladeren, en vormen een dom van het levendigst groen, of een digt verwulf, waar geen zonnestraal in doordringt en waaronder zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. Uit het diepst dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke geluiden: woest gebrul, gemaauw van boschkatten, gehuil van wolven, geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld door scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische klaagtoonen, of stemmen van toorn, woede en [65]verschrikking van de duizend wilde dieren die er in huisvesten.

Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer ontgonnen natuurwoud gestreden, en met de bijl in de eene en de brandfakkel in de andere hand, zich te midden dezer chaos duim voor duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft men eindelijk een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog moeijelijker bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over den duizendjarigen afval van blad, dood hout, rottende boomstammen of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens springend of klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in de lucht wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te letten op alles wat hem omringt, of het oor sluit voor het onzigtbaar gevaar! want behalve de hindernissen door het plantenrijk in den weg gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang die men in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het wild gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten op den kronkelloop van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras, dat zich onkenbaar onder den onveiligen bodem verschuilt; overdag, zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten naar den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas; want als men ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er onmogelijk weder uit: geen doolhof van Dedalus zonder een leiddraad van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit.

Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en duizende anderen die wij niet konden beschrijven, door te worstelen, dan komt men aan eene ruime vlakte, aan alle zijden door wouden omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad verheft.

Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige verblijven, in welke tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan was binnengedrongen, wier juiste ligging men zelfs niet wist te bepalen en waar, volgens de verzekering der Indianen, sedert de verovering van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken zich heeft teruggetrokken.

De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de onberekenbare in deze steden begraven schatten werden uitgestrooid, hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers gaande gemaakt, en vele hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren pad naar deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug te vinden. Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare nieuwsgierigheid die de zwerfzieke verbeelding van sommige menschen ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert de laatste vijftig jaren, zich aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, maar zonder dat een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar het onbekende teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken op den bodem van steile rotskloven of in de quebradas (verbrokkelde gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk, [66]welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig spoor achter te laten, of zonder dat men ooit weder iets van hen heeft gehoord.—

Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden, doch die wij eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen wil en keus verpligt geweest, in een dezer ontoegankelijke steden verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan onze voorgangers, wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door te worstelen en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden.

De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten volgen, is dus met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door niemand worden gelogenstraft, daar wij spreken nadat wij gezien hebben.

Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het onmetelijk oer-woud, daar wij straks eene vlugtige schets van gaven, is doorgeworsteld, strekt zich uit in een langwerpig vierkant van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, waarover hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van verwonderlijke ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele lengte. Aan iederen hoek van het vierkant verheft zich eene verbazend groote rotsmassa, die aan de zijde welke over de vlakte uitziet, loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte dient; deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een doorloopenden muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig voet dikte. Aan de binnen- of stadszijde vormt deze muur een talus of helling, die aan haar basis zestig voet breedte heeft. De muur is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde klei gebakken briksteenen, die men adobas noemt: elke steen is omtrent een meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt bijna de hoogte van den muur.

Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan weerszijde een ronden toren met zoogenaamde peperbus-spitsen, die aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken; wat deze gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken zamengestelde, bijzonder smalle brug, die bij het minste onraad kan worden opgehaald of weggenomen, en die het eenige middel uitmaakt om door de poort naar buiten te komen.

De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in verband staan; zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt gebouwd, wegens de aardbevingen welke in deze streek niet zeldzaam voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en van vele vensters voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels zijn met een schitterend wit vernis bestreken.

Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras zich verheffende, heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en uitlokkend voorkomen.

Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen, [67]wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte moeijelijk lieten onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch uit, en hielden eenige oogenblikken stil aan den uitersten rand, onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen begonnen zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine heuvel, die nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin, hoe weinig verheven ook, den horizont regtlijnig afsneed en hun het uitzigt belette.

Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg.

Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten, verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug van verrassing en bewondering.

De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt, en ook de hellingen zoowel aan de regter- als linkerzijde waren bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen, strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de geheimzinnige stad Quiepa-Tani1, met haar sterke torens en dikke muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis, wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in stomme verbazing deed wegzinken.

Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde zich tot zijne kameraden:

—Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als een Indiaan deed kennen; heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden?

—Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is regt, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een der beide mannen die hij had toegesproken.

De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach zou zijne twee togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien.

—Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden, merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had.

—Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar Quiepa-Tani geleiden, antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds te donker.

—De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten onzen togt tot morgen uitstellen.[68]

—Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven.

Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en verlaten scheen.

De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren heerscht, had plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest avondconcert. Het scherpe geschreeuw der nachtvogels, die thans wakker werden en zich gereed maakten om de loeries, de colibrietjes of de laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen, vermengde zich met het gebrul der congouars2, het valsch gehuil der jaguars3 en panters, en het schokkend geblaf der coyotes4 wier echo’s akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en spelonken waar deze gevaarlijke gasten zich verscholen hielden.

Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen de drie mannen weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te midden van eene opene plek in het bosch was aangelegd.

Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij neergevlijd en zaten in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes telden te zamen naauwelijks dertig jaren, zij waren bijzonder schoon, en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken herinnerden aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van Rafaël in zijne Madonna’s heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans schenen zij vermoeid en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch der naderende voetstappen, sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, als een vrolijke zonnestraal op haar gelaat.

De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te verflaauwen, terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden, die op korten afstand vastgekoppeld stonden, van erwten en gras te voorzien.

—Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager wendende, die naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij haast aan het doel onzer reis?

—Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend Addick, gaat gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk verblijf vinden, waar niemand u zal kunnen vervolgen.

—Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en onverschillig gelaat van den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden?[69]

—Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het.

—Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken?

—De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op mijne ondervinding; mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt, zoo jong als gij zijt, reeds genoeg geleden. Het is wel noodig dat een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de sombere wolken verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben.

—Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen die haar langs de wangen liepen.

—Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere meisje, haar teeder omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde zij op vleijenden toon: ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last u minder zwaar vallen.

—Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil zijt gij ongelukkig, hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden?

—Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door weder moed te scheppen.

—Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe vervolgers buiten de mogelijkheid hebben gebragt om u verder te schaden; ik speel met hen eene vreesselijke partij, waarin ik mijn hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang als ik afwezig ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten die ik voor u heb opgespoord, en dat gij mijne terugkomst geduldig zult afwachten.

—Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een wonderwerk gered; mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik lief had hebben mij verlaten, behalve Luisa, mijne pleegzuster, die hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, dien ik niet kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken nacht, toen gij mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere en verstandige zorgen mij omringd, en waart gij in plaats van mijne verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een vader.

—Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst als gelukkig.

—Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare ontroering, om u te bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet niet wat de goede God in zijne wijsheid over mij beschikken zal, maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste gedachten voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal u gehoorzamen; geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken glimlach, ik beschouw mijn leven slechts, als een wanhopige speler zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid of er ook iets van komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt; vertrek dus zonder vrees, ik stel vertrouwen in u.[70]

—Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu ben ik zeker dat ik slagen zal.

Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de dames een soort van rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt, waarop zij zich konden nedervlijen. Zij verwijderden zich dus, om de welkome rust te genieten.

Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte zich, na nog een poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het vuur uit, terwijl zijne twee kameraden beurtelings zouden waken; en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis verliest de natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk gestel te verdringen of tot zwijgen te brengen.

Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder met bleeke opaaltinten te kleuren, of de jagers stonden op. De toebereidsels voor hun vertrek waren weldra gemaakt, het oogenblik der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee jagers hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld, om des te langer bij haar te blijven.

Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast elkander konden gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om den jager, die don Miguel zou vergezellen, te naderen:

—Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene zachte stem.

—Spreek, zeide de jager op denzelfden toon.

—Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in.

—Ten onregte, Senorita, ik ken hem.

Zij schudde met weerzin het hoofd.

—’t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo niet, dan zal ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had dat hij er niets van wist.

—Spreek vrij, zeg ik u.

—Geef mij een mes en uwe pistolen.

De jager keek haar verwonderd aan.

—Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een moedig meisje, ziedaar wat gij mij vraagt.

Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de voorwerpen die zij van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes bij, een met kruid en een met kogels gevuld.

—Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij.

—Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde.

Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen onder hare kleederen, met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager er om glimlagchen moest.

Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch.

—Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames verantwoordelijk stel![71]

—Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde.

Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer op eene plaats te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen kon worden ontdekt.

De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad.

—Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen voor het laatst te zien.

—Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef.

Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek die zij den vorigen avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen.

In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel, hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling.

Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen schotel.

Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren.

Don Miguel slaakte een bitteren zucht.

—Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem.

Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren zij weder op weg.

Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug.

—En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan een Indiaansch hoofdman van mijne kennis.

—Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen te dienen?

—Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt wel dat dit de mijne is.

—Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte stem.—Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze volgende bijeenkomst.[72]

—Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del Rubio bij u; dat is afgesproken.

—Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt.

—Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in ’t minst niet nieuwsgierig om het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij elkander niet kennen, niet waar?

—Ja, dat is van het meeste belang.

—Welaan dan, adieu.

—Adieu.

Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop.

1In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg, dus in ’t Hollandsch: Hemelberg. ↑

2Amerikaansche leeuw. ↑

3Tijger. ↑

4Wolf. ↑

[Inhoud]
XI.
Het veer del Rubio.
Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud, en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en wanluidende kreten aanhieven.

In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen.

Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen.

—Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze houding half naar hem toewendde.[73]

—Een weinig slapen, antwoordde de jager.

—Slapen?

—Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er ten minste niets tegen hebt.

Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn.

—Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in ’t onzekere te laten, het zou wel kunnen zijn.…

Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden.

—Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt.

—Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is.

—O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een man van beproefden moed en buitengewone kracht.

—Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd.

—Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt?

—Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging.

—Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen?

—Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden.

—Daar wilt gij mede zeggen?.… vroeg de Canadees min of meer gepikeerd.

—Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels vergeten zijt.

—Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten?

—Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan.

—Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis verschuilen.

—Sluipmoord namelijk.

De Canadees huiverde onwillekeurig.[74]

—Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij.

—Waar zou ik anders voor vreezen?

—’t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen?

—Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er van is.

—Maar hoe zult gij dat zien?

—Ik weet het niet, God zal het mij ingeven.

—Gij hebt toch zeker het een of andere plan?

—Ja, dat wel.

—Wat dan?

—Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult helpen uitvoeren.

Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand.

—Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan.

—Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen.

—Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal uitblijven; het regent reeds met groote droppels.

—Een reden te meer om ons te haasten.

—Gij hebt gelijk.

—Vergezelt gij mij dan?

—Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan?

—Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe goedheid.

—Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig.

—Hoe zoo?

—Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken.

Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit oogenblik bevond.

Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den uitgang van het kamp.

De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters.

Deze waren in ’t minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden.

—Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten.

—Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek.

—Op dit uur?

—Waarom niet?

—Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan de prairie af te loopen.[75]

—In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren mijner plannen veroorzaakt.

De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne overweging stonden af te wachten.

—Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den uwen doet met op deze wijs uit te gaan.

—Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord.

—Ik luister.

—Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot gevaar. Hebt gij mij goed begrepen?

—Zeer goed.

—En zult gij doen, wat ik u aanbeveel?

—Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen.

—Goed, tot wederziens!

—Goed geluk!

De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen gesloten werd.

Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los.

Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen begon te vallen.

Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der verschrikte [76]roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken tegen den zandigen oever.

Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, bleven beiden plotseling staan.

De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte.

Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd.

De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch.

De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur.

Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar verkeerde.

Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden.

Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider oor getroffen.

Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig voorwaarts, [77]hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet.

Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste.

—O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is een mensch in doodsgevaar.

—Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel.

Zij hadden elkander begrepen.

Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden?

Voor hen uit lag het onmogelijke.

Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij den stand der wateren.

Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te kunnen onderscheiden.

—’t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp te snellen?

Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door het zwerk.

Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met den stroom worstelen.

—Moed! moed! houd moed! riepen zij.

—Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem.

Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen zij snuivend en sidderend in de rivier.

Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het midden der golven.

De man die zij ter hulp kwamen was getroffen.

Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door hetzelve in het water liet voortsleepen.

Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven.[78]

—Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek.

—Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel.

De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden bliksemslag af om hem uit te werpen.

Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte.

—Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo!

Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug.

—Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid afwachtte om vuur te geven. Heb even geduld! ik kom.

Een nieuwe bliksemvlam flikkerde.

Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever klonk den jagers een kreet van woede en smart in de ooren.

—Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de kerel is, en hiermede zijn buks achter den rug werpende, wendde hij zijn paard naar Vrij-Kogel.

Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd was zich voelde ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde het met instinctmatige schranderheid de pogingen die men aanwendde om het te redden.

De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso gespannen. Door de vereenigde krachten hunner paarden met die van het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom te breken, en na eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen stegen af en ijlden naar het paard van den onbekende.

Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de voeten had, bleef het staan, als scheen het te begrijpen, dat het door verder voort te gaan, gevaar liep zijn meester—die ofschoon geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten vuist vastklemde,—tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden thans de teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered hadden in hunne armen en droegen hem eenige passen van den rivierkant onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. Beiden bleven met gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk te herkennen.

—O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en verschrikking, het is don Miguel Ortega![79]

[Inhoud]
XII.
Don Stefano Cohecho.
Zoo als wij aan het slot van ons IIIde hoofdstuk gezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt.

Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat alle dingen in volkomen orde waren.

Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door het minste gedruisch gestoord werd.

Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht op zijn schouder gelegd.

De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden.

—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon.

Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem:

—Is dat alles?

—Alles, antwoordde Domingo.

Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid.

—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan.

Domingo bedacht zich een oogenblik.

—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten.

—Weet gij ook de rede van die waarschuwing?

—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het veer del Rubio.

Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen.

—Weet gij dat zeker? vroeg hij.[80]

—Hij heeft mij zoo gezegd.

Er volgden eenige sekonden stilte.

—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd?

—Niets.

—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen.

—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen.

—Gij kunt er op rekenen, Senor.

—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen.

—Ik zal er aan denken.

—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede!

De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd:

—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd.

—Dat zullen wij zien.

—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden.

—Gij hebt gelijk.

Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans te slapen.

Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten.

Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken.

Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte.

Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten [81]een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen.

—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen.

—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd.

—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend.

—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts.

—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te begrijpen dan gij gedaan hebt.

—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft.

—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk.

—Kan dat waar zijn?

—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet op.

—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg don Miguel statig.

—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden te Monterey verscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier.

—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver van Monterey.

—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen.

—Caspita! als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder te komen.

—Niet waar?[82]

—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen.

—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel.

Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, van Santa-Fé naar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaansche bravos, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen.

Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen:

—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten.

Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf.

—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk heeft aangedaan.…

—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.…

—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal.

Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval.

—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend.

—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van [83]een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid.

Don Stefano zette een wanhopig gezigt.

—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend.

—Hoe dat?

—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.…

—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik u wel begrijpen.

—Het zou u inderdaad ergeren.

—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak.

Don Stefano aarzelde.

—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan uw tong wel losser wordt.

—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen.

De jongman fronste de wenkbraauwen.

—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet?

—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen.

—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te bekennen?

—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is.

—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder.

—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken.

—Ik luister.

—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige gerooste maïskorrels, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen.

—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp verder laten rusten.[84]

—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk?

—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen?

—Dus zijn wij altoos goede vrienden?

—Beter dan ooit, lachte don Miguel.

De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe en stond op.

—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman.

—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg.

—Ga uw gang, ga uw gang, caballero.

Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen.

—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan.

—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed.

—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg.

—Beschouw het op uw gemak, caballero.

—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende.

Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard.

—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze.

—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien.

—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op mij?

—O hemel! neen, dat zweer ik u.

—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt.

—Ik ben tot uwe orders.

Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit.

Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard in en bleef staan.

—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano.

—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en bondig mijne gedachten zeggen en, voto a brios, ik zal het doen ook.

De Mexicaan keek hem verbaasd aan.

—Ik begrijp u niet, zeide hij.

—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans [85]zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden zijt.

—Caballero deze taal.… riep don Stefano.

—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn!

—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn.

—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op dit oogenblik eene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe “gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg.

Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijn chicote! (karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden.

Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had.

—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht.

Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg.

[Inhoud]
XIII.
De hinderlaag.
Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren [86]doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte.

Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten voor zonsondergang.

Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden.

De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte.

Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen.

Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door de Indianen worden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient.

De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld.

Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt.

Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund.[87]

Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan.

Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat.

Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak:

—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag.

—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn.

Na zijne kameraden eenen laatsten afscheidsgroet te hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna droogvoets kon oversteken.

Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde.

Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen door [88]struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde.

Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen.

—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak.

—Ooah! riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht.

—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden?

—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt.

—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie?

—Ooah! maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken.

—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne troep de eenige is die op dit oogenblik de wildernis doortrekt?

De Roodhuid schudde het hoofd.

—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns broeders vijand.

—Waarom zoudt gij dat denken?

De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later:

—Mijn broeder zal het zien.

—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden.

—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk.

—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd.

—De belofte van Addick is heilig.

—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind.

Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen.[89]

—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind?

Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, de Queche-Pitao (Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten.

—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding?

—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn in veiligheid, in de Queche, ver buiten het bereik harer vijanden.

—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen?

De Indiaan aarzelde een poosje.

—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten.

Don Miguel zuchtte.

—Dat is vreemd, prevelde hij.

Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond.

—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij.

—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken.

—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken?

—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden blikken te vreezen.

Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid.

—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij.

—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen?

—Niets anders dan hetgeen ik zeg.

—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug?

—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft toevertrouwd.

—Zal ik u spoedig wederzien?

—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven?

—Dat heb ik.

—Wanneer komt mijn broeder daar?

—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag?

—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen.

—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het laatst ontmoet hebben.

—Addick zal er zijn.

—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt met kracht op, ik moet weg.[90]

—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden.

—Adieu! riep don Miguel.

Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg.

Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella.

Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn.

Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan.

Die man was don Stefano Cohecho.

—Wel? vroeg hij.

—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon.

—Alles.

—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen?

—Niets.

—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader?

—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed?

—Ja.

—Waar zijn ze?

—Op de aangewezen plaats.

—Goed, laat ons vertrekken.

—Ja, vertrekken wij.

De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig om zich te doen verstaan.

—Komt! riep don Stefano met luider stem.

Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn.

—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende.

Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde meesmuilend:

—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man?

—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf.

Thans reden zij weg.—

Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats [91]te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den Indiaan te verlaten.

Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen.

Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt langs hem heen.

De jongman hief stoutmoedig het hoofd op.

—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem.

Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver.

Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen in het Spaansch.

Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den grond niet meer scheen te raken.

Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind najaagden.

—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen.

Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare vijanden te verdedigen,

—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand![92]

Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered.

Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel.

—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit!

Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door zijne drie dappere helpers.

Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus.

—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat.

—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden.

—Dood en verderf! was het antwoord.

De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, tuimelde in ’t zand.

—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam.

Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad.

De bergpas was weder vrij.

Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant.

Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen.

Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat naar een zweepslag geleek.

—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand.

Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte [93]beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd.

Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers beantwoord werd met:

—Courage!

Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep:

—Laura! Laura!

Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in de duisternis.

Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond?

[Inhoud]
XIV.
De reizigers.
De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten.

Ongeveer een uur na de tarde,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen zou.

Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten [94]in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen.

Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierde torquilla (kap), de manga (mouwvest), de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros (jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, een navaja (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken.

Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven te zijn.

Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel kenmerkte den ouden soldaat.

Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt.

De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven.

De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd.

Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden of gewone reizigers konden zijn.[95]

Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten?

Waar gingen zij heen of wat zochten zij?

Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven.

Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen.

Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden:

—Houdt moed, muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, weldra zullen wij uitrusten.

—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een der criados (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen.

—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb.

—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek af.

—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er.

—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons.

De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt.

Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan en wendde zich naar hen om.

—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch?

De bedienden zagen uit.

—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt.[96]

—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel onzer reize.

—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn.

—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn.

—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik heb u jaren lang als vaquero (koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden zijn.

—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast, maar ongelukkig komt zij een beetje te laat.

—Waarom?

—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen.

—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen.

Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen.

—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop.

—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen.

—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God [97]is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen.

Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone kostuum der jagers in de prairie.

—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen.

De drie mannen wisselden een blik van verrassing.

—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets van ons te vreezen.

—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan.

Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten.

Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw.

De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement.

De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen.

Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten honger; de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig.

—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur.

—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don Mariano.[98]

—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien.

—Gij wildet dus door ons gezien worden?

—Ja; het was een gewaagde zaak.

—Dat begrijp ik niet.

—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken.

—Zijt gij dan bang voor dien ruiter?

—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen.

—Gij kent hem dus?

—Volstrekt niet.

—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero.

—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig weten zoudt?

—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie.

Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij.

Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord op:

—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik [99]op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt.

—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten.

—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen.

—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen.

—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen ons te doen staat.

Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap.

Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt.

—Het is tijd, zeide hij.

Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd.

Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt.

Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet.

Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis.[100]

—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit.

—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd.

Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen aan de overzijde plaats had.

[Inhoud]
XV.
De Herleving.
Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën den mensch, in dezen oceaan van gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld hare verwezenlijking niet vindt.

Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom nedergelegd.

De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden.

De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest en verraderlijk aanvielen.

Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan [101]welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche wijs.

Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren en aloë-vezels op de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen.

Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen.

De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend.

Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid.

—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie.

—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen.

—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer zijn geweest.

—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren?

—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn [102]paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen.

—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren.

—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk al onze gangen bespieden.

—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar 1824namelijk, ik was toen nog jong en ik.…

Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen:

—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen.

—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.…

—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed.

Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen.

—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade.

Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den [103]gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had.

Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde.

De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil.

—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen.

Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken en bladeren.

—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach.

—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom.

Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord.

De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen; [104]maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is.

Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen.

—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel.

De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur.

Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil voor de voeten des jagers neder.

De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord.

Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger rood kleurde zijne wangen.

—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem.

—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong om weder te gaan liggen.

Don Miguel staarde hem verwonderd aan.

—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet!

—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben.

—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij?

—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen.

—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier?[105]

—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken?

—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk.

Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch.

—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later.

—Wie weet?

—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.…

—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier heb doodgeschoten.

Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager.

—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij.

—Naauwelijks drie uren.

—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen dan.…

—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager.

—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven.

—Gij zijt slechts als door een wonder gered.

—Ik zeg u dank.

—Ik was niet alleen.

—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren.

—Loer-Vogel.

—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij.

—Dat doet hij.

—En gij, hoe heet gij?

—Vrij-Kogel.

De jongman ontroerde en strekte de hand uit.

—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken.

—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden.

—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie?

—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen.

—Hij denkt aan alles.

—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren.

—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden.[106]

—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio.

—Deze rivier dus?.…

—Is de Rubio.

—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde?

—Ja.

—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal?

—Vier of vijf dagen.

Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek.

—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw.

—Ja, dat heb ik gezegd.

—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen?

—Dat zou ik wel denken.

—Geef mij uwe hand.

—Ziedaar.

—Goed, ondersteun mij een weinig.

—Wat wilt gij doen?

—Opstaan.

—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, beproef het.

Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen te houden.

—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf.

Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond.

Vrij-Kogel kwam hem te hulp.

—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen.

Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen.

Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan.

—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen.

—Gij zult u zelven dooden.

—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken.

Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman gretig aan zijne lippen zette.

—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard.[107]

—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing.

—Ja, ik wil vertrekken.

—Maar dat is immers eene dwaasheid.

—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen.

—Verlangt gij het?

—Ik gebied het u.

—Welaan dan, op Gods genade!

—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd.

Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel.

Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm.

—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken.

—Waar moeten wij heen?

—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij reeds voor half dood hield.

Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren.

[Inhoud]
XVI.
Plaatselijk onderzoek.
Ondanks de onverzettelijke wilskracht waarmede don Miguel zijne smarten poogde te beheerschen, veroorzaakte de beweging van zijn paard hem vreesselijke pijnen, die zijn aangezigt krampachtig zamentrokken en het koude zweet op zijn voorhoofd deden parelen. Hij werd bleek als een lijk, van tijd tot tijd benevelden zijne oogen, het was of alles rondom hem draaide, hij wankelde soms in den zadel en moest zich aan de manen van zijn paard vastklemmen om er niet af te vallen.

—Weerbarstig stof! bromde hij met een doffe stem, zou ik u dan niet kunnen overwinnen.

Daarop verdubbelde hij zijne inspanning om zich niet verlegen te toonen, glimlachte nu en dan tegen Vrij-Kogel en sprak hem soms luchthartig toe.

Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen gebragt; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven naar eene omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen, dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch en ontevreden gezigt naast den jongman voort reed.

Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in [108]dezelfde rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig gedruisch van paardenhoeven.

—Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel.

—Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel.

—Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt reeds halfweg te gemoet kom.

—Dat zal hij zeker.

—Laten wij wat harder doorrijden.

Vrij-Kogel keek hem aan:

—Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals te halen, niet waar? zeide hij kortaf.

—Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd.

—Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager op knorrigen toon; een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het u, nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu meê uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht te kennen, en voor u zelven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten.

—Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, ik zie dat gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind mij in een moeijelijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk mij heeft opgelegd.

—Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt; vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat gij niet kunt doen, zullen uwe vrienden voor u doen.

—’t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts een dwaas maar een ondankbare.

—Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt reeds nader, waarschijnlijk zijn het uwe kameraden, evenwel zouden het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis moet men zich op alles gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt; zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden wij ons schuil.

Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn tegenwoordigen toestand voor zijn vriend slechts een zeer geringe steun zou kunnen zijn.

De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen [109]sloten, en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij van minuut tot minuut nader hoorden komen.

Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel, die met een vijftiental Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige passen genaderd waren, kwamen de beide mannen te voorschijn.

Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe dezelfde man, die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder teeken van leven, als een lijk op den grond lag uitgestrekt, thans kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen en zich zoo regt en ferm in den zadel te houden.

Don Miguel had eenige oogenblikken genot van zijn triomf, in de bewondering die hij den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere meerderheid kennen dat die der stoffelijke kracht; daarop wendde hij zich met een glimlach tot Loer-Vogel.

—De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom, goede vriend, zeide hij met eene zachte stem; die hulp is mij in deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, dan toch hoogst noodig, want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand.

—Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere onheilen voor te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen brengen.

—Een draagbaar! riep don Miguel.

—Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat gij zoo spoedig mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt, verspil dus uwe krachten niet in nuttelooze bravades.

Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het beweerde van den jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met behulp der beide Canadezen van zijn paard was gestegen, gaf hij aan zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar zamen te stellen.

Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel om hen te volgen en verwijderde zich een eind ver van den troep, waar hij den jongman op het gras deed nederzitten.

—Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het oogenblik gebruik maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt gereed gemaakt, zeide hij; gij zult mij zeker veel te vertellen hebben.

De jongman zuchtte.

—Ondervraag mij slechts, antwoordde hij.

—Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt gij aangevallen?

—Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk gegaan, zoo verward zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld onmogelijk is om er het eerste woord voor te vinden.

—Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien zullen wij, die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een draad vinden om u in dit schijnbaar verwarde doolhof den weg te wijzen.[110]

Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de kleinste bijzonderheden hoe zich de zaak had toegedragen.

Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen.

Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van verstandhouding; maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven de jagers teekenen van de grootste verbazing.

—Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke hinderlaag waarin ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat denkt gij er van?

—Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad, er schuilt achter deze historie eene donkere zamenspanning, die met veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. Ik koester zekere vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts eene vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook gezien? Hebt gij niet met hen gesproken?

—Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik zijn geweest om een gesprek te beginnen.

—Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om zich te verbergen.

—O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra mijne krachten een weinig hersteld zullen zijn.

—Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij er u opsluiten als in eene vesting, en geen voet verzetten eer gij mij hebt wedergezien.

—Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan te verlaten?

—Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf groote diensten kunnen bewijzen.

—Wat wilt gij gaan doen?

—Als wij terug zijn zult gij alles weten.

—Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat begrijp ik u niet.

—Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel, [111]dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens een zeer leelijk gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is en waarom hij zich tegen u zoo verbitterd toont.

—Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven eer gij vertrekt.

—Wat?

—Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen zult opdoen, terstond aan mij zult mededeelen, zonder in het minst iets te ondernemen tegen den man, aan wien ik mij liefst in eigen persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; hebt gij mij verstaan, Loer-Vogel?

—Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken of belangen te treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man is uw vijand en geenszins de mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan u over te leveren, of ten minste u tegenover elkander op gelijken voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met hem niets meer te maken.

—Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel in mijne handen heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft, zal ik hem niet laten ontsnappen, dat zweer ik u.

—Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken?

—Zoodra gij wilt.

Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot dusver kalm en zoo het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit woord kwam hij een stap voorwaarts, en Loer-Vogel de hand op den arm leggende, zeide hij:

—Wacht even.

—Hoezoo, nog langer? vroeg de jager.

—Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige omstandigheden van het hoogste gewigt beschouw.

—Spreek dan onverwijld.

—Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich gelieft te noemen, en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne zaak is er, die mij nog dringender toeschijnt, en die vooraf door ons ontdekt moet worden.

—Welke?

Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het bovenlijf een weinig vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen, dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk sprak, moeite hadden hem te verstaan, en begon op strengen toon:

—Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de steden. Daar ginds kennen alle menschen elkander min of meer, hetzij bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; men is er dikwijls door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom, er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke band, [112]en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de woestijn is dit zoo niet, daar heerschen eigenbelang en zelfzucht, de ikheid is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven, handelt voor zich zelven, in een woord bemint alleen zich zelven.

—In ’s hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met ongeduld in de rede; waar drommel wilt gij anders heen?

—Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts, gij zult het spoedig weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te komen: in de woestijn, zoo men niet lange jaren met iemand geleefd, en zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle lasten of ongelukken gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan onverschilligen of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen nacht bijna het slagtoffer van werd, heeft hij tweederlei soort van lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden, zijn vooreerst verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt gij u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over de zaak nadenkt,—komt het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn opgerezen, om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn, zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? vraag ik u.

—Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over nagedacht? het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk voor.

—Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel met drift; de prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder gegeven punt, onder een vreesselijk onweder, menschen zouden worden gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier om u van dienst te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie verzekert ons bijv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u aanviel, en dat het geen nieuwe streek was om u des te gemakkelijker meester te worden, eene krijgslist welke alleen door onze onverwachte tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral en onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat zij willen, in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden dan wel onze vijanden zijn.

—Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek aan te vangen, beweerde don Miguel.

De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik.

—Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker [113]laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander geval.

—Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste spoor van hun togt kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne rigting aanwijst, hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als Vrij-Kogel te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig schijnt om er op te vertrouwen.

—O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig.

—Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra begint; want eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen.

—Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt?

—Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat op onze belofte en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk met ons kunt te veld trekken.…

—Ik zal gereed zijn.

—Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben geen minuut te verliezen.

—Tot weerziens en goed fortuin.

De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en verwijderden zich snel in de rigting van het veer del Rubio.

De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door zijne kameraden vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp, waar hij even voor het ondergaan der zon aankwam.

[Inhoud]
XVII.
Don Mariano.
Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten.

De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering.

Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, het woord op.

—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent.

Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd.[114]

—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken!

—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen.

—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven!

—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez.

Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde.

Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen.

—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen.

Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez:

—Gaan wij!

Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen.

—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen.

De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in zijn binnenste hem toeriep om te blijven.

Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om.

Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend.

Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van [115]het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen.

De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen.

—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid.

—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid.

De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag:

—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk.

Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan.

—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij.

—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote geneesmiddel en ook zij hebben colliers, (boeken).

—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven.

—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs.

—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij dat ik ze ken?

De Vliegende-Arend schudde het hoofd.

—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel.

—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt.

De Indiaan wierp een blik naar den gewonde.

—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten.

Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt [116]om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon.

—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme.

Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam.

De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af.

Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las:

“Don Estevan de Real del Monte.”

Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene papieren vielen op den grond.

Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug.[117]

—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen.

—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met blijkbaren weerzin.

—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis.

—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was?

—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van.

—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo te handelen.

—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen.

En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt.

—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij?

—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen.

—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, ’t is de Wacondah die hem bezielt!

Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen de etiquette zondigde.

—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven!

Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart:

—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder!

—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren.

—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken.

Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was alsof hij grooter [118]werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden van gramschap.

—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld worden.

Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij:

—Is die man zwaar gewond?

De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken.

Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt.

De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug.

—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano.

—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een uur zal aanhouden.

—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal?

—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving.

Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano.

—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken.

Het opperhoofd gehoorzaamde.

—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto.

—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft?

De jager en de Indiaan bogen toestemmend.

—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af.

Er volgde een diepe stilte.

Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op.

—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben [119]de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed.

—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman?

—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en te veroordeelen of vrij te spreken.

—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt gij?

Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano.

—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken.

—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden.

—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken.

Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn.

Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, en wachtten op antwoord.

—Wie zijt gij? vroeg don Mariano.

—Jagers.

—Uw naam?

—Loer-Vogel.

—En de uwe?

—Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man moet bijwonen.

—Nog iemand! wie dan?

—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien [120]gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered.

—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is?

—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen.

—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn.

—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij verpligt zijn aan het licht te brengen.

—Wat bedoelt gij daarmede?

—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat.

—Maar wie zal hem waarschuwen?

—Ik, antwoordde Vrij-Kogel.

—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod.

—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel.

Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde.

—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond.

Loer-Vogel schudde het hoofd.

—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero.

Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep was zijne smart.

—Schep moed, mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u.

De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen.

[Inhoud]
XVIII.
Wat de Regtspleging voorafging.
Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten.

Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en [121]kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg.

Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn.

Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen.

Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht.

—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel.

De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou houden.

Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken.

Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van [122]veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt.

De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken.

Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik om zich heen.

—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende.

—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren.

—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men een val heeft gedaan.

—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen.

—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden bij het veer del Rubio.

—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden?

—Ja, eenige uren geleden.

—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden.

—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken.

—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze [123]dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging.

—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen wat er gebeuren zal.

Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden.

—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij.

—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden.

Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer dan de langste verklaring.

—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten.

—Met al mijn hart, zei de Canadees.

—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.…

—Dat is waar, zeide Ruperto.

—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren.

—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, zei Ruperto.

—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel onbekend is.

—Dat alles is juist.

—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als het ware in ’t wild opgroeijen.

—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers.

—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja of neen?

—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt?

—Ik?

—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te vallen?

—Ja, maar die man is mijn vijand.

—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man?

—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn.

—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen?

Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op.

—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen.[124]

—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen.

—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden.

De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was.

—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, maar gij zijt evenmin vrij.

—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden.

—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken.

—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn?

—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks gebiedend vorderen.

—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een lijk.

—De Lynch-wet.

—De Lynch-wet!

—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen.

—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man die mij beschuldigt?

—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe [125]verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag.

Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken van radeloosheid.

—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb.

—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn.

—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano.

Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter.

De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets.

Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op de borst.

—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille?

Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets.

—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden?

Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen allengs nader te komen.

Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen.

—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen?

Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend.

—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later [126]met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen.

Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging tot vlugten hem onmogelijk werd.

Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand.

Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel afvlietende wateren.

Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis.

—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen.

Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof.[127]

Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe.

—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger?

De kapitein haalde even de schouders op.

—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter.

[Inhoud]
XIX.
Het geregtelijk verhoor.
Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden.

Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt.

—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af.

Don Miguel schudde het hoofd.

—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij.

—Wat wilt gij toch met mij?

—Dat zult gij zien.

Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden.

Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op.

—Hoe is uw naam? begon hij.

—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen.

—De regters wisselden een blik.

—Waar zijt gij geboren?

—Te Mazatlan in 1808.
—Welk is uw beroep?

—Koopman te Santa-Fé.

—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn?

—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd.

—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord.

—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen mij vermoeijen.

—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen?[128]

—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg.

—Waar gaat gij heen?

—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen.

—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt waart.

—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon.

—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide de president kort en droog.

Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik.

—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.…

—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid en gij weet het even goed als ik.

—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan.

Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt.

Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr.

—Ik zal u voldoen, zei de president.

—Ik luister.

—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho.

—Welnu?

—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte.

Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden.

Don Miguel vervolgde:

—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in 1805.
Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen.

Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde:

—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden [129]blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel.

Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt:

Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik u por Dios! dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te gronden tegen een caballero! Cuerpo de Christo! ben ik dan de eenige in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen.

—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte.

—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen.

—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben.

—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak een einde aan de zaak.

Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt.[130]

—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig als wij kunnen.

—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is.

Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde:

—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek.

—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat overtoog.

Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij:

—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan?

Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen.

Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht.

Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord nam, op de volgende wijs:

—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen [131]voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven.

Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem.

—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst.

—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord [132]te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt.

Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen.

Er volgde een poosje stilte.

Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter neer geslagen.

Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op.

—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, don [133]Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder zoude zien, meldde zich iemand, in een wijden mantel gewikkeld en met den sombrero diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en hem bij don Mariano inleidde.

Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn ouden knecht de hand op den arm.

—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen zal kort zijn.

Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, hervatte hij:

—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend is.

—Zij zijn dood, antwoordde ik.

—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf?

Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne juweelen in verborgen had:

—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij:

—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen.

Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud:

Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen:

—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is [134]in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real del Monte dit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was.

Don Miguel hield op.

—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.…

—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige.

—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder.

Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van de hand wees.

—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog sterkere in handen.[135]

—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano.

—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond.

Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten.

[Inhoud]
XX.
Het vonnis.
De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzamelden ocote-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf.

Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op:

—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijk in pace waar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb opgenomen.

Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos [136]bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte.

Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij:

—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen.

Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met een spottenden blik.

—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij.

Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt:

—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat.

—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man.

—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit, [137]ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige middelen.

De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om hen te bedriegen?

—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene [138]hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad.

Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig.

De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd.

Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed.

—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren?

—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u dan alles zeggen?

—Ja, alles, hernam de jongman kortaf.

—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan.

Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging.

—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken laster in ’t aangezigt zeggen?

De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan [139]wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring.

Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen.

—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig?

Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart klopte hevig.

Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, zijn lot af.

Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon:

—Caballeros, is deze man schuldig?

—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond.

Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan.

Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor:

—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen?

—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen?

—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren.

—Haast u dan.

Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te [140]gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord.

Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep.

—Ik ben verloren! mompelde hij.

Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag.

—Welke straf heeft de schuldige verdiend?

—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf.

Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager:

—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende.

—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand.

Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep:

—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens.

—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes.

—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken.

—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken.[141]

—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze woede rondkroop.

—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde.

Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen.

Nu ging zijne woede in radeloosheid over.

O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij!

Loer-Vogel trad naar hem toe.

—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen?

—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd.

—Wel zeker.

—Maar dan zijt gij wilde beesten.

—Wij zijn uwe regters.

—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag.

—Gij zijt gevonnist.

—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden?

—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten?

Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden toon:

—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet meer ben?

—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager.

Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik.

—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag!

De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking.

—Ik zweer het u, zeide hij.

De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen.

—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem.

Loer-Vogel haalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood.[142]

Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug.

Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend.

—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand.

—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u.

—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte.

De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die reeds niet veel meer scheen dan een lijk.

Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde.

—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat er gebeuren zou.

—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch.

—O! riep don Estevan.

Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was geheel verbrijzeld.

Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd.

—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem!

De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte.

De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken vervulde.

Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde.

Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte.[143]

Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch.

Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen.

Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis.

Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever aan de overzijde.

Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik.

Er volgde eene pauze van doodelijke stilte.

Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon:

—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt.

Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven.

—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel.

—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis.

Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika [144]der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten.

Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven.

Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio.

De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug.

[Inhoud]
XXI.
Vrij-Kogel.
De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen.

De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder?

Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde snelheid.

—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden!

—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel.

—Ja, antwoordde hij.

—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding.

—Welk?

—Dat gij u verbindt om ons te volgen.

—Ben ik dan uw gevangene?

—Wel neen! verre van daar.

—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen?

—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang.

—Hoe kom ik dan hier?[145]

—Kunt gij dat niet vermoeden?

—Ik wacht van u de verklaring.

—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling zoudt bijwonen.

Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd.

—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend.

—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel.

De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik.

O! gij hebt hem gedood! prevelde hij.

—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven dooden.

—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid.

—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen.

—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat.

Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij:

—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt.

—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder.

—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen.

—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed.

Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen blik in ’t oor:

—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over.

Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio.

Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde.

—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder [146]naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij.

—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano.

—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes.

—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende.

Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend gevolgd.

Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond.

—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten!

Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden:

—Het moet zoo zijn!

Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar wezen aankondigde.

Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, die in gesloten kolonne voortreden.[147]

Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren.

Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok weder naar het veer del Rubio.

Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God.

Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken.

Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf.

Nu rigtte hij zich moedig op.

—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort.

Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare vijanden omgeven zijn.

Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid.

De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond.[148]

Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop:

—Mijn God! mijn God! vergeef mij!

Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af.

Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden:

—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u.

De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt.

De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel.

—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam.

Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen.

De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot.

Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak.

Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand [149]op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter.

Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt.

Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde hem op den rand neder.

Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan.

De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen.

Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken.

—Ik dank u, zeide hij.

De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen.

—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij.

—Wien dan?

—God!

Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde zachtmoedigheid:[150]

—’t Is waar, God eerst, en dan u.

—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer en onze wegen loopen uit een.

—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon.

—Wat kan ik meer voor u doen?

—Alles!

—Ik begrijp u niet.

—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan.

—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel.

De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig na.

Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden.

Deze sprak eindelijk.

—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit geholpen heb.

—Gevoelt gij het nu?

—Por Dios! daar valt niet aan te twijfelen.

—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen.

De jager schudde het hoofd.

—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij.

—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben laten sterven?

—Misschien!

Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager een vreesselijken blik toe.

—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij.

—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar verdienste gevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien [151]heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven.

Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak.

—Maar waarom? vroeg hij.

—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik vermijden moet.

—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is.

—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten.

—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan.

—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig.

—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken.

—Neen, dat niet.

—Waarom niet?

—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt.

—En als ik dat niet verkies te zweren?

—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend.

—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan.

—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen.

—En gij dan?

—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, beslis nu maar.

—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet.[152]

—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder?

—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken?

Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde.

Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met een zwaren kreun op den grond tuimelde.

Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting.

—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christo! en ik zal mij wreken.

Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was.

—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren.

Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen.

[Inhoud]
XXII.
Het Kamp.
Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen, die zij tot bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, niet verontrust geworden.

Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der Mexicanen, en zoodra hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet.

Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den caballero ontving, hoe welgemeend ook, was tamelijk droog.

De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen zijn pligt had gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den last der verantwoordelijkheid die hij in deze zaak had op zich genomen.

Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in [153]een eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden, dan om in koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen wien men geen reden heeft van persoonlijken haat of wrok.

De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten van don Mariano; hij kende het menschelijke hart te goed, om niet te weten dat de caballero het bedrijf waartoe hij de Gambucinos had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, diep verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden ten dienste gestaan.

Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano gepleegd, en hoe afschuwelijk zijn gedrag ook geweest moge zijn, het stond zijn broeder niet vrij om de wet der Prairie op hem toe te passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar van hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs, alle gevoel van barmhartigheid was uitgedoofd.

Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan waren verloopen, was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij dit bedrijf uit een geheel ander oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt had om in deze zaak zoo te handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van strenge maar strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet anders dan dat don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten zou doen en van den dood zijns broeders rekenschap zou vorderen.

De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano hem zou kunnen doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus den caballero van verre ontwaarde, werd zijn door sombere gedachten zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit ook wezen mag, Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt, niet de minste zweem zelfs van ontevredenheid, die den jager kon doen vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere punt in ’t verhoor te nemen of aan te vallen.

De Canadees haalde ruimer adem; slechts nu en dan, gedurende de weinige oogenblikken toen zij naast elkander het kamp binnentrokken, bespiedde hij van ter zijde het gelaat van don Mariano; de caballero was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm en onbewegelijk.

De jager schudde het hoofd.

—Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven.

Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter de Gambucinos gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de verschansingen plaatsen; zich toen tot Loer-Vogel en don Mariano wendende, zeide hij:

—De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van mijne gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen.

De beide mannen maakten eene buiging.[154]

Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers om hem tot voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op, geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de tent binnen, gevolgd door don Mariano.

Het gordijn werd achter hen nedergelaten.

De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog: die drie mannen waren don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent, waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond zullen mededeelen.

Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid, was op het eenvoudigst gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt gesloten palankijn; in den tegenovergestelden hoek lagen eenige stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was.

Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een vriendelijken wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder.

Don Miguel nam toen het woord.

—Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige nadere toelichting, vooral in het vooruitzigt op de waarschijnlijke verwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te nemen. Wat ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het is dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft, hij weet nagenoeg waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen, is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot nut kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen.

Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding heen wilde.

—Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was?

—Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen.[155]

—Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot dat hier gesmeed werd. Maar, vervolgde hij bij manier van invallende gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp heb ik hem echter nog niet ontmoet.

—Van wien spreekt gij?

—Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen.

—Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp, waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, heeft hij mij verlaten.

—Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk? vroeg de jager met een blik op den caballero.

Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de oplossing liefst aan Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij eenigzins verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling:

—Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u zou hebben gevoegd, en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u.

Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen.

—Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft.

—Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet gaarne langer wilde voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij, thans ben ik tot uwe orders; spreek op, ik luister met aandacht.

—Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman; die naam zal u misschien eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo de Torres.

—Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van mijn dierbaarsten vriend!

—Die ben ik, hernam de jongman kortaf.

—Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd, twintig jaren geleden, met zijne gansche familie vermoord door de Apache-Indianen, op de rookende puinhoopen zijner hacienda, die zij met storm hadden veroverd.

—Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie mij eens goed aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die uw geheugen kan te hulp komen?

De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid.

—Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan in zijn oog blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, nu herken ik u.[156]

—O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke bewijzen in handen om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te zeggen had.

—Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, ja bijna de broeder uws vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te mogen zorgen.

Don Leo—want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam noemen—fronste de wenkbraauwen, zijn voorhoofd betrok zigtbaar en hij antwoordde met eene sombere, bevende stem:

—Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens die gij mij betuigt; geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik verzoek u thans het geheim van mijn langdurig stilzwijgen in mijn hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij vergund zijn te spreken, en dan zult gij alles vernemen.

Don Mariano drukte hem de hand.

—Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem; maar onthoud daarbij eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader hebt wedergevonden dien gij verloren hadt.

De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij in zijne oogen voelde opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze; daarbuiten in de woestijn kon men de wolven hooren keffen, dit was het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde.

Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den grond gestoken fakkel van ocote-hout, wier flikkerende vlam op het aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en lichten deed spelen en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf.

—De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten vertoonen zich heldere witte streepen; de nachtuilen onder het loof verborgen, begroeten den terugkeerenden dag; de zon zal spoedig verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden mede te deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven mag, zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te herstellen dat don Estevan bedreven heeft.

De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort:

—Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was ik voor eenige maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen verpligtten mij tot een vrij zonderlinge levenswijs; ik verkeerde met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate de gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen, al naar gij mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik mij daarom aan misdadige aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u zeer vergissen: ik deed alleen wat een groot aantal onzer medeburgers doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien door de commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die [157]met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat geen gevaar kan.

Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik; zij begrepen, of meenden ten minste dat zij begrepen hadden, wat hij bedoelde.

Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte, en vervolgde:

—Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major: daar kwam ik dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello, een oud man van ongeveer vijftig jaar, maar een driedubbele schurk, woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die onder den schijn van een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver, en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig bekend met de geheimen van een groot aantal familiën, en stond in verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn pothuis bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon, wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van een mystère; met het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep.—“Die man?” vroeg zij, op mij wijzende.—“O!” antwoordde de evangelista, “hij heeft te veel pulque gedronken; ’t is een arm onderofficier zonder beteekenis: bovendien slaapt hij.” Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te voorschijn.—“Schrijf dat af,” zeide zij tegen den evangelista, “ik zal er u twee oncen goud voor geven.” De oude fielt nam het papier aan en zag het in.—“Maar dat is geen Spaansch!” riep hij.—“Het is Fransch,” antwoordde zij; “maar wat geeft gij daarom?”—“Ik in het minst niet,” was zijn antwoord; hij nam zijn papier en pennen, en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift in den vorm van een brief, dicteerde den evangelista een kort adres, dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare keurs, en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, daar hij het slot van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, die, zooals duidelijk bleek, niet bekend [158]wilde zijn, want hij had zich digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van zijn sombrero was diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij reeds een bewijs van ontevredenheid.—“Wie is die man?” vroeg hij op mij wijzende.—“Een arme beschonken vent, die zijn roes uitslaapt,” was het antwoord.—“Er is zoo even een meisje weggegaan.”—“Dat kan wel zijn,” mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze vraag.—“Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak,” antwoordde de onbekende trotsch, “ik ken u wel, en zal u betalen,” vervolgde hij, een zware geldbeurs op tafel werpende, “antwoord dus, zeg ik u!” De oude vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren op eens verdwenen, toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.—“Een jong meisje is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens.”—“Ja.”—“Wat heeft zij van u verlangd?”—“Dat ik een Franschen brief voor haar zou overschrijven.”—“Goed, laat mij dien brief zien.”—“Zij heeft hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen.”—“Dat alles weet ik.”—“Wat wilt gij dan meer?”—“Wat meer?” herhaalde de onbekende grinnikend, “houd u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker een copie van dien brief gehouden, die copie verlang ik te zien.” Ik kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders, dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken te geven, dat hij gelukkig begreep.—“Ik heb er niet aan gedacht,” antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.—“Enfin,” hervatte hij, “zij zal wel terug komen immers?”—“Dat weet ik niet.”—“Dan weet ik het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?”—“Dat zou ik u niet kunnen zeggen.” De onbekende haalde de schouders op en zei met nadruk: “Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan niet zoo onhandig als van daag.” De evangelista grijnsde van genoegen en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; maar bij het maken van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg om zijn aangezigt te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. Naauwelijks was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste mij voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: “Nu hebt gij met mij te doen!” Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat zulk eene vreesselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker meende [159]dat ik hem wilde ontrooven.—“Ik ben een arm oud man,” riep hij.—“Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?” vroeg ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen; ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.—“Ziedaar,” zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, “van iederen brief dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven; maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond.” Met deze bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter mij sloot, hoorde ik hem mompelen: “Santa Maria! in welk een wespennest heb ik mij gewaagd!”—Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uwe dochter bevond. Dona Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen, had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano.…

—Mijn schoonbroeder en haar doopvader! riep don Mariano.

—Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa gelast om aan senor Serrano, door middel van brieven, de misdadige plannen te openbaren die haar oom tegen haar smeedde, en hem als den besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp te komen en in zijne bescherming te nemen.

—Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano.

—Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs, met het voornemen uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen beter te leeren kennen en op het regte tijdstip te kunnen verijdelen hield hij zich alsof hij van niets wist, liet hare brieven door de novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en schreef er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco de Serrano geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan diens kamerdienaar had omgekocht, die ze hem allen onopengebroken ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester te geven. Deze slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval, of liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio Leporello had gevoerd.

—O! murmelde don Mariano, die man was een monster.

—Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging; de omstandigheden schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te gaan dan hij misschien zelf gewild had; niets ten minste bewijst dat hij den dood van uwe dochter wenschte.

—Wat kan hij anders gewenscht hebben?

—Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen [160]kon hij dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer men zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter zonde uitloopt, heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen, niet kunnen voorzien dat ik in de uitvoering zijner plannen zou in den weg treden,—eene tusschenkomst die hem moest doen stil staan of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. Dona Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar niet zou ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van tijd tot tijd deed toekomen, in de brieven die ik haar schreef namens den vriend tot welken zij zich had gewend; wat mij betreft, ik hield mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude zijn. Op dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan, dona Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af te leggen; de daardoor gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis was woedend en besloot er een eind aan te maken. Het ongelukkige meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn beroofd, werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet, waar zij van honger moest omkomen.

—O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen.

—Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze barbaarschheid niet schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts zijdelings medepligtig aan. De abdis alleen was de schuldige. Don Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en deed er zijn voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den dag zelf van het gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende landloopers en bandieten waarmede ik den volgenden nacht door list in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij gewapenderhand uwe dochter op te ligten.

—Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en verbazing. Mijn God! dus is zij gered en in veiligheid.

—Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door Loer-Vogel, haar verborgen heb.

—Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de jager met een schalkschen lach.

Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was zich zelve niet langer meester.

—Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden kan, mijn arm dierbaar kind!

—Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al mijne gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde ik mij om de spionnen van ’t spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende, daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte [161]ik er geen geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er niet noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij had. Dank zij de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn zoo digt mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen, wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen, om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen kennen en er u heen te leiden.

—O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano, schier uitgelaten van blijdschap. God zij gedankt! ik zal mijn kind wederzien? zij is gered.

—Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene holle stem als uit het graf.

De drie mannen keerden zich verschrikt om.

Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde en met bloed bevlekte kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het opgeheven gordijn aan den ingang der tent.

[Inhoud]
XXIII.
De Vliegende-Arend.
Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen, zijn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op hunne hoede te zijn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als verschool zich overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt om de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun spannen.

Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd, en ofschoon nog zeer jong, had hij zich reeds een grooten naam gemaakt bij zijn stam.

Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals het in dergelijke gevallen meestal gaat, eene soort van verwarring ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, en het kordon om het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne verwijdering werd opgemerkt.[162]

Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan, oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus staan en wendde zich naar zijne vrouw, die hem kort op de hielen was gevolgd.

—Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij; de Vliegende-Arend is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen.

—Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos schroomvallig.

De Indiaan glimlachte loos.

—Alles is nog niet geëindigd, antwoordde hij, de Vliegende-Arend zal zijne vrienden in ’t oog houden.

De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen.

Het opperhoofd hield haar terug.

—De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne zuster zich naast mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is thans in lijfsgevaar.

Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in het kreupelbosch hooren.

De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten onbeweeglijk in voorovergebogen houding.

—De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande.

—De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met een vriendelijken blik.

Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij met de meeste zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich toen ter sluik naar de plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde sterker werd.

Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten hals, de vier pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek.

—Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan en het prachtige dier als een kenner bewonderde.

Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, dat al zijne bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen, slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop, dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de onthutste [163]viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijne pogingen nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen strijd een oogenblik te verlengen.

Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp, want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren gedeeltelijk beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat om dienst te doen.

De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd.

—Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is! riep zij even fier als naïef, zoodra zij hem zag.

De Indiaan glimlachte.

—Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem.

En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke ruwheid dezer ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige der moeijelijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hij hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet zonder heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zijne vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten.

Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijne oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alsof hij ergens in de verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk met zijn scalpeermes.

—Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof hij door een ontspannen springveer werd opgeheven.

De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan,

—Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar.

—Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in het bosch.

—Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren.

—Zullen wij hen daar volgen?

—De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne mocksens gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen.

—Zou mijn vader hier aan twijfelen?

—Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen; [164]zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een bleekgezigt in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde.

—Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij.

De Roodhuid glimlachte.

—Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste wreken, en dan zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem niet vergat.

—Ik ben bereid het opperhoofd te volgen.

—Laten wij dan vertrekken, want het is tijd.

De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield zich gereed om hem te voet te volgen.

De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot haren dood op haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij liefhad noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs een ongebaanden weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de minste aanmerking.

Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij in de rigting van het ons reeds bekende open graskamp.

Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken?

Dit zullen wij spoedig zien.

Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan.

—Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben?

Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven, daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand van zulk een karakter nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij zich hierin vergiste, was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid.

Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk kon gebeurd zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid [165]op te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou bewaarheid zien.

Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken voorzigtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte, van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals, en verloor zich weldra achter hem in de duisternis.

Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen; maar liet dit denkbeeld terstond weder varen.

—Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil.

Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; alles was stilte en duisternis.

Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar de kuil gedolven was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien; op den rand der glooijing, door de uitgeworpen aarde gevormd, lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt.

De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem dadelijk herkend.

—Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich met een grijns oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de ondankbaarheid is eene ondeugd der blanken, de wraakzucht is een deugd der rooden.

Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde gerigt.

—Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes zich onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste onder de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste toevlugtsoorden terugdringen! Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder afmaken, ieder zijn deel van den buit!

Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter voelde hij eene hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem fluisterde hem zacht in het oor.

—Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den Vliegenden-Arend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit?

Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne innigste gedachten overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen diets te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen die aan zijne voeten lag uitgestrekt.[166]

—Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend.

—De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam.

—Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman is dapper, zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de Vliegende-Arend is beroemd wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi laten.

—Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd is met wijsheid vervuld, en wat hij doet is goed.

De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne jonge vrouw.

—Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij.

De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien; de twee Indianen knielden bij den gewonde neer, die nog altoos onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel der harsfakkel hem met naauwlettendheid te onderzoeken.

Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het pistool werd toegebragt; wel is waar had die slag eene geweldige bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding gevolgd door bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het bovenste gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar had don Estevan den jager op dezelfde manier willen treffen als de matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne eer in stellen om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon met vaste en vaardige hand, was echter met te veel overhaasting en dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk te zijn; evenwel, zoo de Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou de jager waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten zijn verslonden, die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven.

Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over den schouder een perkamenten zak met zich, in den vorm van een weitasch, die zij hun medicijn-zak noemen; deze zak bevat een aantal geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden gewoon zijn hunne op de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede eenige heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts.

Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde de Indiaan tevreden het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk gereed om het eerste verband te leggen. Met een van obsidiaansteen1 vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij, geholpen door de Wilde-Roos, rondom de wond het haar weg te scheren; vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak en haalde er een handvol oregano bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met Spaanschen brandewijn, zoogenaamde refino vermengde. Wij kunnen hier in ’t [167]voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen de brandewijn eene voorname rol speelt. Bij dit mengsel deed hij een weinig water en zout, en bereidde alles tot een vrij dikke pap, die hij, na de wond eerst met refino en water te hebben gewasschen, er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp van een abanijo blad vasthechtte.

Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van tien minuten slaakte de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte zich op, naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in staat is om de hem omringende voorwerpen te onderscheiden.

Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen staat van halfbewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebragt.

—Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem, terwijl hij het opperhoofd zijne hand toestak.

De Indiaan drukte die hartelijk.

—Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon.

—Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde Vrij-Kogel.

—Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken.

—Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen, zoo waar als ik Vrij-Kogel heet, antwoordde de jager met nadruk.

—Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan de deur van zijn wigwam ophangen.

—Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur.

—Wat denkt mijn broeder dan te doen?

De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden.

—Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij.

—Omtrent een uur.

—Niet langer?

—Neen.

—God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn.

—O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid verstandig aan.

—Dat is waar.

—Wat wil mijn broeder doen?

—Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld, antwoordde Vrij-Kogel nadenkend; door de inspraak van mijn hart en de herinnering van een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; ik zie thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u zeggen dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; ofschoon het [168]hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding, zich te hooren verwijten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een kind, en zich aangesteld als een gek.

—Gij dient ten minste toch te besluiten.

—Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig mogelijk van het gebeurde onderrigt moeten worden, of de gevolgen mijner dwaasheid zijn niet te berekenen.

—Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen eene onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk hard, als een grijsaard het hoofd moet buigen voor verwijtingen, hoe welverdiend zij ook mogen zijn.

—Maar wat dan?

—Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe vrienden de bleekgezigten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen; ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en gij zult niets van hun ongenoegen te duchten hebben.

Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezigt van den ouden jager rood van verontwaardiging.

—Neen! riep hij forsch, ik zal mijn misslag niet vergrooten door eene lafheid, ik moet de gevolgen van mijne dwaze handeling ondergaan; ik zeg u dank, hoofdman, voor uw goed gemeend voorstel, maar ik kan het niet aannemen.

—Mijn broeder is er meester van.

—Laat ons haast maken, riep de jager, wij hebben reeds te veel tijd verloren; God weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke onheilen er misschien uit zullen voortvloeijen. Als ik ze niet meer kan verhoeden, is het ten minste mijn pligt om er de kracht van te verminderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddelijk naar het kamp.

Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige drift op.

—Ik heb geene wapens, riep hij, de ellendeling heeft ze mij ontroofd.

—Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken, antwoordde de Indiaan, in het kamp zal hij wapens genoeg vinden.

—Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van hier heb laten staan? Ik moet het dadelijk zoeken.

De Indiaan hield hem terug.

—Het zou u niets baten, zeide hij.

—Waarom niet?

—Die man heeft er zich meester van gemaakt.

De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd.

—Wat nu? mompelde hij.

—Mijn broeder neme mijn paard.

—En wat gij dan, hoofdman?[169]

—Ik heb er nog een.

—Ah! riep Vrij-Kogel.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend bragt de Wilde-Roos het andere paard.

De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor ditmaal, om zoo veel spoed mogelijk te maken, zijne vrouw achter hem opzitten en nu reden de twee ruiters, met het hoofd over den hals hunner paarden gebogen en met gevierden teugel in vliegenden galop naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder nieuwe ongelukken aankwamen.

1Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong. ↑

[Inhoud]
XXIV.
Quiepa Tani.
Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen naar de stad Quiepa-Tani.

Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van hun eigen stam.

Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben.

Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke der twee [170]hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen.

Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroeder Chicuhcoatl1 den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen.

De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zich overgeven aan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden te verduren hebben.

Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren.

Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om te worden binnengelaten.[171]

Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort.

Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt versperde.

Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten te herkennen, stond op van de butacca—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek.

De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem eenige woorden in ’t oor.

De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en liet de vreemdelingen door.

Zij gingen de poort binnen.

Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd.

De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken.

Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is.

De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam van Conaciuhtzin, of Zonne-plein, draagt.

Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse en zinnebeeldige evenredigheid.

Vier prachtige Expan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote tempel Amantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen.

De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om [172]onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat een teocali of altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de groote ayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekende menhirs der Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2 onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.

Aan de zuidzijde van het plein verrijst de tanamitec of het paleis van den vorst.

Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte” aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter.[173]

Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekenden noche triste (jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet kon worden uitgewischt.

Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde ciuatl-expan, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de tegenwoordigheid van een derde persoon.

Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt.

In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig te volgen.

Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens het somberste van allen.

Dit gebouw heet Iztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor den Amanani en de Chalchiuk—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen in hun slaap storen.

Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze zelden trouwen [174]en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden.

Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam.

Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde kracht.

De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde.

De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid.

De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels, [175]huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag.

Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog.

De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles.

Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten.

De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken.

Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven.

Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen.

Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden.[176]

1“Acht-slangen,” van chicuh acht, en coatl slang. ↑

2Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.) ↑

[Inhoud]
XXV.
Een drietal schurken.
Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen.

Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten.

Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt.

Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam.

Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde te bestrijden.

Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk.

Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw van haar geleider.

Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat [177]vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu weder zou te hulp komen.

Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag.

—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen.

—Querida de mi corazon—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is.

Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg.

Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende?

Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd.

Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks.[178]

De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaansche manza—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden.

De vrouw van Atoyac heette Huitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen.

Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene aangename afleiding.

Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden [179]zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend.

De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende angsten verscheurd.

Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten.

Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen.

Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd.

Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte.

Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen [180]die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet.

Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan.

Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen.

In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers.

Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen.

Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te denken.

Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er gebeuren kon!

Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden.[181]

Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond.

Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd.

Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen.

Hij keek op.

Er stonden twee Indianen bij hem.

Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf.

Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten.

Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik.

—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid naar het schijnt.

—Ja, zei don Estevan.

Er volgde een poosje stilte.

—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan.

—Zoo! zei don Estevan laconisch.

—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen.

De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog.

—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands hulp noodig.

—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen.

—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes of nuttelooze gesprekken te verkwisten.

Addick meesmuilde grinnekend.

—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij [182]heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn.

—Voto a brios!—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel eens worden.

—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput.

—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen.

—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan.

De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen.

De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen.

Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op:

—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend?

—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik bezit.

—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken?

—Ja, riep don Estevan met drift.

—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind.

—Dat is waar, prevelde de Mexicaan.

—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen.

Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling deed zijne leden sidderen.

—Voto a brios! bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt.

—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen.

—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde [183]onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen.

De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling:

—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt.

Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten werd.

—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende.

—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard.

—Dat is onmogelijk.

De Indiaan glimlachte met minachting.

—Onder mijn opzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden.

—En kunt gij mij daar ook brengen?

—Dat kan ik.

—Op het oogenblik?

—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt.

—Dat is waar, noem mij die dan.

—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak?

—De wraak!

—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunne calli’s zijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; de ciuatl maken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder mij begrepen?

Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg:

—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan?

—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren.

Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde scheen hem erger dan de dood.

De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart behalen zou. De [184]strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried:

—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe.

—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen.

—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken.

—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan.

—Hoor ons ontwerp, zei Addick.

En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met andere personaadjes bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen.

[Inhoud]
XXVI.
Eene Jagt in de Prairiën.
De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen voor hen stond.

De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam.

Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk.

Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk.

Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen.

—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen?

De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden:

—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen![185]

Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping.

—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan.

Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak:

—Ik heb u verraden! lafhartig verraden!

—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend.

—Ja, ik!

Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig afkeurt.

De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan.

—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen.

De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees.

Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager.

—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid.

—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u.

—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn.

—Ik deed erger dan dat.

—O, o! maar wat deedt gij dan?

—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend.

—Wat hebt gij?[186]

Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide.

—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij begaan.

Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero.

—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder gered.

—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit.

Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd.

—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan?

—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig.

Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank.

—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen.

—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten eer hij wegging.

Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen.

Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad.

De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan bleef alles nog een poos stil.

—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan.

Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich [187]zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken.

—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden.

—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg aankomen!

En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken terug gekregen.

—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor:

—Spreek! riep don Leo.

—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van uw vijand acht.

—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden.

—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan.

—Maar de meisjes dan? riep don Leo.

—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal kwijten.

Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij:[188]

—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen.

Don Leo zuchtte.

—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt.

—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen.

—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren.

—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen.

—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking kon vinden.

—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn.

—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op marsch gaan naar Amaxtlan1.

—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd.

—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander [189]ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken?

—Ja, antwoordden al de aanwezigen.

—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, denk ik?

—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig.

—Dat is te weinig, riep don Miguel.

De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven.

—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan mij over.

—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen.

—Spreek.

—Ik hoop dat gij slagen moogt.

De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik.

—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend hem toestak.

De beide mannen hadden elkander begrepen.

Don Leo ging nu de tent uit.

Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek.

—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen?

—Ja, zei Vrij-Kogel.

—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden?

—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook.

—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij?

—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen.

De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken te letten.

Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen beleefd.

Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen [190]had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten.

Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening:

—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige.

Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet.

—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te keeren? vroeg hij.

—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien.

—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig.

—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit.

—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen.

—Zoo doen immers alle menschen?

—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren.

—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken?

—Ja.

—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug?

—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van de “groote rivier met de gouden golven.”

—Ooah! riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie.

—Hoedat, hoofdman?

—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders?

—Neen, zei Loer-Vogel kortaf.

—Ooah! mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt?

—Ik ga naar den kant der zon.

De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik.

—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven.

—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan2 aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh3.

Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel [191]hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten.

—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later.

—Waarom?

—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden.

—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord.

—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan!

—Ja.

Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op:

—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in deze reis?

—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne.

—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn.

—Dat zijn ze.

—Ooah! Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd.

Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige voor zijn vertrek gereed te maken.

Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal tot den marsch.

Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in [192]alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem de Gambucinos met een luid hoerah.

Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij ontvangen zou.

Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen.

Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden.

Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch.

De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio.

In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en weldra geheel verdwenen.

Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven personen.

De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn.

Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld.

Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt.

Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag van [193]hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken.

—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem.

Allen stonden op.

De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond.

—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult.

De knecht was blijkbaar ontevreden.

—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij.

—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van daan moogt zonder mijn order.

—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden zult.

—Goed, zei Loer-Vogel, ik maak staat op u.

Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de reata, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich wegstappen.

De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande in pemmican of gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels.

—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde.

—Op marsch! herhaalden de anderen.

—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan.

—Dankje! antwoordden de avonturiers.

Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamde Indiaansche linie te baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden [194]of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten.

Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder.

—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders!

Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem).

1Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt. ↑

2Letterlijk; rietland, van acatl, riet. ↑

3Waterzon, van atl, water, en tonatiuh, zon. ↑

[Inhoud]
XXVII.
Eene jagt in de Prairiën.
(Vervolg).
In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil.

Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list overrompeld.

Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking [195]van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen.

De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen hoek der aarde.

Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen.

De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk bestaat.

De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk.

Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde taal, de Mexicaansche maan noemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten.

Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend was,—[196]gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude grondgebied te heroveren?

Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt.

Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank.

Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat.

Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen!

Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk, [197]hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken.

Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden.

Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd de togt hervat.

Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort van carno, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten.

Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamde tierras calientes; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden.

Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest.

—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt.

Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden.

De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken.

Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunne zarapé’s en sliepen weldra in.

Loer-Vogel was de eenige die bleef waken.

Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig [198]geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht.

De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze opende de oogen en zag hem aan.

—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor.

Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water.

Schuw zag hij in alle rigtingen rond.

De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen.

Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor.

Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht.

Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen.

Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven.

Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde.

Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt.

Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden.

De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een eind aan te [199]maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak.

Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde.

De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken om zich heen.

De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst.

Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende.

De arme Indiaan was dood.

Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de jager op den oever had laten liggen.

Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit.

Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht als een donderslag deed daveren.

Het lijk van den door Loer-Vogel gedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken.

Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende.

Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun bereik.

De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en [200]niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten.

De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht.

Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen.

Zoo ging de nacht voorbij.

De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen.

Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken.

—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde.

—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons moest gezien hebben.

—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen.

—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te tornen vallen.

—Cuerpo de Christo! riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen.

—Wat nog meer?

—Ziet eens!

—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt af te snijden.

—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager?

— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning.

Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen.

De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk.[201]

Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde.

De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welke hij algemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem en de zijnen te redden.

[Inhoud]
XXVIII.
Blank-huiden en Rood-huiden.
De Canadees, zoo als wij gezegd hebben, had bepaald partij gekozen. In plaats van eene poging te doen om tusschen de beide praauwen te ontsnappen, waardoor hij groot gevaar zou hebben geloopen van in den grond te worden geboord, nam hij zijn koers een weinig links en stevende regelregt aan op de praauw die het digtst bij de zijne was.

De Indianen verschalkt door deze manoeuvre, van welke zij niet aanstonds de uitwerking voorzagen, ontvingen haar met luide triumfkreten. De avonturiers hielden zich echter doodstil, maar verdubbelden hunne pogingen en roeiden met kracht door.

Een vergenoegde lach plooide zich om de lippen van den Canadees.

Naarmate zijne praauw die der Apachen naderde, had hij gezien, dat de rivier aan de linker zijde een sterke bogt maakte en deze bogt gevormd werd door een klein eiland, dat zeer digt bij den oever lag, maar toch ver genoeg om een bootje door te laten; hij bediende zich nu van dezen doortogt en vermeed zoodoende een langen omweg, hetgeen hem op eens een goed eind op de vijanden die hen vervolgden deed winnen.

De hoofdzaak was hier om het eiland te bereiken voordat de eerste vijandelijke praauw er aankwam.

De Roodhuiden echter begonnen weldra, zoo niet gansch en al, dan toch gedeeltelijk te bemerken wat hun onverschrokken tegenstander voornemens was; ook zij veranderden dus van plan en wijzigden hunne rigting. In plaats van de blanken regelregt te gemoet te snellen, zooals zij tot hiertoe gepoogd hadden, namen zij hun koers links en pagaaiden met kracht op het eiland aan.[202]

Loer-Vogel begreep thans dat hij, het koste wat het wilde, hunne vaart moest zien te stuiten.

Tot dusver, was noch van de eene noch van de andere zijde een pijl geschoten, of een geweerschot gewisseld. De Apachen rekenden zoo stellig hunne vijanden te zullen meester worden, dat zij het als onnoodig beschouwden om tot dit uiterste over te gaan.

De blanken daarentegen, die de noodzakelijkheid gevoelden om hun kruid te sparen, daar zij te midden van een vijandelijk land onmogelijk nieuwen voorraad konden bekomen, bepaalden zich voorzigtigheidshalve om het voorbeeld der Indianen te volgen, hoe belust zij ook mogten zijn om met hen slaags te raken.

Intusschen was de vijandelijke praauw geen vijftig ellen meer van het eiland verwijderd; de jager, na nog een laatsten blik in het rond te hebben geworpen, neigde zich tot zijne kameraden en sprak hun met eene zachte stem eenige woorden toe.

Oogenblikkelijk lieten deze de pagaaijen rusten en hunne geweren grijpende, knielden zij in de praauw neder, en legden hun wapens op den rand der boot, na vooraf nog een tweeden kogel in den loop te hebben laten glijden.

De Canadees had het zelfde gedaan.

—Zijn wij gereed? vroeg hij een oogenblik later.

—Ja! riepen de avonturiers.

—Schieten dan, en laag aanleggen: vuur!

De vijf buksen brandden los in een enkelen knal.

Wij hebben reeds aangemerkt, dat de beide praauwen elkander reeds digt genaderd waren.

Nu naar de pagaaijen! en vlug! riep de jager, dadelijk zelf het voorbeeld gevende, zoo als hij altijd deed.

Acht armen hernamen de dubbele riemen, de ligte boot vloog over het water. Alleen de jager laadde zijn buks weder en lag op de eene knie gereed om te schieten.

De uitwerking der eerste losbranding openbaarde zich weldra; de vijf geweerschoten, allen op het zelfde punt gerigt, hadden in de zijde der Indiaansche boot een vrij groote bres gemaakt, juist gelijk met de waterlijn, zoodat zij niet langer vlot kon blijven.

Kreten van schrik en smart gingen op onder de Apachen, die de een na den ander over boord sprongen en naar alle kanten wegzwommen. Wat hunne praauw betreft, aan zich zelve overgelaten, begon zij oogenblikkelijk af te drijven, liep langzamerhand vol en verzonk eindelijk in den stroom.

De avonturiers zich thans van hunne vijanden ontslagen rekenende, vertraagden voor een oogenblik hunne pogingen.

Eensklaps hief de Vliegende-Arend zijn pagaai op, terwijl Loer-Vogel zijn geweer bij den tromp vatte. Twee Apachen, ware athleten in kracht en met woeste blikken, waren onverhoeds genaderd en poogden zich aan de boot vast te klemmen om haar te doen kantelen. Weldra vielen zij met verbrijzelden schedel in het water terug en dreven af op den stroom.[203]

Eenige minuten later bereikten de jagers den doortogt.

Intusschen waren een aantal Indianen naar het eiland gezwommen, en begonnen zij, zoodra zij aan land kwamen de blanken aan den kant van het water te bestoken; bij gebrek aan andere middelen wierpen zij hen met steenen, daar zij hunne nat geworden buksen niet konden gebruiken, en hunne pijlkokers en bogen bij hunne plotselinge indompeling in de rivier waren verloren gegaan.

Hoe ruw en gebrekkig deze door de Apachen gebruikte verdedigingsmiddelen ook wezen mogten, was Loer-Vogel echter verpligt zijne kameraden dringend aan te bevelen om met verdubbelde kracht voort te roeijen, ten einde zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der zware steenworpen te komen, die hageldigt van uit de hooge biezen en van achter ieder welgelegen aanvalspunt, rondom de boot neer regenden; terwijl de Roodhuiden volgens hunne gewoonte wel zorg droegen onzigtbaar te blijven, uit vrees voor de kogels der blanken.

De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest een einde aan worden gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste gelegenheid loerde, om zijne vijanden eene geduchte les te geven, meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van hem af, op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje, eene verdachte beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte op goed geluk en schoot.

Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der floripondios, bamboezen, lianen en waterplanten, en een reusachtige Apache, woest als een gekwetste tijger, sprong te voorschijn om zich achter een ander boschje, dat een eind verder op het eiland gelegen was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den vlugteling op nieuw te treffen, maar hief haar terstond weder op.

De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten doodstuip.

Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een tiental Indianen te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders, namen het in hunne armen, en verdwenen er mede als een troep spoken.

Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en gevaarlijke steenworpen, die eenige minuten te voren de lucht deden weergalmen en de blanken met ondergang dreigden, vervangen door de diepste kalmte en rust.

—De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den bodem der praauw nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt mij wel dat dit hier heeft moeten gebeuren, maar ik geloof dat zij er thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn buks hebben leeren kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten.

De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden niets meer van zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben, moet onze lezers niet te zeer verwonderen: ieder land heeft zijne eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan gaat van het beginsel uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. [204]Voor hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus zien dat zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte terug en laten met de meeste bereidwilligheid de plannen varen, die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf hebben voorbereid.

De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede vijandelijke praauw was thans reeds ver achter hen; wat de beide anderen betreft, die zij het eerste gezien hadden, deze geleken naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen de Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op hen hadden gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat deze stellig aan hunne vervolging zouden ontsnappen, schoten zij al hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als om hun een laatste proef van hun moed achter na te zenden—eene magtelooze vertooning, die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken afstand van de blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven, om zich bij hunne kameraden op het eiland te voegen, waar deze in het digte geboomte de wijk hadden genomen.

Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af.

Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om tusschen zich en de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten, namen zij een poos rust, die zij wel noodig hadden, om zich te herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te wasschen, want sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij dit minder bemerkt, maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er aan te lijden.

Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der rivier, nog zoo ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij gekomen en zij hoopten het nog voor den avond te zullen bereiken. Na eene korte ontspanning, grepen zij dus weder de riemen en hervatten met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk natuurwoud, dat zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot en door den stroom in de schuinte doorsneden werd.

Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het gehuil der wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken, zich somber hooren in de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel achtte het ongeraden om zich op dit uur te wagen in de onbekende wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in haren schoot verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om eene geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om op een verheven rotsmassa aan te houden, die in den stroom vooruit sprong en een soort van voorgebergte vormde waar men zonder veel moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen.

Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling om de rots, daar hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk gedeelte van het woud zij zich bevonden.[205]

Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na met moeite en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen te zijn doorgeworsteld, die hem overal den weg versperden, zag hij zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan den ingang van eene natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn.

Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die hij niet verzuimd had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk binnen, gevolgd door zijne kameraden. De plotselinge verschijning der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, uilen en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en aan alle zijden zochten te ontsnappen.

De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der duisternis te bekommeren, die hij zoo onverwachts in hunne sombere schuilhoeken gestoord had.

De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de omstandigheden waarin zich de jagers bevonden was dit voor hen eene allergelukkigste ontdekking, daar zij hun een genoegzaam veilig verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen der Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker niet zouden nalaten hen te vervolgen.

De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd te hebben dat er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer zegt, dat zij twee uitgangen had, die de gelegenheid waarborgden om te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen vijand mogten worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter in de grot. Vervolgens begonnen zij, met een geduld daar alleen de Indianen of de woudloopers in staat toe zijn, zorgvuldig de minste sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner ontscheping of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle openingen werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de van een geschoven lianen en struiken weder bijeengevoegd, en na deze gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen vermoeden dat er een troep menschen was doorgegaan.

Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken, alsmede ocote-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het vaste voornemen om eindelijk de rust te genieten daar zij zoo veel behoefte aan hadden.

Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds een goed eind heen, eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een mageren, in der haast klaar gemaakten maaltijd, in hunne mantels gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten naar het vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks, eindelijk insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog aanhield toen de eerste stralen der zon den oostelijken gezigteinder reeds kleurden met een purperen gloed.[206]

Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden.

De Vliegende-Arend was niet in de grot.

Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende den Sachem te wel om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen.

—Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben lang genoeg geslapen, het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken.

Oogenblikkelijk was ieder op de been.

De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij bezig met het vuur aan te leggen om het ontbijt gereed te maken, of de Vliegende-Arend verscheen. Hij droeg op zijne schouders een heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond wierp, en zich toen nevens de Wilde-Roos neerzette.

—Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van de voorbaat, uwe jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen mooi op te raken.

De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder antwoordde hij niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de Indiaan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer het gesprek eene meer ernstige wending nam.

Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was, onmiddelijk den eland de huid af te stroopen.

De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd in de alforjas (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die Domingo zoo behendig van het wildbraad had afgesneden, en die op den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften; dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter de Vliegende-Arend en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die geen sterken drank gebruiken, weigerden deel te nemen.

Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon stilzwijgend te rooken.

Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl Domingo en Bermudez het noodige voor hun vertrek gereed maakten; toen zij hiermede gedaan hadden besloot hij eindelijk te spreken.

—Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze togt eigenlijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal, komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene stad ligt. Die stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus niet verbergen dat de gevaren die wij tot hiertoe trotseerden en gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking met die [207]welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te denken dat wij allen die stad zouden kunnen binnentrekken; dit te willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen moord, zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom, caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez zal op onze stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben afgesproken, ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en Vrij-Kogel te vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed?

—In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende buiging.

—En gij, hoofdman, wat zegt gij?

—Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem.

—Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een verlegen blik op zijn meester.

—’t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor kort zijn, zoo ik hoop.

—Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te vergissen als gij terugkomt, zei de jager.

—Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez.

—Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt gij mij niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen?

Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem de oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen.

—Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op ieder woord, omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang uit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar?

—Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt: maak u maar niet boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet.

—Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar verdienste, hernam de Canadees koddig, spreken wij er niet verder over. Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: Daar wij welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het terug komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen.

—Ik zal zien.

—Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg om u allen te bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden, en haar niet verlaten dan op mijne orders; is dat afgesproken?[208]

—Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het gewigt der aanwijzingen die gij mij doet doordringen, om er mij niet naar te gedragen.

—Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen onzer moeijelijke onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier in ieder geval een sterk detachement cordate mannen konden vinden; wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne omzigtigheid verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de Indianen, maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt.

—Ik zal het hem zeggen.

—Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê.

—Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude huisbediende, op een toon die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks meester was, ik zou gewillig mijn leven voor haar opofferen.

—Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen, het mijne heb ik reeds voor haar op het spel gezet.

Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond gezien of er ook eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch heerschte de diepste stilte.

Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den rivierkant, nadat zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad in gelegd hadden.

Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor ’t laatst afscheid van zijn meester; zich toen met moeite omwendende, sprong hij in de praauw, greep de riemen en stak van wal.

—Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na.

—Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez.

—Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen.

Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen; zich toen plotseling tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half in zich zelven:

—’t Is een trouwe ziel;—maar zou hij slagen?

—God zal hem behoeden, zei don Mariano.

—Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het voorhoofd streek; ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, die tot hiertoe met zoo veel zorg over ons waakte.

—Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting dat wij slagen zullen.

—Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb er ook de beste verwachting van; voorwaarts dus.

De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder:

—Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden, de zaak is ernstig.

—Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld [209]worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te begaan die den uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven.

De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de asch; in weinig oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen hurkten er met deftigen ernst omheen.

Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met gewijde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang tot de tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, klopte de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn gordel en wendde zich tot den jager.

—Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij.

—Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging; onze ooren zijn geopend.

De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben den kring te verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven, waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, boog eerbiedig voor de andere raadsleden, en nam het woord.

[Inhoud]
XXIX.
De Raad.
Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag.

De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op:

—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand [210]reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding.

Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege:

—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van billijkheid [211]die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken.

—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen.

—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude.

—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt.

—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u liever alles zeggen.

De Comanch begon schalks te glimlagchen.

—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij.

—Ja.

—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden.

De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing.

—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan?

—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, dat de eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen.

De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk:

—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste oogenblik toe zou besloten hebben.

—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel geheel geruststelde.[212]

—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet.

—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze dingen in een van die colliers—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden des gebeds heb gezien.

—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt.

—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst hij van mij verwacht.

—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn.

—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn.

—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen met uwe plannen bekend.

—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen.

—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt hem verklaren wat hij ziet of hoort.

—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd [213]krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met al de aandacht die gij verdient.

—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen?

De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw:

—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen verlangt.

—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten …

—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.—

—Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was.

—Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort der Tzinco—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend.

—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen?[214]

—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, zal het opperhoofd den jager helpen.

—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad.

De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken.

—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden te zeggen.

—Laat hooren!

—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen.

Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand.

—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen.

—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend.

De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen.

De jonge vrouw gehoorzaamde.

Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde.

Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem:

—De Wilde-Roos zal het weten.

Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop.

—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen.

Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen [215]te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken.

Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween.

Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken.

Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont.

Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten.

Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei teekenen van onrust en verbazing.

—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk.

De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere ongerustheid:

—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt.

De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden.

Eindelijk stond hij weder op.[216]

—Wel? vroeg hem Loer-Vogel.

—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord.

—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat zou ik gaarne weten.

De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren.

—Het zijn bleekgezigten, zeide hij.

—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek doorgedrongen.

—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten.

—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, hunne mocksens laten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen?

Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren.

—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen?

—Ooah! riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf zijn.

—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben.

De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen het hoofd schielijk opheffende, zeide hij:

—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn.

—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan.

—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg.

De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan.

—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan zal zijn.[217]

De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween.

—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen?

—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult.

De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug.

[Inhoud]
XXX.
Het tweede detachement.
Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had.

De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn.

Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters en struiken in het rond.

Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten.

Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween.[218]

Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout.

Wat had hij ontdekt?

In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden.

De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef voor hen staan.

—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend komt hen bezoeken.

—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende.

—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing.

De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken.

—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager.

—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de Indiaan.

—Hoe dat? vroeg don Leo.

—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend.

—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren.

—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . .

—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen.

—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor het eerst in deze streek kom.

—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het vergeten.[219]

—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben.

De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo.

—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht.

De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst getroffen.

—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd.

—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch.

—Is het mogelijk? riep don Leo.

—Een Sachem liegt nooit.

—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws.

—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel.

—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons?

—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen.

—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel.

—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list.

—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt.

—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder.[220]

De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in.

—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden?

De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen.

—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de endit-ha—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen.

—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaansche cithuatl gedragen werden.

—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst.

—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken?

—Mijn broeder is vrij.

—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in ons kampement?

—Begrijpt gij dat niet?

—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid waart.

—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister toch niet.

—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen vinden.

—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen.

—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen?

Het opperhoofd knikte toestemmend.

—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager.

—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken.

—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig hebben.

—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons?

—Wij zullen hier komen.[221]

—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio.

—De Vliegende-Arend is een goed payatzin—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch.

—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard?

—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat zich beter volgen te voet.

—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij?

—Met ons vieren.

—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij.

—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten hebben.

—Goed, dan ga ik met u mede.

Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende.

De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren.

Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging.

Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën.

Domingo was verdwenen.

Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift:

—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt!

—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager?

—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden.

—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels naam?

—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd.

—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u.

—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u.

Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, [222]hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer.

—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij.

—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren tijd verloren.

Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende wegen het bosch in.

Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd.

—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij.

De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten zij het tooneel van den strijd.

De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen.

De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken kamp.

Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken.

—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende.

—Houd op! schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u borg voor.[223]

De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht van teleurstelling.

De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte.

—Ooah! antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien.

Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen.

—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb.

Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden.

—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen.

—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is.

—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe.

—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot zijn eruhpa—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd.

—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen.

—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is goed afgeloopen.[224]

De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns:

—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven.

—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano.

—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te verijdelen.

—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt.

—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang.

—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette.

De Vliegende-Arend keerde het wapen af.

—Die man behoort mij, broeder, zeide hij.

Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide hij:

—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal.

Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik trillen.

—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache.

Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene onbeschrijfelijke stem:

—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij!

De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet.

—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp..

—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer verraden.

Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond1.[225]

De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde zich naar zijne kameraden:

—Laten wij vertrekken, zeide hij.

De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden.

Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug.

Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht met de hand op den schouder.

—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende.

—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf.

En hij ging terstond heen.

—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl hij hem naoogde.

1Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen. ↑

[Inhoud]
XXXI.
De Tlacateotzin1.
Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van de Wilde-Roos.

Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen.

De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder:

De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht.

Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten.

Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar!

Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen.

In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte.

Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte.

Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van [226]mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom waar de wet van Ilhuicamitl2 den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land van Hanahuca3 beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb.

Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op.

Het opperhoofd vervolgde:

—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten?

—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten leiden.

—Ooah! hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani.

—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano.

—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen.

—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide don Miguel.

—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt.

—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.…

—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt.[227]

—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen.

—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten.

—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen.

—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen?

—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend.

—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon.

—Ooah! denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een blanke?

—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even.

De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd.

De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet.

Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier der Yumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen.

Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag.

—Op mijn woord, riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.…

—En wat zegt gij er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde.[228]

Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek.

—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan.

—Ooah! de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft.

—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen.

—Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Yumeesche doctor.

—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen.

De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend.

—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen.

Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd.

—Ik ben gereed, zeide hij.

—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken.

De Tlacateotzin boog toestemmend.

De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden zich.

Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen?

—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen.

—Kom, antwoordde de jager kortaf.

Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen vertrekken.

De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud.

De jager bleef staan.

—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij.[229]

—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij niet.

De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij:

—Hebt gij mij niets te zeggen?

—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering.

—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben.

—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik.

—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven?

—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen.

—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand!

—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart als in het uwe.

—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders terug te voeren.

—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend.

—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, [230]ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel!

Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand had toegeworpen.

Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid.

—Arme jongman, mompelde hij met een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt?

Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij:

—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts!

Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen.

In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging.

Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den schouder en een reata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager.

De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten.

De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten.

Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de [231]stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen troep te ontvangen.

Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie te gemoet.

Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de stad binnen.

Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen.

De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten.

Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden.

Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees.

Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort.

Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette.

Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort.

Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van Loer-Vogel had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad.

De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen.

—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden.

Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg:

—Is mijn broeder een opperhoofd?

—Ik ben een opperhoofd.

—Ooah! dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden.

Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest [232]voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent het eenvoudig Twee-Konijnen,4 zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de jager spelen zou.

—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas.

—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend gesproken heeft.

—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft?

—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan.

—Ooah! hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van mijns broeders stam?

—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee).

—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen?

—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad heeft gesticht.

—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac.

Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend.

—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den Indiaan.

Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment.

—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide hij.

—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen!

De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden.

—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijne calli (hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt.

Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging.

—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen.

—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder [233]Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge.

—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt.

En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, en sloten deze zich weldra bij hen aan.

Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was.

Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken.

Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men met regt den titel van wilden mag toepassen.

Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op.

—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw.

—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde zij.

De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet.

—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen.

—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin.

—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan.

—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde.

—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet.

—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen.

Hiermede was de voorstelling afgeloopen.

De slavinnen bragten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende [234]naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten.

1Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van tlacatl, man en teotl God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen. ↑

2Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,” van Ilhuicatl, hemel, en mitl schicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft. ↑

3Mexico. ↑

4Ometochtli is zamengesteld uit om, twee, en tochtli, konijn. ↑

[Inhoud]
XXXII.
Eerste ontdekkingen in de stad.
Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen.

Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden gehouden.

Eenige stapels velden van tijgers en ocelotl (boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen.

Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer.

Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde.

Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer voor het gezin.

Het tweede is bestemd voor de kinderen.

Het derde dient tot slaapkamer.

Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld.

Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt.

Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is.

Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk in den coral, dat is in de open lucht bereiden.

Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor.

De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de [235]slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden.

Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij gedoemd.

Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend.

Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef: Lasciate ogni speranza (Vaarwel, alle hoop).

Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten.

Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen.

Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige [236]Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen.

Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde.

—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader.

—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend.

—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac.

—Wat is er dan voor nieuws aan de hand?

—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem.

De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding.

—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen?

—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen.

—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad is binnengerukt?

—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden?

—Dat ik onmiddelijk in den raad kom.

De Indiaan boog en vertrok.

De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen te gaan.

De Vliegende-Arend weêrhield hem.

—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest.

—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig.

—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is?

—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht.[237]

—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen ongestoord uitvoeren.

—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven.

—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot mij dit belet.

—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad.

—Wat wilt gij hiermede zeggen?

—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen.

—En wie zijn die twee mannen?

—Gij kent hen maar al te goed.

—Hoe heeten zij dan?

—De Roode-Wolf en Addick.

—Ooah! riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen.

—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen?

—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.…

—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje zwijgens.

—Welk?

—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk?

—Wat meer?

—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen.

—Dat heb ik.

—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen?

De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, dit in de [238]oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide:

—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen.

—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde.

—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken.

—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen.

—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen.

—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling van den jager.

—Laat ons vertrekken, zei Atoyac.

De Vliegende-Arend boog stilzwijgend.

Zij gingen heen.

Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen.

De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan.

De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac:

—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb.

—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op [239]mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in de calli te laten.

De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden wenk.

Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde.

Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte.

Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt.

De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken.

Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven.

Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten.

Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen.[240]

Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe.

De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken.

Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te hebben, haar gesprek hervat.

—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos.

—Ja, antwoordde de Duif.

—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen.

—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan.

De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd.

—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar.

—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig.

—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen.

—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster?

—Wanneer?

—Morgen, zoo gij wilt.

—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u.

Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager.

Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte.

Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was.

Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen.

Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen.

—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg.

—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag [241]van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf.

Laatstgenoemde glimlachte.

Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven.

—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch.

Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens met hem had.

Hij nam het dus aan.

—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde.

—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac.

—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel.

—Zooveel te beter.

—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde.

—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven hare legerstede.

Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met eene bedaarde stem te kunnen zeggen:

—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt.

—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan.

Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor.

[Inhoud]
XXXIII.
Ophelderingen.
Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk [242]in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te worden gekend.

In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen.

Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken.

Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich met de Roodhuiden meten.

De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden,

Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van den slaaf tegen zijn meester.

De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden.

Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.

De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan met woeker terug te zullen betalen.

In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt zou zijn.

Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming.

Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten, [243]met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen?

Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven?

Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan.

De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden.

In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen.

Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen.

De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te laten afdoen.

De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat [244]zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden.

De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken.

Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren.

Zij trokken op weg.

Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde.

Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo in het woud verdween.

Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien.

Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen houden.

Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minste slinksche beweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep.

Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen.

Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte [245]was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan volhouden.

Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het bastaardras waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou.

Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen.

Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen.

Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen.

Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben gezien.

Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te worden overvallen.

De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten.

Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken.

Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat [246]men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep.

Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der brandende takkebosschen te bezigtigen.

Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en die tabak was versch.

Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het jagerskamp bevinden.

Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen.

Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen.

De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken.

Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek ook hier weder het geval te zijn.

Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een vuur branden.

Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht.

Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen.

De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring [247]van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect.

De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging had kunnen uitbrengen.

De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had.

Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht.

Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend.

—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij hier, mijn brave kameraad?

—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word.

Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten.

De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren.

Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken.

Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen waren.

Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord.

Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden.[248]

Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft.

Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord.

Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken.

Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen zijnden strijd te ondersteunen.

Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst af te wachten.

Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani was binnen gekomen.

Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriend Chicuhcoatl—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani.

Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken.

Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden.

De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en [249]dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen.

Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen.

Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis der Zonnemaagden over te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven.

Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf.

Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond.

[Inhoud]
XXXIV.
Een gesprek.
De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven.

Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid.

De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen.

Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren.[250]

Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken.

Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden.

Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid was overgebleven.

—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor.

De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak.

—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon.

—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij.

—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk.

—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen.

—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.”

—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt.

—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist.

—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven.

—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet.

Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen [251]geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich.

—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen?

De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte zijn antwoord af.

—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel.

—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek.

—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen.

—Ooah! daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd.

—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot nadenken gaf.

—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij.

—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen.

—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik juist bijeenzijn.

—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerste hachesto (heraut) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het genoegen had mijn zoon te zien.

—Mijn vader gaat dus ook naar den raad?

—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft.

—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar?

—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken?

—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker wensch te zijn.

—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de opper-priester uitwijkend.

Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen.

De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was.[252]

Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide toejuiching.

Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend.

Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten.

De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester.

De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld.

Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid.

In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken.

De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek.

Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten.

Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten Sachem.

Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden [253]onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag.

De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat des waters”1; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac2 regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm meer de Europesche type naderde.

Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te doorkruisen.

Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen.

Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche natiën.

Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke stem de volgende woorden:

—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn.

Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal.

Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzin gedragen en eerbiedig [254]aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen:

—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve.

De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden:

—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan3 smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat zij als wijze mannen spreken mogen.

Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon.

De oude Sachem vatte nu het woord weder op.

—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend.

Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick [255]volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken.

De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte.

De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken.

De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden.

Na deze besluiten ging de raad uiteen.

De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien hij sinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren.[256]

De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde.

Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester.

—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling.

—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden.

—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst.

—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd.

Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten.

De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte.

Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de [257]twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden.

Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm en haastte zich om hem te volgen.

1Axayacatl is zamengesteld uit atl, water, en axaya, vlak. ↑

2Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën). ↑

3De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt van aztatl, reiger. ↑

[Inhoud]
XXXV.
De Zamenkomst.
Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre was van te bezitten.

De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven.

—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding.

—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken.

—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle winden te verstrooijen?

—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke [258]vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken.

—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen.

—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan1 overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl2, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen.

—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen.

Atoyac schudde treurig het hoofd.

—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten niet binnendringen?

—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd om haar te ontdekken.

—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk.

—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen.

—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk en wel gewapend.

—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde van schrik.

—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen [259]of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield.

—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat.

—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst.

—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn?

Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond.

—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders?

De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte:

—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak.

—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig.

—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen.

—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles zeggen.

Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van zijn gastheer liet vervaard [260]maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac zoo dringend verlangde.

—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani ben.

—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grooten Ayotl,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen getuigenis.

Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou.

—Ooah! hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik spreken.

Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte.

—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft.[261]

—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken.

—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen meester worden.

—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad het bevel zal voeren.

Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren.

De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer met zijn geleider binnengelaten.

De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan.

Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der jonge meisjes te onderzoeken.

Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager [262]bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde.

Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt.

Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten.

Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, zeide hij met eene zachte stem:

—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen.

—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek den spreker met een vragenden blik aan.

—Ja, zei Atoyac.

—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam.

Atoyac glimlachte vertrouwelijk:

—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick.

De Amantzin huiverde onmerkbaar.

—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin.

De jager boog en volgde den opperpriester.

Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, zorgvuldig achter zich digt.

Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde genoegen kon geven.[263]

In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid.

Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde.

Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vier ocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde.

Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene indrukwekkende stem:

—De Wacondah is magtig; de Ayotl—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op haar aangezigt te kunnen lezen.

De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus.

—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken.

—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit.

De opperpriester boog deemoedig het hoofd.

—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek.

En hij ging de zaal uit.

De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug.

Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik.[264]

—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend.

—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat.

—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en medgezel van don Miguel.

Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem.

—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren.

Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep.

—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven.

—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten!

Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde:

—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld.

Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht.

—En don Miguel, riep zij, waar is hij?

—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar.

—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende.

—Weldra!

—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen.

Loer-Vogel glimlachte.

—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet.

Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op.

—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver!

—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust.

—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk.

Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen.

—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede.

—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht.

—Wachten en geduld hebben.

—Wat! wilt gij vertrekken?

—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik.

—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld.

—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven.[265]

—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa.

—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, en ik zal u redden.

—Heb dank! riepen beiden.

De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur stil. Loer-Vogel wenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand.

De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen.

1Letterlijk “het Roode land”, van tlapalli, rood. ↑

2De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer, en coatl, slang; en beteekent “gevederde slang.” ↑

[Inhoud]
XXXVI.
Eene ontmoeting.
Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken.

De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken.

Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij vurig verlangden beantwoord te zien.

—Hoe is het, vader? vroegen beiden.

—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u?

De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte haperende stem:[266]

—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente.

De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen terug.

—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige kennis geschonken?

Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem:

—Dat de zonen van den gewijden Ayotl zich wapenen met moed!

—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard.

—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden meester gemaakt.

De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had.

—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig.

—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon.

De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering.

—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn.

—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet.

De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming.

—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den tempel binnenleiden.

—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen.

De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten.

—Goed, riep de jager; morgen met de endit-ha—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te zeggen of er hoop is om de kranken te redden.[267]

—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard.

De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van den Rooden-Wolf en Addick gehoord hadden.

Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt.

Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven.

De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De [268]eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen.

Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen.

Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde.

Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman [269]betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden.

Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms.

En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf.

Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en gudste hem het koude zweet van de slapen.

—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is.[270]

Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem:

—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt zijt.

De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. De andere vervolgde:

—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren?

Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk.

—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag?

De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag.

—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met u had.

—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u.

De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen.

—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet.

—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe [271]goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen.

De Indiaan meesmuilde.

—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest!

—Misschien! maar wat wilt gij van mij?

—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is.

—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen.

De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon:

—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij.

—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken.

—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn.

De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op.

—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid [272]vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft!

De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare stem:

—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten.

—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken.

—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op deemoedigen toon.

—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u.

—Wat doet mijn vader dan?

—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten.

De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem:

—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen?

—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal kunnen bewegen.

—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets aan veranderen.

—Ooah! maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen.

—Neen, zeg ik u.

—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen?

—Ik wil het niet.

—Is dit mijns vaders laatste woord?

—Mijn laatste woord.

—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef.

Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het [273]oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat.

De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep en dien met zoo veel kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad.

De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheele ligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem:

—Vergeving! vader! vergeving!

De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting:

—Raap uw wapen op, moordenaar!

Tot eenig antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het lijf hing.

—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu.

—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben?

—Dat is zoo. Gij zijt genoeg gestraft; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom.

De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke [274]geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind.

De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem tot aan de eerste straat.

Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid.

—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken.

—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig.

Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis.

Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt.

Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen.

[Inhoud]
XXXVII.
Verwikkelingen.
Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden.

Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten.

Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien.

Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd.

Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver [275]altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven.

Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de Real del Monte beminde.

Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft.

Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan.

Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten.

Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt.

Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen.

Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, gepaard met de onschuldige zachtheid van een min [276]of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt.

Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen.

Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven.

Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou.

Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven.

Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigen landedelman, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen.

De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten.

Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen, [277]tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten.

Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten.

Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te zien.

Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde.

Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen.

Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden.

Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten de aannadering van een troep ruiters.

Iedereen greep naar de wapenen.

Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde.

Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan den oever der rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte.

Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen [278]slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen.

De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen.

De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is.

Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag.

—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden.

—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten overrompelen.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was destijds.…

—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken.

—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend en zijne cihuatl, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft.

Don Miguel keek den jager scherp aan.

—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij.

—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw.

—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht.

—Zijne vermomming was niettemin volmaakt.

—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt van verraad?[279]

—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader?

—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn de eenige twee die hem kennen.

—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik.

—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft?

—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten.

De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten.

—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.…

—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt?

Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen.

—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van …

—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in de rede, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad.

—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent.

—Laten wij er dan niet meer over spreken.

—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel.

—Ha! daar hebt gij het al.

—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd.[280]

—Zeg mij om welke?

—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd.

—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden?

Vrij-Kogel schudde het hoofd.

—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren.

—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan doen?

—Wat wij doen zouden?

—Ja.

—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden.

—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden.

—Dat zeker; wij zouden wel moeten.

—Maar hoe dan?

—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het oogenblik, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen.

—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep don Miguel verheugd.

De jager zag hem verwonderd aan.

—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen?

—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven.

—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk.

—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen.

—Zooveel te beter, wij willen het hopen.[281]

—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen.

—Om in de stad te gaan?

—Ja!

—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt.

—Vindt gij niet?

—Zeker; maar hoe komen wij er in?

—Laat dat maar aan mij over.

—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders.

—En dat is?

—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid.

—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt.

—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn.

—En ik ook.

De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen. Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien.

Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen.

—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij.

—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit.

—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u.

—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood!

—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien!

Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming zou na zich slepen.

—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht.

—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen.[282]

—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen verliezen.

—Wat zegt gij daar?

—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig.

Don Mariano slaakte een zucht.

—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien.

—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is.

Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos op den grond.

De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen.

Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen.[283]

[Inhoud]
XXXVIII.
Eene nachtelijke verkenning.
De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten.

Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen:

De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen.

Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen.

Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen.

De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming.

In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen.

Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden.

Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen.

Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden.

Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging.

Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere nachtschemering.

Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden.

Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid [284]van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven.

Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken.

De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed.

Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende aanmerking:

—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger.

—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer dan noodig is.

—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn?

—Dat weet ik zeker.

—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen.

—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt.

—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga.

—Kom!

—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving.

—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid.

—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, om [285]zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie1 te schaken; maar …

—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets?

De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd het hoofd.

—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij.

—Weet gij het zeker?

—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren.

Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes klonk op korten afstand.

—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes.

—Inderdaad, antwoordde don Miguel.

En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt.

—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet.

—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen.

—Daar hebben wij kans op.

—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, wanneer het mogelijk was.

—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af?

—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf.

De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak.

—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen?

—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken. [286]Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden?

—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen?

—Ik denk wel van ja.

—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk.

—Goed; kunt gij zwemmen?

—Waarom vraagt gij dat?

—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten.

—Ik zwem als een steur.

—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen ik u zeggen zal.

—Ga door als het u b’lieft.

—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts.

—Welzeker!

—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo niet?

—Ja!

—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten?

—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf.

—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn.

—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet gedacht heb!

—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof.

—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen.

—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven.

Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint.

—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene praauw vonden.

In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder.[287]

Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten was zij te water.

—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel.

—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak te vermijden.

Vrij-Kogel haalde de schouders op.

—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak …

—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte.

De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende.

—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert.

Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was.

—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen.[288]

Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde hem met een paar woorden.

—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op.

Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe:

—Ooah! mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur.

—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede.

—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien?

—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken.

—Oah! mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem uw aanbod aan.

—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal.

Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen.

—Ooah! riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want de boot is zwaar.

Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel er eensklaps uitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde.

—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden.

—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen.

—Dat is gemakkelijk genoeg.

De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen.

De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om op te lossen.

—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden [289]dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij zien.

—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen.

—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen.

—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan.

—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, vervolgde hij lagchende.

Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest.

—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt?

—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken.

—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen.

—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg.

—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere.

De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad liep.

Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein.

—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie.

—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand.

—Waar?

De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel.

—Daar! antwoordde hij.

—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken?

Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee [290]verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing.

—De Vliegende-Arend! mompelden beiden.

Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op.

—Ooah! riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe.

De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond.

—Ik ben het! riep don Miguel.

—En ik! vervolgde Vrij-Kogel.

Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug.

—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk laat beschrijven.

1Zie Vrij-Kogel, 3e druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152. ↑

[Inhoud]
XXXIX.
Het groote geneesmiddel.
Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had.

Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken.

De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten.

—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou ik verloren zijn geweest.

—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf.[291]

—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen.

De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd.

—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager.

—Ik twijfel sterker dan ooit.

—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden?

—Ooah! sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats.

—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar.

—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een en prevelde vol verbazing:

—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden?

—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen.

—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was?

—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan.

—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen?

—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was.

De jager schudde het hoofd.

—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen.

—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden.

—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn kan.

—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen.[292]

—Spreek.

—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien.

—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel.

—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal.

—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u.

De avonturier haalde de schouders op.

—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het.

—Maar hoe zult gij het aanleggen?

—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad?

—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor.

Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam hij het woord weder op:

—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen.

—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift.

—Ja, maar op eene voorwaarde.

—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan.

—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik u bidden mag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat van haar die gij redden wilt.

De jongman huiverde min of meer.

—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte.

—Die zal ik houden, zelfs heden nog.

Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te [293]hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter.

Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel te begeven.

Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn.

Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees:

—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder eene voorwaarde slechts.

—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren.

—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar …

—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen.

—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden.

—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen?

—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien?

De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan.

—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen.

—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig.

—Van don Miguel.

—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk.

—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te stellen.

De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen te verbergen.[294]

De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem:

—Tot van avond!

In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst:

—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt.

—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was.

Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk.

—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen haar moeten worden toegediend.

—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is?

—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen.

Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen.

—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide.

Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen.

Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel onkenbaar.

Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende [295]de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel verlieten.

Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond.

—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem.

De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder.

Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde.

—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over.

—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen.

Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden toon:

—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijn tertzauh—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra de mezteli—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl1; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden.

—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten daar zij op rust.

—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen.

De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs.[296]

—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt.

De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen:

—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen?

—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat krijg ik daar voor?

Loer-Vogel keek hem strak aan.

—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd.

Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid:

—Goed, ik doe het.

—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem.

—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee mannen afscheid.

Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten.

Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet te denken.

Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te [297]waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren.

Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt.

Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten.

De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren.

Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn.[298]

De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de gunst van Teotl in te roepen.

Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op.

—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten.

Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk.

—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel.

Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan.

Don Miguel nam thans het woord weder op.

—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen geest onvatbaar te maken.

De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt.

—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem.

De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde.

Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, die [299]door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort van bezwering uit.

Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer.

Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een van hen die het digtst bij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten.

Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten.

—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal.

Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de verte beantwoord.

—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered.

Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen.

—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen.

—Kom dan mede, in ’s hemels naam!

Dona Luisa stond op.

—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te verdedigen.

Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven had.

—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij!

Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet verder voortkonden.

Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af.

—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered.[300]

De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst.

—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte.

De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten.

—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen.

Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter don Miguel.

Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen.

—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden.

De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met duizelingwekkende snelheid weg.

1De onbekende Godheid. ↑

[Inhoud]
XL.
De laatste storm.
Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten.

Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en gaf hij [301]zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad.

Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had, haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te bespieden wat er omging.

Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen.

Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat een der Gambucinos doodelijk trof.

Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk in veiligheid.

Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den [302]drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen.

Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen.

Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden.

Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten.

Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken.

Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers.

Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen.

Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot.

De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden waken.

De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet van kunsten [303]weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken.

De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was.

Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren.

Men ging dus op weg.

De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district Sonora binnen.

Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag, [304]dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne verschrikkingen er overheen gegaan was.

Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte huizen van een versterkte pueblo—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geen manada—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geen recuos—troepen—van muildieren, met hunne rinkelende nenas—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven.

Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe.

Een afgrijselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve.

De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op het patio—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk te versterken.[305]

Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het voorplein als op het azotea—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend.

De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede.

De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan.

Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen.

Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander.

Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe.

—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman.

—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem.

—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de Prairie.[306]

De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd.

—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend.

—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden.

De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op.

—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt.

Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel.

—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een paard laten geven.

—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt.

De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit woord:

—Houd moed!

Hierop ging zij met Loer-Vogel heen.

—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd.

Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij:

—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te worden.

—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval.

—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben.

—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen.

—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd.[307]

—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet.

—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel:

—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader.

—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen den onzen doen.

Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet.

Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder.

De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich.

Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering.

Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort te kruipen.

—Zie eens, zeide hij droog.

—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel.

—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen.

Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting.

Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en wierp een woesten blik op de patio.

—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde.

Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen.[308]

Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug.

Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den storm hervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren.

Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en woede uitstiet.

Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen.

Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den ingang overweldigd en stormden het huis in.

—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd mengde.[309]

—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel.

Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren!

Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud te zoeken.

De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen.

[Inhoud]
Besluit.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad.

De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen.

In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te delven om er de dooden in te begraven.

Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren.

De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel.

Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen.

Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, die welhaast sterven zou.

—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets.

De Canadees poogde nog te glimlagchen.

—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe [310]het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.…..

Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken.

—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal?

—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed!

—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade.

—Hoop vrij, vriend, hoop!

—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten sterven, als een wolf in een knip.

Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven begon snel af te nemen.

—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel.

—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend?

—Hij vervolgt de Roodhuiden.

—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner mij nog, ik kwam van …

Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan.

Hij was dood.

De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad.

Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen.

Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen.

—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen![311]

O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens!

Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik.

Hij was dood!

Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord.

De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en te sterven.

Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had.